Category Archives: Wateren

Nog een dakkapel op het geboortehuis van dr. Pol

De redactie van het Deevers Archief zag in het voorbijgaan op 2 november 2017 (toch nog gauw even bijgaande slecht belichte foto gemaakt) dat het geboortehuis van Jan Haarm Pol (the incredible dr. Pol) (de ongelooflijke dr. Pol) weer was uitgebreid met een flinke dakkapel, deze keer aan de voorkant van de boerderij.
Blijkbaar hadden de bewoners van deze zo te zien nogal kleine woning behoefte aan meer leefruimte en hebben daarom voor daglicht in de kamer of kamers aan de straatkant op de zolder een dakkapel laten aanbrengen. Het is wel jammer dat daarmee de fraaie uitstraling van deze boerderij verder te niet is gedaan.
Deze dakkapel was op 7 augustus 2015 nog niet aanwezig, zie de betreffende afbeelding in een ander bericht in het Deevers Archief.

Posted in Boerderijen, De aandere kaante van de bos, The incredible dr. Pol, Wateren | Leave a comment

Het paardehoofdbankje voor Jan Haarm Pol

De op Woater’n geboren Jan Haarm Pol, meer bekend van de tillevisie als ‘the incredible dr. Pol’ (‘de ongelooflijke dr. Pol’), heeft bij Obadja aan de Dorpsstraat op Zorgvlied een eigen zitbankje aangeboden gekregen. Jan Haarm Pol was aanwezig bij de aanbieding van het paardehoofdbankje.
De voorkant van het gelijk van de gemeente Westenveld heeft dit bankje nota bene aan hem aangeboden. Het bankje is betaald met gemeentelijk publieksgeld en is dus niet gesponsord – wat echt wel had gekund – door een plaatselijk paardespul of een plaatselijke onderneming in de toeristenindustrie.
Houtbewerker Henri Koeling (die zichzelf woodcarver noemt) uut de Peperstroate in Deever is de snijder van het letterlijk enigszins laag-bij-de-grondse paardehoofdbankje. Het bankje is versierd met een paardehoofd, want het paard is het lievelingsdier van Jan Haarm Pol.
Het paardehoofdbankje nodigt uit hier een poosje te gaan zitten, bijvoorbeeld na de kerkdienst bij Obadja om zo het gehoorde bij Obadja te laten bezinken.
Toch is het wel een beetje merkwaardig te noemen dat het paardehoofdbankje bij Obadja is neergezet. Staat het paardehoofdbankje op particulier terrein ? Andere en mogelijk betere plaatsen voor het bankje zijn een plaats vlak bij het geboortehuis van Jan Haarm Pol op Woater’n, daar is ruimte genoeg, of een plaats op de koloniebrink (QoloniebrinQ) van Zorgvlied, daar is ruimte genoeg, bijvoorbeeld bij de nepklok van Tied Zat.
Het paardehoofdbankje is ontsierd met een informatieplaatje, waarin de volgende tekst is gegraveerd:
geplaatst door de gemeente Westenveld ter gelegenheid van het bezoek van dr. Pol aan zijn geboortegrond, september 2016.
De redactie van het Deevers Archief heeft de afgebeelde kleurenfoto op 2 november 2017 gemaakt.

Posted in Kunstige objecten, The incredible dr. Pol, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Groot en Klein Wateren gekocht met Indisch Goud

In de Java-bode (nieuws-, handels- en advertentieblad voor Nederlands Indië) van 11 oktober 1871 verscheen een anonieme reactie op het korte, eenvoudige, zakelijke en feitelijke berichtje over de verkoop van het landgoed Groot en Klein Wateren, dat werd gepubliceerd in nummer 27 van de Mail-Courant van 2 september 1871.

Het landgoed Groot en Klein Wateren, in de gemeenten Vledder en Diever, is, naar wij vernemen, voor negenennegentig duizend vierhonderd acht gulden verkocht aan den heer Enger, uit Oost-Indië, wonende te Arnhem.
Mail-Courant van 2 september 1871, nummer 27.

