Category Archives: Hunnebed D52a

De sloop van ut hüinebedde D52a an de Bolsweg

In de tijd dat hunebedden niet meer hüinebedden werden genoemd, maar gewoon hunnebedden en de overheid deze al als oudheidkundig waardevolle objecten in bescherming had genomen en het slopen van hunnebedden al vanaf 21 juli 1734 had verboden, kon het toch nog gebeuren dat de eigenaar deze dikke stien’n publiekelijk te koop aanbood, zoals mag blijken uit bijgaande bericht in de Drentsche Courant van 7 januari 1848, waarin nota bene de boermarke van Rolde de twee hunnebedden (hunnebed D17 en hunnebed D18) op de esch te koop aanbood.

Op Dinsdag den 11 januari 1848, des voormiddags te 10 uren, zal,  ten verzoeke van de markgenooten van Rolde ten huize van A. ten Oever aldaar, door Mr. A. Homan, Notaris te Assen, publiek en zonder palmslag, finaal worden verkocht: Een huis, erf en tuin of de zogenaamde scheperij, benevens onderscheidene percelen veld-, brink- en boschgrond, gelijk mede de beide op de Esch te Rolde gelegen hunnebedden. Assen, den 27 december 1847. Mr. A. Homan.

De twee hunnebedden, lagen in bouwland op de esch waarschijnlijk toch maar in de weg en konden bovendien geld opbrengen als bouwmateriaal voor kust- en oeverwerken. Echter na protest van de Gedupeerde Staten van Drenthe, en na een advies van het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd de openbare verkoop van de twee hunnebedden verhinderd.


In ut Wapser Saand liep het helaas wel verkeerd af met het hunnebed onder het zand van de heuvel die later ut Pottiesbaargie aan de Bolsweg op het landgoed Berkenheuvel werd genoemd. Dit hunnebed (hunnebed D52a) viel in 1735 ten prooi aan de slopershamer.

In de Nieuwe Drentsche Volksalmanak, jaargang 64, 1946, verscheen in deel XIII van de serie ‘Oudheidkundige aanteekeningen over Drentsche vondsten’ door doctor Albert Egges van Giffen het zeer uitgebreide en zeer gedetailleerde artikel ‘Een vernield hunebed, DLII-a, het zogenaamde Pottiesbargien, in het vroegere Wapserveld, bij Diever, gemeente Diever’ van doctor Albert Egges van Giffen. De redactie van ut Deevers Archief toont hier alleen de eerste vier bladzijden van dit artikel en afbeelding 1 en afbeelding 2, die bij dit artikel behoren.