De Indische Goudmijn
Waarom niet f 99.408, in cijfers ? Waarom, door het voluit schrijven van die som, den lezer genoodigd, nee gedwongen, des te langer met zijne gedachten bij hare rondheid te vertoeven ?
De vraag behelst het antwoord. Even duidelijk alsof hij zich in uwe onmiddellijke nabijheid bevond, ziet gij op vierduizend mijlen afstand hem achter de lessenaar zitten, den provincialen correspondent, inboorling der gemeenten Vledder en Diever, die voor den vasten prijs van f. 2,50 het stuk provinciale nieuwtjes aan de dagbladen der groote steden zendt. Van zijne vroegste jeugd kent en benijdt hij de heerlijkheden van Groot en Klein Wateren. Zijn vader is er tuinbaas geweest. Met de zonen van den toenmaligen eigenaar heeft hij er gevischt, gejaagd, gerost, gereden, slootje gesprongen. Waar die ‘jongeheeren’ zich thans bevinden, weet hij niet.
Van den eenen eigenaar is het goed in den loop des tijds op den anderen overgegaan, tot het nu laatstelijk op nieuw te koop werd aangeboden. Hem zelven is het intusschen niet meedegelopen in de wereld. Ten einde hem te doen rijzen op de maatschappelijke ladder, hebben zijne ouders hem bij den burgemeester in de leer gedaan; doch bij die eerste sport is het gebleven, en nog op dit oogenblik heeft hij het niet verder gebracht dan tot klerk ter gemeente-secretarie. Zoetjes aan verstrijkt de tijd, dat hij aan trouwen zou kunnen denken. De langgewenschte traktementsverhooging blijft uit, en er valt te Vledder en Diever te zelden iets bijzonders voor, om de betrekking van korrespondent winstgevend te maken.
Wie is die Enger, van wien men verhaalt, dat hij voor bijna eene ton gouds Groot en Klein Wateren gekocht heeft ? Hij weet alleen, dat de man te Arnhem woont en uit Oost-Indië komt. Oost-Indië ? Waarom is ook hij daar indertijd niet heen gegaan ? Misschien was hij zelf dan op dit oogenblik insgelijks een rijk man en had hij een bod op Groot en Klein  Wateren kunnen doen. Waarom hij niet even goed als Enger ? Niemands heeft ooit gehoord of beweerd, dat Enger een genie of een prins was. Wie weet of Enger’s vader niet achter de varkens heeft geloopen, of Enger de zoon niet als koloniaal zijne loopbaan begonnen is ? Met dat al is die zoon thans een man van fortuin. Hij komt uit Oost-Indië en woont te Arnhem; dus bezit hij alvast eene villa en heeft de gelegenheid slechts afgewacht, ook nog een landgoed te koopen. Negen-en negentigduizend-vier-honderd-acht-gulden – ’t is geen kleinigheid !
De aldus redenerende Vledder -en Dieveraar is een type. Hij vertegenwoordigt het slechts langzaam uitstervend geslacht der Nederlanders, die onder den algemeenen naam van ‘Oost-Indië’ zich een land van belofte denken, waar men rijker vandaan komt, naarmate men voorheen in het moederland minder heeft willen deugen. Wat zoo iemand hier te lande heeft uitgevoerd, in welk gedeelte van den Archipel hij werkzaam is geweest, waarmee hij zich heeft bezig gehouden, welk soort van kundigheden hij heeft moeten aanleren; of hij fortuin heeft gemaakt als landbouwer, als industrieel, als toko-houder, als lid eener weeskamer, als pakhuismeester, als schout, op eerlijke of oneerlijke wijze – daarvan zijn zij te eenemaal onkundig en gaan alleen bij voorkeur van de onderstelling uit, dat vooral twee factoren den aankoop van Groot en Klein Wateren mogelijk hebben gemaakt: een ruim geweten en de partikuliere nijverheid.
Werd er met de partikuliere nijverheid in Oost-Indië geen geld verdiend, zij zouden het onbetamelijk achten, geen geweten te hebben. Nu het omgekeerde het geval is, – getuige zoo menigeen, die uit Oost-Indië kwam en te Arnhem woont, – laten zij de gewetensvraag rusten en zijn voorstanders van de particulieren nijverheid. Die of eene dergelijke hypothese is noodig, zal men het tegenstrijdig verschijnsel kunnen verklaren, dat zulk een overgroot aantal Nederlanders tezelfder tijd Indië als eene goudmijn beschouwen en alles aanwenden wat in hun vermogen is om het te doen ophouden, dat te zijn. Naar Oost-Indië gaan en bij terugkomst in Nederland eene buitenplaats kunnen kopen, daarin lost zich voor hun de koloniale kwestie op; en daar zij nooit vernomen hebben, dat Indische officieren of Indische ambtenaren, – met uitzondering welligt van een Gouverneur-Generaal of wat, – in die oplossing geslaagd zijn, leidt de logica hunner hebzucht daaruit de gevolgtrekking af, dat hoe luider een uitbreiding der particuliere nijverheid geroepen wordt, er des te meer landgoederen zullen gekocht worden. Zonderling mengsel van afgunst en brooddronkenheid ! Als wilden zij zeggen: daar hebt gij weer zoo ’n Indische fortuinzoeker, zoo’n parvenu, zoo’n koning geworden karvoerder ! vervaardigen zij met de eene hand een ellenlang woord van de koopprijs zijner buitenplaats, en helpen met de andere, op hoop dat nog meer karvoerders koning zullen worden., de stutten van Indie’s welvaart omver halen.
Het is niet gemakkelijk, de aandoeningen te beschrijven, waarmede de in Indië gevestigde Nederlanders, die het ekonomisch samenstel deze gewesten doorgrondt, dat drijven gadeslaat. Er zijn te allen tijde Europesche Staten geweest, die hunne overzeesche bezittingen verspeeld hebben; en uit dat oogpunt beschouwd kan het geene verwondering baren, Nederland thans een voorbeeld te zien volgen, dat ruim drie honderd jaren geleden door Portugal begon gegeven te worden. Doch aan den anderen kant is er in de verdwazing van landgenooten iets, dat men zich onwillekeurig aantrekt, alsof men er persoonlijk in gemoeid was. Het opkomend gevoel van geringschatting wordt halfweg gestuit door een overblijfsel van sympathie, en men weet zelf niet te bepalen, wat wijzer is: onverschillig toe te zien bij de moedwillige vernietiging van een gebouw, aan welke voltooiing eeuwen lang gearbeid werd, dan wel, door te waarschuwen voor het dreigend gevaar, een gedeelte der schande te aanvaarden, welke uit elk gemeenschap met Zwarte Benden voortvloeit. Zoo dobbert men voort tusschen twee klippen, en is blijde als de naïviteit van den klerk eener dorps-sekretarie een vrolijk ogenblik verschaft.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De redactie heeft het rietsuikerbruine vermoeden dat de anonieme schrijver van het artikel ‘De Indische Goudmijn’ de heer Gerardus Frederik Enger zelf is.
De sagrijnig kijkende koloniale suikerlord Gerardus Frederik Enger was in Nederlands-Indië overgegaan van de indigo-cultuur naar de suiker-cultuur en was op Java eigenaar van de suikerfabrieken Tjibongan en Tegal Waroe, die hij financierde met het geld dat hij had verdiend in de indigo-cultuur.
Hij zal het landgoed Groot en Klein Wateren an de aandere kaante van de bos wellicht vanwege beleggingsdoeleinden hebben gekocht. Of lag het in zijn bedoeling op de schrale Waterense zandgronden suikerbieten te gaan telen (immers suikerriet wil niet groeien in het koude Wateren) ? Een Drentsche goudmijn ?
De grote vraag is wat de anonieme schrijver bewoog op zo’n arrogante, kleinerende, neerbuigende en minachtende manier te keer te gaan tegen die korte, eenvoudige, zakelijke en feitelijke zin van de plaatselijke krantencorrespondent ? Frustraties ? Tropenkolder ? Superioriteitscomplex ? Spijt van de aankoop ?
Vooral het gebruik van de denigrerende en discriminerende woorden ‘inboorling der gemeenten Vledder en Diever’ doet alle deuren dicht.   

Posted in De aandere kaante van de bos, Landgoed Groot en Klein Wateren, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Fokke Lindeboom uut Woater’n komt om in Oekraïne

In Volk en Vaderland: weekblad der Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland verscheen op 16 juli 1943 het volgende berichtje over het overlijden van N.S.B.’er en Oostlandboer Fokke Dieuwko Lindeboom uut Woater’n. 