Een vernield hunebed, DLIIa, het zoogenaamde Pottiesbargien, in het (vroegere) Wapserveld bij Diever, Gem. Diever
In mijn ‘Aanteekeningen over Drentsche vondsten (XI), Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1944, beschreef ik een viertal vernielde hunebedden, te weten twee (DVIe-f) bij Tynaarloo en twee (DXIIIb-c) bij Eext. Thans kan ik, na deze vier en na de reeds veel eerder, namelijk in 1927, eveneens beschreven restanten van eertijds aanwezige hunebedden onder Valthe (DXXXVa), onder Spier (DLIVa), achtereenvolgens Weerdinge (DXXXVIIa), een ander verwoest steengraf (DLIIa) beschrijven. Dit is gelegen bij Diever, in rechte lijn circa 2,5 km N.O. van het dorp. Ook dit kon ik al vroeger vermelden, te weten in het eerste deel van mijn werk over ‘De hunebedden in Nederland’, dat verscheen in 1925.
Bij de nasporingen voor het juist geciteerde boek in het Rijksarchief te Assen, over den aankoop en den overdracht van de Drentsche hunebedden door, achtereenvolgens aan het Rijk of de Provincie, was ik namelijk onder andere ook gestoten op een resolutie van ‘Ridderschap en Eigenerfden, De Staten van de Landschap Drenthe’, waarbij sprake was van een hunebed onder Diever. Deze resolutie, genomen te Assen den 15den Maart 1735, betrof een verzoek van Jan Hindriks en Hindrik Jans, om in het Wapserveld eenige stenen te rooien, die ‘oorspronkelijk misschien van een hüinebedde waren’, en dus, gezien de sedert 1734 voor Drente geldende officiële verbodsbepalingen, niet ‘verbracht’ mochten worden. Het verzoek werd echter ingewilligd, aangezien de steenen vanwege ‘de freijigheijt des gesichtes niet behoefden te verblijven, dewijl dog meest bestoven.’
Bovendien was bij de herinventarisatie van het Asser Museumbezit mijn aandacht getrokken door de herkomst van eenige scherven van hunebeddenaardewerk. Van deze scherven, sedert gemerkt 1883/VIII 3a-d en 1884/XI 3 (180 stuks) gevonden en geschonken door de Heeren Mr. S. Willinge Gratama, griffier van de Staten van Drenthe (Assen), achtereenvolgens Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen (Assen) en G. Kuiper (Hooghalen) stond namelijk als vindplaats aangegeven het landgoed Berkenheuvel onder Diever, terwijl het eenige aldaar tot op dien tijd, sinds 1818 bekende en toen nog ongeschonden, hunebed (DLII) gelegen is aan den ouden Groninger weg, ruim 1 km oostelijk van het dorp (afb. 2 : c).
Aangezien ik zeven jaren van mijn jeugd in Diever, waar mijn Vader destijds predikant was, heb doorgebracht, waren de verhoudingen in en bij dit dorp mij van ouds bekend. Dit te meer, omdat ook nadien het contact steeds bewaard bleef. Zoodoende was het voor mij duidelijk, dat de bovenvermelde vindplaats op Berkenheuvel een andere moest zijn dan de standplaats van het hunebed aan den ‘Groninger weg’. Ik schreef derhalve (in 1922) om eventueele andere inlichtingen aan den sedert overleden Heer Mr. A.C. van Daalen, den toenmaligen eigenaar van het genoemde landgoed. Deze deelde mij mede, dat er op zijn bezit, en wel aan de Bolsweg, tusschen de boschwachterswoning Berkenheuvel en het gehucht Doldersum, inderdaad een merkwaardige heuvel was gelegen, dien men van oudsher het ‘Pottiesbargien’ noemde. Een kort daarop, onder vriendelijk geleide van den Heer van Daalen, naar de bewuste plek gedane excursie en de daar bij die gelegenheid gevonden scherven van diepsteekceramiek bevestigden mijn vermoeden, dat het zogenaamde ‘Pottiesbargien’ het restant was van een hunebedheuvel, waaruit de groote steenen waren verdwenen.
De eigenaar gaf, behoudens eenige restrictie in verband met het dennenbestand op den heuvel, welwillend verlof tot eennader onderzoek. Dit is echter eerst vrij veel later, namelijk in Augustus 1929, ingesteld. Daarbij werd ik bijgestaan door den vroegeren teekenaar bij het Biologisch-Archeologisch Instituut der Rijksuniversiteit Groningen, den Heer L. Postema, en voorts door den Heer J. Lanting, thans technicus-voorgraver bij den Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, doch destijds nog als bediende-voorgraver aan genoemd Instituut verbonden. Overigens waren ons eenige grondwerkers behulpzaam.