In den strijd voor Leider, Volk en Vaderland, tegen het Bolsjewisme, is gevallen de Oostlandboer
Fokke D. Lindeboom
Stbno. 52165,
Landwirtschaftsführer,
oud 45 jaar.
Zijn nagedachtenis leeft in onze rijen voort.
Namens de Groep Diever
K.M. Balsma,
Groepsleider.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De redactie probeert zoveel als mogelijk is aandacht te besteden aan al het gebeurde in de gemiente Deever in de Tweede Wereldoorlog.
De redactie wist van horen zeggen van zijn moeder dat de op Woater’n wonende boer Fokke Lindeboom een N.S.B.’er was en dood was gekomen in Oost-Europa. Het bijgaande overlijdensbericht getuigt daarvan.
Het overlijdensregister van de gemiente Deever vermeldt in aktenummer 19 van nota bene 3 juli 1952 het volgende:
Overleden: Fokke Dieuwko Lindeboom; geboren op 14 mei 1898 te Smallingerland, overleden op 7 juni 1943 te Oost-Europa,  zoon van Sipke Lindeboom en Trijntje Pool. Gehuwd geweest met: Engeltje Jager (in leven; echtgenote).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog emigreerden Nederlandse boeren, waaronder een aantal boeren uit Drenthe, waaronder Fokke Dieuwko Lindeboom uut Woater’n, naar door de Duitsers bezette landen, zoals Estland, Letland, Litouwen en met name Oekraïne. Het waren voor een deel N.S.B.’ers en voor een deel boeren die zich hadden laten overhalen door de Nederlandse Heidemaatschappij. Is Fokke Dieuwko Lindeboom gerecruteerd door de N.S.B.’er Klaas Marcus Balsma ?
Fokke Dieuwko Lindeboom is overleden op 8 juni 1943 in Sitkowski in Oekraïne en is in die plaats ook begraven. De redactie weet niet wat de oorzaak van zijn dood is geweest. De Oostlandboeren werden vaak het slachtoffer van de strijdende partijen. Hebben partizanen Fokke Dieuwko Lindeboom om het leven gebracht ? De redactie weet ook niet of zijn vrouw Engeltje Jager met hem naar Oekraïne is vertrokken en waar zij na het einde van de Tweede Wereldoorlog is gebleven. Engeltje Annes Jager is op 25 februari 1987 in Drachten overleden, zij was toen 88 jaar oud.
Denk nu niet dat N.S.B.-groepsleider Klaas Marcus Balsma, uitbater van café Brinkzicht an de Brink in Deever, zelf dit gehele bericht heeft bedacht. Nee. hij maakte gebruik van een soort van door de N.S.B. voorgekauwd overlijdensbericht waarbij de zin ‘In den strijd voor Leider, Volk en Vaderland tegen het Bolsjewisme, is gevallen …..’ en de zin ‘Zijn nagedachtenis leeft in onze rijen voort.’ vaste teksten waren. Wat zou het N.S.B.-stamboeknummer van Klaas Marcus Balsma zijn geweest ?

Fokke Dieuwko Lindeboom had als N.S.B.-stamboeknummer 52165. Hij was een landbouwleider in Oekraïne, wellicht gaf hij leiding aan een groepje geëmigreerde boeren.

Posted in Klaas Marcus Balsma, N.S.B., N.S.B.'ers, Tweede Wereldoorlog, Wateren | Leave a comment

The incredible dr. Pol is geboren op Woater’n

Op de televisiezender National Geographic is nog steeds de zo genoemde ‘reality show’ met de titel ‘The incredible dr. Pol’ te volgen. Zie het afgebeelde programma van National Geographic voor 4 september 2015, zoals dat is opgenomen in de VPRO-televisie- en radiogids, nummer 35 (29-08-2015 t/m 04-09-2015).
De hoofdpersoon in deze zo genoemde ‘reality show’ is dierenarts Jan Harm Pol. Hij werd geboren op Woater’n in de boerderij, toen met adres Wateren 40, nu met adres Wateren 20.
De redactie van het Deevers Archief heeft -staande op de Huenderweg- bijgaande kleurenfoto van deze boerderij, nu woonboerderij, op vrijdag 7 augustus 2015 gemaakt. De woonboerderij is toch nog redelijk zichtbaar achter de vele richtingaanwijzers van plaatsen en recreatiebedrijven en ander wegmeubilair, die op de t-splitsing van de weg door Woater’n en de Huenderweg staan.
The incredible dr. Jan Harm Pol was enige tijd geleden met zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen op bezoek op Woater’n bij zijn oudere broer Jan aan de Appelschaseweg. De lokale pers heeft aan zijn bezoek enige aandacht besteed.

Abracadabra-457

Abracadabra-434

Posted in Boerderijen, The incredible dr. Pol, Wateren | Leave a comment

Dr. Pol was op 10 maart 2017 op de tillevisie

In het onvolprezen huis-aan-huisblad Da’s Mooi van 7 maart 2017 verscheen het volgende korte bericht over een bezoek van veearts Jan Harm Pol aan onder meer Woater’n, Zorgvlied en Deever.

Dr. Pol op 10 maart op tv
Diever.
Het nieuwe seizoen programma’s van The Incredible Dr. Pol op National Geograhic start met een speciale aflevering waar zijn bezoek aan Nederland is te zien.
De 73-jarige in Amerika woonachtige veearts Jan Harm Pol, geboren in Wateren, kwam in september naar Nederland voor opnames van een jubileumuitzending van zijn realityserie.
Zo liep hij mee met Nederlandse veeartsen en bracht hij een bezoekje aan zijn oude universiteit in Utrecht.
Ook bezocht hij Wateren, het dorp waar hij is opgegroeid, en zijn middelbare school in Diever.
Deze activiteiten zijn op vrijdag 10 maart om 22.00 uur te zien op National Geographic.


In de Meppeler Courant (de Olde Möppeler) van 1 maart 2017 verscheen het volgende korte bericht over een bezoek van veearts Jan Harm Pol aan onder meer Woater’n, Zorgvlied en Deever.

Dr. Pol goes Dutch
Wateren
Het bezoek dat dr. Jan Pol, bekend van de tv-serie ‘The incredible dr. Pol’ op National Geographic, vorig jaar bracht aan zijn geboortegrond in de gemeente Westenveld, wordt op vrijdag 10 maart uitgezonden.
In de uitzending, die om 22.00 uur te zien is op National Geographic, bezoekt dr. Pol het dorp Wateren, waar hij is opgegroeid. Verder is zijn bezoek aan de eendenvijver in Diever te zien in ‘dr. Pol goes Dutch’.
Na de Nederlandse aflevering begint het nieuwe seizoen van ‘The incredible dr. Pol’ op National Geographic. Het belooft weer een seizoen vol avonturen in de kliniek van dr. Pol te worden.


Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De redactie heeft al in enige berichten aandacht besteed aan Jan Harm Pol. Zie de berichten:
The incredible dr. Pol is geboren op Woater’n;
Een paar foto’s van Jan Harm Pol op Woater’n;
The incredible dr. Pol is geboren op Woater’n.
Wellicht is de op 10 maart 2017 uitgezonden aflevering nog een keer via een soort van ‘uitzending gemist’ te zien.
Maar niet getreurd, wie dr. Jan Harm Pol met eigen ogen wil zien en eigen oren wil horen, die kan op zaterdag 7 oktober 2017 terecht bij zijn theatercollege in theater en congrescentrum Orpheus in Apeldoorn.

Posted in Alle Deeversen, Diever, The incredible dr. Pol, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Grensveranderingen in het kerspel Diever

In de Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1905, bladzijden 22 tot en met 39, verscheen het artikel ‘Het voormalige kerspel Diever en de latere grensveranderingen’ van burgemeester H. G. van Os van de gemeente Diever

Bij de mededeling van de oorspronkelijke uitgestrektheid van het kerspel Diever heb ik gemeend niet verder te moeten teruggaan dan tot het begin der 15de eeuw, omdat gegevens omtrent de vroegere indeling van Drenthe in kerspelen nagenoeg ontbreken en ongeveer op dat tijdstip in de oude Landschap ene gewijzigde orde van zaken intrad, welke gedurende de volgende vier eeuwen in hoofdzaak onveranderd bleef. Immers eerst na den afstand van Drenthe door Reynold van Coevorden aan de Utrechtsen bisschop Frederik van Blankenheim in 1395, werd door laatstgenoemde een meer geregeld bestuur in Drenthe ingesteld en het is dan ook van omstreeks deze tijd, dat enigszins betrouwbare inlichtingen, vooral ook aangaande het burgerlijk bestuur in de kerspelen, tot ons zijn gekomen en de benaming kerspel een scherper omlijnde betekenis kreeg.

Deze betekenis van een tweeledige: de indeling in kerspelen betrof zowel het werkelijk als het kerkelijk machtsgebied, zodat men sedert genoemde afstand in de regel in elk kerspel een schulte en een pastoor aantrof.

De oudst bekende volledige opgaaf van de Drentse kerspelen vindt men in een handschrift van omstreeks het jaar 1435, medegedeeld in den Nieuwe Volksalmanak van 1904, bladzijde 182, waarin Diever voorkomt als ‘Deueren’. Uit de vermelding van de namen van de overige kerspelen is na te gaan, dat het kerspel Diever ten Noorden en Noord-Oosten begrensd werd door het kerspel Beilen, ten Oosten door Dwingelo, ten Zuiden door Westerhessel en Wapserveen en ten Westen door Vledder. Overigens grensde het noordelijk aan Friesland (Stellingwerf).

Men zal tegenwoordig deze grenzen niet overal met even grote juistheid kunnen aanwijzen, onder andere op die plaatsen, waar vroeger uitgestrekte onbewoonde heidevelden, moerassen of venen werden aangetroffen; nauwkeuriger echter waar een riviertje of stroom een natuurlijke grens vormde. En daar dergelijke natuurlijke grenzen tussen de tegenwoordige burgerlijke gemeente en de meeste der omliggende gemeenten, in de opgaaf van 1435 reeds als kerspelen voorkomende (de gemeente Havelte als gevormd uit de kerspelen Westerhessel en Wapserveen), bijna overal aanwezig zijn, mag men, ook gelet op de benamingen en grenzen der marken, velden, maden enzovoort van de verschillende buurtschappen en kluften, die natuurlijke grensscheiding veilig aannemen als de grens van het oude kerspel Diever, behoudens de plaats gehad hebbende grensveranderingen, waaromtrent echter voldoende zekerheid bestaat. Deze grenzen waren: de Oude of Beilerstroom tegen het kerspel Dwingelo, de Wapserveensche Aa tegen het kerspel Wapserveen, de Vledder Aa tegen het kerspel Vledder.

De grens tegen het kerspel Westerhessel vormde waarschijnlijk een moeras ter plaatse van het tegenwoordige gehucht ‘het Moer’, dat daaraan blijkbaar zijn naam heeft ontleend (voetnoot 1), terwijl in het Noorden en Noord-Oosten uitgestrekte moerassen en venen werden aangetroffen tussen het kerspel Diever aan de ene zijde, Friesland en het kerspel Beilen aan de andere zijde. Juist terwijl deze streek niet bewoond was, zal het vergeefse moeite zijn, na te sporen, hoever in die tijden het kerspil zich in deze richting uitstrekte. Van ene eigenlijke grenslijn zal wel geen sprake zijn geweest. Eerst later, toen de venen vergraven en de gronden dientengevolge productief gemaakt werden, zal de grens der onder de verschillende kerspelen gelegen marken, als gevolg van het op de voorgrond tredend eigenbelang van de wederzijdse deelgerechtigden, door deze zijn vastgesteld. En deze markegrenzen, welke ook thans nog wel zijn aan te wijzen, werden alzo tevens de grenzen tussen de kerspelen, van welke die marken deel uitmaakten.

Op het tijdstip, waarmede deze verandering begint, bestond het kerspel Diever, behalve uit het dorp Diever (in ene acte van 1181 of 1182 reeds voorkomende als Devere), uit de buurtschappen of gehuchten Kalteren (in 1209 of 1210 Calthorne), Oldendiever (in een register van de jaren 1298-1304 Oldendene, waarschijnlijk een schrijffout voor Oldendever), Wittelte (21 mei 1040 Withelte), Wapse (5 februari 1384), Leggelo (in 1207 of 1208 Leggelo) en Eemster (in 1210 of 1211 Hemsere) (voetnoot 2). Enige kleinere gehuchten schijnen eerst later te zijn ontstaan, zoals Krommevoort (reeds in 1633 bekend), Wateren (in de 17e eeuw bekend als Achter- en Voor-Wateren, terwijl de benaming Klein-Wateren voor ’t eerst in 1761 voorkomt), ’t Moer in 1683, de Brugge of Dieverbruggge in 1685, de Voshaar in 1737, de Geeuwenbrug in 1768 en de Haart in 1772 (voetnoot 3).

Magnin (voetnoot 4) vermeldt nog, dat na de 14e eeuw Lhee onder ’t kerspel Diever heeft gehoord. Ik heb niet kunnen ontdekken, waarop deze mening gegrond is en ben geneigd aan een onwillekeurige vergissing bij die schrijver te denken. Volgens die mening zou Dwingelo, dat toen reeds een afzonderlijk kerspil vormde, behalve aan den kant van Ruinen geheel door ’t kerspel Diever zijn ingesloten geweest, terwijl Lheebroek, dat steeds een deel van Dwingelo heeft uitgemaakt, een enclave zou hebben gevormd. Een en ander komt mij zeer onwaarschijnlijk voor en ook bij overlevering is van een vereniging van Lhee met het kerspel Diever niets bekend.

De enige malen uitgesproken mening, dat Wapserveen nog geruime tijd, althans nog in de 15de eeuw, onder Diever heeft behoord, zal wel op een dwaling berusten. Volgens Romein (voetnoot 4) en waarschijnlijk in navolging daarvan de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1902, bladzijde 73, zou het in 1461 kerkelijk van Diever zijn afgescheiden, terwijl op laatstgenoemde plaats nog vermeld wordt, dat er toen eveneens een schulte werd aangesteld en de schrijver blijkens de bewoordingen wil te kennen geven, dat Wapserveen voor ‘t eerst sedert dat jaar zowel in ’t burgerlijke als in ’t kerkelijke een afzonderlijk kerspel uitmaakte, in overeenstemming met de stelling onder andere bij Magnin (voetnoot 4). Dat dit niet het geval geweest is, mag blijken uit een open brief van het jaar 1285 (voetnoot 4), waarin van de kerk aldaar reeds als van een parochiekerk wordt melding gemaakt, alsook uit de lijst der kerspelen van 1435, waarop Wapserveen eveneens reeds als zodanig voorkomt.