Het onderzoek
In een kromming van den Bolsweg ligt het ‘Pottiesbargien’, het langgerekte, onregelmatige, eenigszins sauskomvormige Z.Z.O. – N.N.W. georiënteerde heuvelrestant van het vernielde hunebed. Het is gelegen in het perceel, kadastraal bekend F 1179, Gemeente Diever, circa 2,5 km N.W. van het gelijknamige dorp (Afbeelding 2 : d). Het terrein was vroeger een stuifzandgebied (Afbeelding 2 : c).
Bij het nader onderzoek begonnen wij met het uitzetten van een paar naar de windstreken gerichte lijnen, loodrecht op elkaar. Overeenkomstig dit assenstelsel werden eenige profielen afgestoken en geteekend. Voorts werd het langgerekte, verlaagde middengedeelte zoo zuinig mogelijk afgeschaafd en schoongemaakt.
In den aldus verkregen plattegrond kwamen nu duidelijk een aantal standsporen aan het licht, die tezamen onmiskenbaar het grondplan van een groot hunebed van ganggraftype vormden (Afbeelding 1). Een en ander werd geteekend en in een kadastraal extract vastgelegd (Afbeelding 2 : b).
Natuurlijk waren het alleen de standsporen van de draagsteenen, te weten:
1. aan de korte zijden, van telkens één sluitsteen, S1 1 en S1 2 ….. 2; 2. aan de lange zijden, van telkens acht zijsteenen, Z1 1-8 en Z1¹-8¹ ….. 16 [van de laatste vormden Z4¹ en Z5¹  klaarblijkelijk de toegangssteenen, ter weerskanten van de(n) verdwenen drempelsteen(en)]; 3. voor het midden van de zuidzijde, naar het schijnt -geheel zeker is dit niet- van twee paar poortzijsteenen, PZ 1-2 en PZ 1’-2” ….. 4; totaal 22.
Het aantal deksteenen heeft derhalve vermoedelijk negen beloopen, namelijk acht (D1-8) van de kelder en één (PD1) van de poort.
Overblijfselen van de vloer werden in situ niet aangetroffen. Ook constateerden wij geen sporen van een kring van randsteenen. Toch zou de aanwezigheid der laatste zeer wel te verwachten zijn geweest, gezien de configuratie der standkuilen. Deze pleit immers voor een geprononceerd ganggraftype, en dit gaat in den regel samen met een steenkrans om den dek- of mantelheuvel. Het geheel, zooals het echter door ons werd aangetroffen, kan mijns inziens het beste vergeleken worden met het Westelijke (D XIX) van de beide, door J.H. Holwerda in 1911 onderzochte hunebedden bij Drouwen. Alleen is het laatste één bouweenheid of trilithon grooter.
De maten waren als volgt:
lengte kelder: binnenmaats 15.25 m en buitenmaats 17.90 m; lengte poort: 4.40 m; breedte kelder westzijde: binnenmaats 1.80 m en buitenmaats 3.80 m; breedte kelder midden: binnenmaats 2.00 m en buitenmaats 3.40 m; breedte kelder oostzijde: binnenmaats 1.90 m en buitenmaats 3.95 m; breedte poort: binnenmaats 1.00 m ? en buitenmaats 3.10 m ?; dek- of mantelheuvel: grootste lengte 25.00 m en grootste breedte 20.00 m; hoogste deelen van het bewaarde heuvelrestant (top 11.50, zool 10.40): 1.10 m.
De ondergrond van de niet geroerde heuveldeelen bestond als gewoonlijk uit tamelijk, schoon, bruin geaderd zand; de vaste grond of moederbodem onderscheidde zich van den opgeworpen heuvelgrond door zijn oud humusdek, dat zich evenwel slechts zeer zwak afteekende. Een heidepodsolprofiel ontbrak ook onder dezen heuvel (Afbeelding 2 : A-E).
De ondergrond is pas in den laatsten tijd (Mei 1947) op pollen onderzocht. Hoewel een iets donkerder gekleurde, oogenschijnlijk eenigszins humeuze band de beste verwachtingen wekte, is het aan den Heer H. Tj. Waterbolk, die, zooals bekend, ook andere soortgelijke analyses verrichtte, niet gelukt de noodige pollen met voldoende zekerheid te bepalen; de conservatietoestand bleek daartoe ten eenenmale onttoereikend.