Wel is het aan te nemen, dat Wapserveen in vroegere tijd met Diever en de omgelegen buurtschappen een kerspil vormde. Niet alleen de naam, in verband met die van de buurtschap Wapse onder Diever, maakt dit zeer waarschijnlijk, doch ook de omstandigheid, dat Wapserveen, sedert het een afzonderlijk kerspel werd, meest met Diever tot een schultambt verenigd was. Tot dusver heeft men alleen in de jaren 1461, 1469 en 1480 (voetnoot 4) afzonderlijke schulte van Wapserveen aangetroffen; overigens was de schulte van Diever tevens schulte van Wapserveen, althans van 1595 tot 14 april 1795, toen laatstgenoemd kerspel bij besluit van de Representanten van het volk van Drenthe in ’t burgerlijke bij Havelte werd gevoegd.

Een eigenaardige illustratie van de verhouding tussen de kerspelen Diever en Wapserveen (misschien wel een uitvloeisel van de vroegere afscheiding), leverde de sinds onheugelijke tijden bestaande gewoonte, dat de schulte van Diever van elk erf te Wapserveen een voer turf genoot, waartegenover de schulte om het andere jaar twee tonnen bier placht te geven.

Bij een contract van 17 juni 1768 (voetnoot 6) werd tussen de schulte L. Nysingh en de carspellieden van Wapserveen tot onderling gemak en gerief overeengekomen, dat de carspellieden, zolang de heer Nysingh schulte zou zijn, in plaats van turf voor elk voer zouden betalen 14 stuivers, terwijl de schulte vrij zou zijn van het geven van bier. Er waren toen te Wapserveen 59 of 60 erven.

Behalve Wapserveen, schijnt ook Vledder enige tijd met het kerspel Diever in het burgerlijke te zijn verenigd geweest. Met zou dit kunnen opmaken uit een ordel van de Etstoel, in 1454 te Rolde gewezen, aldus aanvangende: “Soe iss gewiset tusschen den Drost unde den Kasspil van Deueren unde Vledderen…”. Deze vereniging is dan echter slechts zeer tijdelijk geweest, want op de lijst van 1435 komt Vledder als een afzonderlijk kerspel voor, in 1595 weer, terwijl het korte tijd daarna dezelfde schulte had als Havelte. Wellicht dat dus een enkele schulte van Diever tevens schulte van Vledder was, evenals later Hendrik van Barneveld, bijgenaamd Magere Hein, sedert 1530 tegelijkertijd schulte was van Meppel en Diever en Arent Dannenberg in 1737 en 1738 tegelijkertijd van Diever en Hoogersmilde.

In de loop der jaren is de grens van het kerspel Diever, zoals die hierboven is aangegeven als te zijn geweest in het begin van de 15de eeuw, meermalen gewijzigd door de afscheiding van enkele buurtschappen. Deze afscheiding betrof nu eens het wereldlijk, dan weder het kerkelijk gebied, doch nimmer het een en ander tegelijk.

De eerste afscheiding had plaats in 1633 en betrof de uitgestrekte hoge venen in het Noorden en Noord-Oosten van het kerspel onder de marken Diever en Leggeloo, tot de vervening waarvan in 1612 octrooi was verleend. In 1625 waren de meeste gronden reeds van veen ontbloot en ontgonnen, terwijl zich daar inmiddels een kolonie gevormd had, de Hoogersmilde genoemd. Bij een acte van 19 februari 1633 werden door Ridderschap en Eigenerfden ten behoeve van Adriaan Pauw, Ridder, Heer van Heemstede, Raadpensionaris van Holland en Westfriesland, deze venen, genaamd de Dieverder en Leggelder Smilder venen ‘beginnende t’eydens de Crommevoerder veenen (voetnoot 7), streckende opwaerts aen tot aen Hycker- ende andere Marcken ende tot aen de Vriesche Custen respective’ tot een Heerlijkheid verheven onder de naam van ‘de Heerlickheyt van Hooger-Smilde’. Dientengevolge kreeg Hoogersmilde een eigen schulte; een enkele maal was de schulte van Diever tevens schulte van de Heerlijkheid (voetnoot 8).

Kerkelijk bleef ze onder Diever ressorteren en ook de armenzorg, destijds uitsluitend een zaak van de diaconie, bleef aanvankelijk op de oude voet bestendigd. Op de duur gaf dit laatste echter aanleiding tot bezwaren en onenigheden, welke bij de Ridderschap en Eigenerfden werden aanhangig gemaakt. Een notitie in een oud kerkelijk register (voetnoot 6) leert ons de uitslag. Op 22 maart 1711 werd namelijk de kerk te Diever afgekondigd, dat ingevolge sententie van Ridderschap en Eigenerfden, op de laatstgehouden landdag genomen, de diakenen van het kerspil Diever ‘van alle gemeynschap met de Smildinger armen of armcassa ten enemaal aftreden en niet voornemens sijn eenich support an deselve te verlienen. Noch oock van haar armpenningen te profiteeren en dat diensvolgens de Smildinger haar armgeld en almosen separaat sullen konnen manieren, distribueren end imployeren so als sullen goedvinden’. Doch hiermee was het geschil niet uit de weg geruimd, want daarna vinden wij de zaak voor de Etstoel gebracht. Bij een uitspraak van 6 juni 1714 (voetnoot 9) van Gecommitteerden namens de Etstoel werd, na verhoor van diakenen en volmachten van Diever en Smilde, een minnelijke overeenkomst tot stand gebracht, in hoofdzaak hierop neerkomende, dat het armoortjesgeld (voetnoot 10) van de verpachtingen en de opbrengst van de bussen, in de herbergen hangende, door elke diaconie op haar eigen gebied zou worden genoten; evenzo hetgeen in het bekken op het kerkhof te Diever gegeven werd bij de begrafenissen van doden uit het kerspil Diever en uit Smilde. Daarentegen zou de opbrengst  der collecten in de kerk te Diever voor 9/10 aan Diever, voor het overige 1/10 gedeelte aan de Smilder diaconie komen en zouden in dezelfde verhouding de rente en huur van de armengoederen verdeeld worden, uitgezonderd de goederen, welke reeds voor de stichting van Hoogersmilde aanwezig waren en waarvan de opbrengst geheel aan de diaconie van Diever verbleef.

Zoals gezegd , bleef Hoogersmilde kerkelijk onder Diever behoren en het is vrij nauwkeurig na te gaan, hoever zich destijds het gebied van de kerk te Diever noordelijk uitstrekte. Deze grens moet worden aangenomen ongeveer ter plaatse, waar zich tegenwoordig de Leembrug over de Drentse Hoofdvaart bevindt. In de oude doopboeken immers ziet men, dat herhaaldelijk personen van den- achter den- of tegenover de Wolvenberg (gelegen in de nabijheid van de vervening van het Oranjekanaal met de Drentse Hoofdvaart) hun kinderen in de kerk te Diever lieten dopen.

Een grote verandering bracht de vereniging van het Koninkrijk Holland met het Franse Keizerrijk, bij Keizerlijk decreet van 9 juli 1810 en de daarop gevolge verdeling in departementen, arrondissementen, kantons en gemeenten, definitief omschreven bij decreet van 21 oktober 1811, ten opzichte van Diever teweeg.

Werd bij deze verdeling Vledder met Diever tot een commune verenigd, de welvarende buurtschappen Eemster en Leggeloo werden van Diever afgescheiden en in het burgerlijke bij Dwingelo gevoegd. Bij deze afscheiding wens ik enigszins uitvoeriger stil te staan, omdat ze – en vooral de daaruit gevolgde kerkelijke afscheiding – op hevig verzet van de zijde van de belanghebbenden stuitte en vooral ook omdat, zonderling genoeg, noch Magnin in zijn overigens zo volledig ‘Overzicht van de Kerkelijke Geschiedenis van Drenthe’, noch Romein in ‘de Hervormde Predikanten van Drenthe’ hiervan met een enkel woord gewag maken.

De beweegreden voor deze afscheiding schijnt minder te moeten worden gezocht in de wens om de ingezetenen van deze buurtschappen welgevallig te zijn, dan wel om het zielental van Dwingelo tot een behoorlijk cijfer op te voeren; van een andere overweging is mij althans niet gebleken. In Diever schreef men de afscheiding toe aan kuiperijen van de zijde van Dwingelo, gegrond als men ze noemde op willekeurigheid, misverstand, overijling of persoonlijke berekeningen. In elk geval is het duidelijk, dat daarbij geen rekening is gehouden met de wensen van de bevolking van de beide buurtschappen, die op ondubbelzinnige wijze blijk gaf van haar tegenzin tegen deze verandering.

In Dwingelo daarentegen heeft men zich gemakkelijker bij het geval neergelegd en haastte men zich de nieuwe gemeentenaren ook de voorrechten van een kerkelijke vereniging te doen deelachtig worden. Reeds in november 1811 richtte de maire van Dwingelo een verzoek tot de prefect van het departement van de Wester-Eems, om de beide buurtschappen thans ook in de geestelijke onder Dwingelo te doen ressorteren. Dit verzoek werd in dier voege toegestaan, dat bij besluit van de perfect van 16 december daar aan volgende, no. 15, werd verklaard, dat met ingang van 1 januari 1812 Eemster en Leggelo ten aanzien van het kerkelijk zouden gehouden worden tot de mairie van Dwingelo te behoren ‘tenzij daartegen gegronde inconvenienten mogten militeeren, dewelke existerende, door den onderprefekt opgegeven en ter kennisse van den prefekt moeten gebragt worden.’

Niettegenstaande de laatste zinsnede van deze beschikking, die door de onderprefect in het arrondissement Assen ook aan de maire van Diever werd gezonden en die als ’t ware een uitnodiging was aan belanghebbenden om met hun bezwaren voor de dag te komen, bleef men van die zijde aanvankelijk stilzitten. De maire van Dwingelo schijnt daaruit niet zonder reden te hebben afgeleid, dat er geen ‘inconvenienten’ aanwezig waren, waarom hij de vrijheid nam om op de 7 mei 1812 in de kerk te doen afkondigen, dat sedert 1 januari van dat jaar Eemster en Leggelo kerkelijk met Dwingelo verenigd waren.

Deze mededeling was wel in staat, de belanghebbenden op onzachte wijze uit de slaap te wekken. Reeds de 16 mei daarop volgende werd een adres, door een aanzienlijk getal inwoners van Eemster en Leggelo en leden van het Hervormde kerkgenootschap te Diever ondertekend, ingezonden, waarbij zij te kennen gaven ‘niets hartelijker te verlangen dan met de gemeente Diever op de oude voet verknocht te blijven en wel op grond van een door de tijd diep ingewortelde en door niets te wraken gehechtheid aan een gemeente, in welke kring hun voorvaderen sedert onheugelijke jaren en zijzelf de zegeningen van de godsdienst genoten hebben, alsmede op grond van de nadelen, die door de voorgenoemde afscheidingen bedreigen’.

Nu ook achtte de maire van Diever de tijd gekomen om te voldoen aan de aanschrijving van de onderprefect te Assen van 23 december van het vorige jaar, om ten spoedigste te rapporteren ten aanzien van de inconvenienten, die bij hem tegen het besluit van de prefect mochten aanwezig zijn. En nu worden wij bekend gemaakt met tal van bezwaren, sommige wel wat al te breed uitgemeten, andere daarentegen volstrekt niet denkbeeldig, uit welke opsomming blijkt, dat men het ook destijds reeds een goede gewoonte achtte, de meest afdoende argumenten tot het laatst te bewaren.

In de eerste plaats dan zouden de ingezetenen van Diever voor de afscheiding in de onmogelijkheid worden gebracht, hun kerkgebouw en aanhoren naar eis te onderhouden. Deze kerk zou veel te groot worden en die van Dwingelo te klein voor de vermeerderde bevolking. Verder hadden de bewoners van Eemster en Leggelo te Diever in de nabijheid van de kerk sedert jaren bij hun oude vrienden en bloedverwanten, met wie zij – zowel als deze met hen – de broederlijke gemeenschap wensten te onderhouden, een zogenaamde ‘vrije intrek’, waar zij bij slecht weer, te vroege aankomst en tot verblijf tussen de kerkdiensten kosteloos vertoefden en verfrissing vonden, hetgeen zij te Dwingelo misten en zich dus tegen betaling moesten verschaffen. Te Diever hadden zij merendeels in de kerk hun vaste zitplaatsen en eigen voorouderlijke graven; hier waren zij gedoopt en in de echt verbonden, hier stonden ook hun familie van de oudste tijden er in de kerkelijke registers opgetekend en hadden zij van hun jeugd af het godsdienstonderwijs genoten, zodat een onlaakbare vooringenomenheid en van hun kindsheid af aan de plaats, medelidmaten en leraar verbond. Bovendien viel hun de uitoefening van de eredienst te Diever gemakkelijker, terwijl de weg daarheen korter en te allen tijde te voet en per rijtuig begaanbaar was, terwijl die naar Dwingelo, vooral in de winter wanneer de Oude stroom buiten zijn oevers was getreden, veelal onbruikbaar was, bepaaldelijk voor voetgangers. Het slotargument, dat naar de mening van adressanten moest beslissen, was, dat zij voor hun aandeel wettige eigenaars waren van de kerk en pastorie te Diever van welke eigendom zij door de afscheiding verstoken zouden worden, terwijl hun aandeel in de lasten voor rekening van de Dieverse leden zou komen.

De zaak schijnt daarna geruime tijd hangende te zijn gebleven, waarschijnlijk een gevolg van de algemene toestand van het land, welke in het volgende jaar tot de val van het Franse Keizerrijk en de herstelling van onze onafhankelijkheid leidde. Wel opmerkelijk is het, dat juist tussen januari 1812 en juli 1813 geen enkel kind uit Eemster of Leggelo te Diever is gedoopt, later wel weer.

Uit een in mijn bezit gekomen ontwerpadres van ingezeten uit Eemster en Leggelo blijkt, dat men nu de tijd gekomen achtte om opnieuw, ditmaal bij de Staten van de Landschap Drenthe, aan te dringen op een hereniging met Diever, waartoe de op handen zijnde reorganisatie van het inwendig bestuur een ongezochte gelegenheid aanbood. Dit verzoek betrof zowel de burgerlijke als de kerkelijke indeling, zodat wij, behalve de reeds vroeger gebezigde argumenten, daarin ook de bezwaren tegen de politieke afscheiding aantreffen.