Hierna volgt de tekst van de resolutie van de ‘Ridderschap en Eigenerfden, de Staten van de Landschap Drenthe’, waarin de sloop van het hunnebed in ut Wapser Saand helaas toch wordt toegestaan. Volledig luidt de bewuste resolutie, die in het Drents Archief (de voortzetting van het vroegere Rijksarchief in Drente) in Assen aanwezig is in Dl X, folio 153, sub 25, aldus:

Op de Requeste van Jan Hindriks en Hindrik Jans bij Steenwijk, vertonende wat volgens de Remonstranten in den voorleden jare eenige weinige dagen voor Meij van de Boüren van Wapse hadden gehüurt het Wapserveld, om daar uit steenen te roden, so kleine als grote, en daar onder wel in specie eenige steenen bij kans of meest onder het zant bestoven, die misschien oirspronkelijk waren van een Hüinebedde, welke niet verbragt mogten worden. So versogten Remonstranten dat zij als kopers ( : vermits de verkopers haar contract mede wel wilden hoüden : ) en om de Freijigheijt des gesights niet behoefden te verblijven, dewijl dog meest bestoven waren, deze hare steenen onnasprekelijk moghten wegh halen.
Hebben de Heeren Ridderschap en Eigenerfdens het gedane versoek, als een speciaal geval, geaccordeert, confirmerende voorts de ordonnantie bij de Heeren Drost en gedepüteerdens geëmaneert.

Posted in Diever, Hunnebed D52a, Landgoed Berkenheuvel, Verdwenen object | Leave a comment

De sloop van ut hüinebedde D52a an de Bolsweg

In ut Wapser Saand liep het verkeerd af met het hunnebed onder het zand van de heuvel die later ut Pottiesbaargie aan de Bolsweg op het landgoed Berkenheuvel werd genoemd. Dit hunnebed (hunnebed D52a) viel in 1735 helaas ten prooi aan de slopershamer.
De redactie van ut Deevers Archief heeft toestemming van de redactie van het prachtige tijdschrift Noorderbreedte -en is de redactie van dit tijdschrift daarvoor uiteraard bijzonder erkentelijk- het volgende stuk tekst over ut Pottiesbaargie uit het artikel ‘Berkenheuvel, een bebost heide- en stuifzandgebied’ van Jan Abrahamse in Noorderbreedte 90 te citeren en de daarbij behorende afbeelding van ut Pottiesbaargie te mogen tonen.