Vooropstellende, dat van de oudste tijden er de Oude stroom de natuurlijke grens was geweest tussen de kerspelen Diever en Dwingelo, betoogde men, dat door de afscheiding de evenredigheid tussen bouwland, heide en zandgrond met hooi- en weilanden in eenmaal verbroken werd, daar bijna al het groenland van de gemeente onder de afgescheiden buurtschappen gelegen was. Dientengevolge zou de gemeente niet bestand zijn tegen de aanmerkelijke quota’s en aanslagen, inzonderheid van de grondbelasting, welke over de zo weinig opleverende overgebleven gronden moest worden verdeeld. Talloze onenigheden zouden hieruit voortvloeien, daar de grondeigendommen wederzijds zodanig door elkander waren gelegen, dat dit alleen reeds de afscheiding als geheel absurd en als zonder kennis van zaken tot stand gebracht moest doen voorkomen. Ook had door de afscheiding het traktement van de schoolmeester te Diever een aanmerkelijke vermindering ondergaan, terwijl deze functionaris toch mede door adressanten was beroepen, welke verbintenis zij voor hun aandeel thans verhinderd waren na te komen (voetnoot 11). Ten slotte gaven zij hun vast voornemen te kennen, niettegenstaande alle politie betrekkingen, bij voortduring van het kerkgebouw te Diever gebruik te zullen maken en tot het onderhoud van kerk en eredienst aldaar te blijven bijdragen, wat toch wel niemand hun zou kunnen beletten. Ook hun liefdegaven ten bate van de diaconie zouden zij te Diever blijven besteden.

Deze poging heeft evenmin het gewenst gevolg gehad. In het burgerlijke bleven Eemster en Leggelo met Dwingelo verenigd, terwijl Diever en Vledder afzonderlijke gemeenten werden.

Op 15 juli 1817 heeft de commissaris-generaal, provisioneel belast met de zaken van de Nederlands Hervormde kerk enzovoort, Eemster en Leggelo kerkelijk van Diever afgescheiden en met Dwingelo verenigd. Bij Koninklijk Besluit van 12 september 1823, no. 103, werd die afscheiding definitief tot stand gebracht.

De bedreiging, dat de ingezetenen van de buurtschappen niettegenstaande de burgerlijke afscheiding toch te Diever de bevrediging van hun godsdienstige behoeften zouden blijven zoeken, is niet lang volgehouden. Werden in de eerste jaren na 1823 hun kinderen nog op de oude voet te Diever gedoopt, spoedig verminderde dit, om in 1830 geheel op te houden. Reeds sedert 1814 waren uit Leggelo, sedert 1816 uit Eemster geen nieuwe lidmaten meer te Diever aangenomen. Enkele families daarentegen bleven nog een 30-tal jaren te Diever naar de kerk gaan.

Nog tweemaal moest de kerk te Diever een deel van haar gebied afstaan.
De eerste maal was dit een gevolg van de kolonisatie der buurtschappen Wateren door de Maatschappij van Weldadigheid, die daar een opvoedingsgesticht vestigde. Bij beschikking van de Minister voor de zaken van de Hervormde eredienst enzovoort van 17 april 1834, no. 3, werden de godsdienstige belangen der Protestantse kwekelingen van het opvoedingsgesticht te Wateren en van de Protestantse bewoners van de te Groot-Wateren gelegen woningen aanbevolen aan de predikant te Vledder. Nadat in 1860, dus een jaar nadat de bedelaarsgestichten te Ommerschans en Veenhuizen door het Rijk van de Maatschappij van Weldadigheid waren overgenomen, alle bezittingen van de Maatschappij te Wateren, de kweekschool daaronder begrepen, in openbare veiling waren verkocht en in handen aan bijzondere personen overgegaan, werd bij besluit van dezelfde Minister van 7 maart 1862, no. 8, op een adres van het Classicaal bestuur van Meppel vorenbedoelde beschikking van 1834 ingetrokken, zodat sedert dat jaar geheel Wateren weer kerkelijk onder Diever behoort.
De laatste afscheiding betrof de voormalige Heerlijkheid Hoogersmilde, in 1633 reeds in het burgerlijke van Diever gescheiden. Met het oog op de verre afstand ligt het voor de hand, dat het voor de bewoners op de duur een groot ongerief was, hun godsdienstplichten te Diever blijven te vervullen. Een deel van hen bezocht dan ook reeds sedert jaren de op 17 februari 1788 ingewijde nieuwe kerk te Kloosterveen. Op verzoek van de Hervormde ingezetenen van Hoogersmilde werd hun bij Koninklijk Besluit van 23 maart 1844, no. 70, toegezegd, dat zij van Diever zouden worden afgescheiden en een afzonderlijke kerkelijke gemeente uitmaken, indien zonder bezwaar van ’s lands kas aldaar een geschikt kerkgebouw met predikantswoning werd gebouwd. De kerk te Diever zou alle kerkelijke bezittingen behouden, de ingezetenen van Hoogersmilde zouden daarentegen worden vrijgesteld van de kerkelijke omslag te Diever, in te gaan op 1 januari na het jaar waarin de nieuwe kerk zou zijn ingewijd. Deze inwijding had plaats op 26 december 1844, zodat op 1 januari 1845 ook deze afscheiding haar beslag kreeg.

Volledigheidshalve werd nog vermeld, dat te Wateren, waar voor de afscheiding van de Maatschappij van Weldadigheid door de Rooms Katholieke bewoners gebruik werd gemaakt van de Rooms Katholieke kerk te Frederiksoord. (rectoraat onder de parochie Steenwijkerwold), zich vooral sedert het jaar 1880 meer Rooms Katholieke gezinnen vestigden, zodat zich langzamerhand de behoefte aan een eigen kerk deed gevoelen. In 1883, toen het getal van de gezinnen 9 bedroeg met 50 gezinsleden, richtte de Vikaris Kapitulair van het Aartsbisdom Utrecht tot de Minister van Financiën het verzoek om ten behoeve van de pastoor een te Wateren op te richten parochie een rijksjaarwedde, benevens een subsidie voor de bouw van een kerk, toe te kennen. Niettegenstaande dit verzoek, met het oog op de weinig talrijke nederzetting, werd afgewezen, werd bij beschikking van de Aartsbisschop van Utrecht van 3 september 1884 met ingang van 18 september daaropvolgende te Wateren een kerkelijke parochie opgericht onder de bescherming van de H. Andreas.