Pottiesbargien
De route kronkelt zich rond een grafheuvel, Pottiesbargien geheten, die vroeger een hunebed bevatte. Dat is zo’n 250 jaar geleden gesloopt. Op 15 maart 1735 gaven de Staten van Drente toestemming tot het verwijderen van enige grote stenen in het Wapserveld, die waarschijnlijk (de resten van) een hunebed vormden. Omdat deze stenen gedeeltelijk overstoven waren, en omdat de indieners van het verzoek, Jan Hendriks en Hendrik Jans uit Steenwijk, reeds vóór 1734 een kontrakt voor het rooien van stenen in het Wapserveld hadden gesloten met de boeren van Wapse, verleenden de Staten ontheffing van de bepaling van 21 juli 1734, dat hunebedden niet vernield mochten worden. Als argumentatie voor dit besluit gaven de Staten op, dat het hunebed ‘om de Freijgheifs des gesights niet te verblijven’ hoefden!
Rond 1883 werden op het landgoed Berkenheuvel scherven van hunebedden-aardewerk gevonden, op een plaats die sindsdien als ‘Pottiesbargien’ bekend stond. Kennelijk betrof het de plaats van het in 1735 gesloopte hunebed. De ligging in de voormalige marke Wapse, aan de rand van het grote stuifzandgebied Dieverzand, komt overeen met de summiere omschrijving in de resolutie van 1735.
In 1922 kreeg Dr. A. E. van Giffen, direkteur van het Biologisch-Archaeologisch Instituut (BA1) van de Rijksuniversiteit Groningen, toestemming van Mr. A. C. van Daalen, tot onderzoek van het Pottiesbargien. Dit vond echter pas in 1925 plaats. Van Giffen had zich beperkt tot het vaststellen van de plattegrond van de verdwenen grafkelder.
Na het onderzoek van 1929 werden nog steeds grote hoeveelheden scherven en vuursteen verzameld, in de oorlogsjaren door de kleinzonen van Mr. Van Daalen en door de zonen van Dr. Van Nooten uit Diever, in de 50-er jaren door K. Vlierman uit Steenwijk en G. L. Brante uit Wapserveen. Van Giffen kende de verzameling Van Nooten-Van Daalen, maar meende dat deze afkomstig was uit de door hem niet onderzochte delen van het Pottiesbargien. Uit korrespondentie en gesprekken met de diverse vinders in de afgelopen jaren bleek echter, dat deze vondsten uit het stort van de opgraving van 1929 afkomstig moesten zijn.
Bij nader inzien is dat ook wel waarschijnlijk. Volgens de deklaraties in het archief van het BAI, duurde het onderzoek in 1929 maar 8 dagen. Gelijktijdig werd bovendien een tweede objekt, de zogenaamde steenkistheuvel aan de Oude Groningerweg in Diever, onderzocht. Deze tijd was veel te kort om de inhoud van een hunebed van de grootte van het Pottiesbargien ook maar bij benadering nauwkeurig te kunnen onderzoeken. Bovendien was Van Giffen in de eerste plaats geïnteresseerd in de plattegrond, niet in de vondsten. Dat veel scherven enzovoort op het stort terecht kwamen, is daarom niet vreemd. Uit de profieftekeningen van de opgraving van 1929 blijkt, dat van de oorspronkelijke aarden heuvel rond de stenen grafkelder, de zogenaamde dekheuvel, nog delen intakt aanwezig waren onder het stuifzand.
‘Van Giffen had nogal slordig gewerkt en dat heeft geresulteerd in een na-onderzoek, wat tegelijkertijd een rekonstruktie van Pottiesbargien zou betekenen’, vertelt Schuiling. ‘Dat onderzoek werd gedaan door J. N. Lanting’, die ook het rapport hierover samenstelde:
Het eigenlijke na-onderzoek vond plaats tussen 4 juli en 12 augustus 1988. Op drie plaatsen werd een uitgebreide stort van Van Giffen teruggevonden. Deze storthopen werden afgegraven en gezeefd. Dit leverde 15.800 scherven van aardewerk, 9 kralen van barnsteen, 1 kraal van git en 1580 stuks vuursteen op. Van het aardewerk behoren 54 scherven tot Middeleeuws
materiaal en 32 tot 17e en 18e eeuwse kleipijpen. De rest stamt uit het Neolithicum, de periode waarin dit hunebed in gebruik was. Van het vuursteen zijn 111 stuks werktuigen, nl. 88 pijlpunten, 14 vuurslagen, 7 schrobbers, één gave vuurstenen bijl en 1 snede van een vuurstenen bijl.
In overleg met Natuurmonumenten werd besloten een heuvel te konstrueren die de vorm van de dekheuvel zou hebben, zoals die er uitzag vlak na de bouw van het hunebed, rond 3200 v. Chr. De nog intakte delen van de dekheuvel zouden op die manier goed beschermd zijn, want de dekheuvel was door erosie in de loop der tijden veel lager geworden dan hij oorspronkelijk was. De gerekonstrueerde heuvel is ovaal, 26 x 16 m en reikt 1 m boven het oude maaiveld. Aangezien de omgeving is uitgestoven, lijkt de heuvel echter hoger. Ter plaatse van de oorspronkelijke toegang in het midden van de zuidelijke lange zijde is een smalle gang in de heuvel uitgespaard. De flanken van de heuvel werden met plaggen bekleed, om verspoeling tegen te gaan. Het is wenselijk te zijner tijd de bomen op de heuvel en in de direkte omgeving te verwijderen. Met gras en/of heide begroeid is de heuvel een opvallend monument. Door zijn ligging in een bocht van de weg wordt hij pas op het laatste moment zichtbaar.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie heeft de kleurenfoto van een deel van ut Pottiesbaargie gemaakt op 9 april 2013. De verminkte grafheuvel is vervuild met een betuttelbord van de Vereniging Tot Behoud Van Natuurmonumenten.

Posted in Albert Egges van Giffen, Hunnebed D52a, Landgoed Berkenheuvel, Pottiesbaargie | Leave a comment