Voetnoten:
1)
Van de vroegste tijden af, dat deze naam in oude stukken voorkomt, werd de bevolking van dit gehucht steeds aangeduid als wonende “op het Moer”.
2)
Deze oorkonden zijn te vinden in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe onder de nrs. 39, 48, 199, 19, 726, 44 en 49.
3)
Deze jaartallen zijn geput uit de oude kerkelijke doopboeken, aanwezig op het gemeentearchief te Diever, beginnende op het jaar 1676.
4)
Magnin. Overzicht der Kerkelijke Geschiedenis van Drenthe, bladzijde 141.
5)
De Hervormde Predikanten van Drenthe.
6)
In het gemeentearchief van Diever.
7)
In de nabijheid van de Geeuwenbrug.
8)
Zie de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1902, bladzijde 197.
9)
Kopie in het “Protocol aangaande de administratie der armen wegens de Hooger Smilde”, in het gemeentearchief te Smilde.
10)
Een vierde gedeelte, namelijk een oortje (2 duiten of 4 penningen) van elke stuiver, welke van elke gulden op de pachtsommen der Generale Middelen ten laste van de pachters werd geheven.
11)
Dat Eemster en Leggeloo inderdaad het welvarendste deel van het kerspil Diever hebben uitgemaakt, mag blijken uit de volgende lijst van zuivere bezittingen (daaronder begrepen de gekapitaliseerde waarde van revenuen van ambten, bedieningen en beneficiën) van de ingezeten, welke tot een bedrag van minstens 100 gulden gegoed waren. Deze lijst strekte ten behoeve der heffing van den 100sten penning, ingevolge resolutie van de representanten van het Drentse volk van 11 oktober 1796.
Diever                 83 huizen     201515,– gulden
Oldendiever        19 huizen       38525,– gulden
Kalteren                3 huizen           400,– gulden
Wateren                6 huizen         5400,– gulden
Wittelte               12 huizen       32050,– gulden
’t Moer                  4 huizen         1450,– gulden
Wapse                36 huizen       61990,– gulden
Leggeloo            22 huizen       79550,– gulden
Eemster              25 huizen       57635,– gulden

Posted in 't Moer, Diever, Kalteren, Kerk op de brink, Kerspel Diever, Oldendiever, Wapse, Wateren, Wittelte | Leave a comment

Wel en wee paardenfonds Diever van 1905 tot 1965

Een van de resultaten van een aantal bezoeken van de redactie van het Deevers Archief in de periode 2000-2008 aan wijlen Anne Mulder (uut de Aachterstroate in Deever), eerst in zijn woonplaats Gasselte, later in Assen, is het boven water komen van zijn navolgende uit 1965 daterend verslag over het 60-jarig bestaan van het ‘onderlinge paardenfonds’ van Diever (Wapse had een eigen vee- en paardenfonds). Het onderlinge paardenfonds van Deever hield stand tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw, totdat ‘de trekker’ het werkpaard in de landbouw had verdrongen. 

Wel en wee van het paardenfonds Diever van 1905 tot 1965
In een vergadering van het onderlinge veefonds te Diever werd op initiatief van Hendrik Krol en Jan Hilberts besloten dat het bestuur van dit fonds een vergadering zou doen beleggen op 27 februari 1905 ten huize van Roelof Seinen om tot oprichting van een onderling paardenfonds te geraken. De heren Hendrik Krol, Roelof van Wester, Hendrik Warries en Lucas Benning boden aan om ieder in hun omgeving de paardenhouders met genoemde vergadering in kennis te stellen en tot toetreding als lid te verzoeken.
Velen hadden aan de oproep gehoor gegeven. Alleen uit Wittelte was Lucas Benning de enige belangstellende. Op een vraag van Hendrik Offerein of de aanwezige 29 personen (houders van 43 paarden) genegen waren tot het oprichting, antwoordden allen toestemmend, zodat het fonds was geboren. Aan de hand van reglementen van naburige fondsen werd een reglement samengesteld, passend voor Diever.
Als bestuurslid werden gekozen: Lucas Benning, Hendrik Offerein, Jan Mulder Wzn., Roelof van Wester, Barteld de Ruiter en Jan Hilberts. Bij onderling overleg trok Barteld de Ruiter zich terug, zodat Jan Hilberts, die evenveel stemmen had verkregen, gekozen was. Tot schatter werden gekozen Hendrik Warries, Jan Seinen en Hendrik Krol. Bij deze verkiezingen werd buiten het voorlopig reglement om, diegene verkozen verklaard, die de meeste stemmen had verkregen.
In een vergadering op 3 maart 1905 werd het reglement nog eens bekeken en bijgewerkt. Enkele interessante artikelen hieruit zijn de volgende:
Artikel 1.
Deelnemers der vereniging kunnen worden zij, die woonachtig zijn in de gemeente Diever.
Artikel 2.
Het fonds verzekert de paardenhouders onderling tegen alle verliezen en ernstige ongevallen van paarden, behalve tegen brand en hemelvuur. Iedere deelnemer is verplicht al zijn paarden te verzekeren, ten minste één jaar oud zijnde.
Artikel 3.
De paarden, welke ter verzekering worden aangenomen, moeten bij inschrijving een waarde hebben van minstens f. 75,– en mogen niet hoger geschat worden dan f. 300,–.
Artikel 4.
Paarden van scheepsjagers en schuitvervoerders zijn van de verzekering uitgesloten.
Artikel 8.
Bij de hertaxatie in mei en november wordt van elk ingeschreven paard 5 cent aan de schatters betaald.
Artikel 9.
Opgenomen paarden moeten zijn voorzien van een brandmerk op de linker voorhoef.
Artikel 13.
De omslag bedraagt 1% van de verzekerde waarde voor gewone paarden en 1½%  voor veulenmerries, venters- en melkrijderspaarden.
Artikel 14.
Het verlies van verzekerde paarden wordt met 70% vergoed.
Het fonds treedt in werking op 1 april 1905
Na Hendrik Offerein zijn voorzitter geweest Klaas van de Berg, vanaf 1921; Jans Bult vanaf 1928, Geert Kok vanaf 1946 en Hendrik Mulder Jzn. vanaf 1957.
Jan Mulder Wzn. werd in 1941 opgevolgd door Roelof Bisschop als secretaris-penningmeester. Na een jaar vertrok deze en droeg kas en boeken over aan Lambertus Vos, die in 1957 plaats maakte voor Cornelis Klok.
Bestuursleden zijn in 1965 verder Arnold Goettsch, sedert 1930, dus al 35 jaar; Gerrit Vrielink, sedert 1950; A… Barelds, sedert 1944; J… H… H… Bult, sedert 1962; en E… Benthem, sedert 1964.
Schatter zijn Jacobus Kruid, sedert 1949; Hendrik van Wester, sedert 1950 en Jans de Ruiter, sedert 1963.
Er werd steeds in de beste harmonie samengewerkt, maar het is toch gebleken, dat ook bestuursleden wel eens kunnen steigeren. Zo legde Jan Mulder Wzn. in 1920 de functie van secretaris-penningmeester neer wegens een meningsverschil met het bestuur. Na langdurig gehaspel nam betrokkene deze functie weer aan onder beding dat voortaan enkel kreupele paarden, die geen stappend werk meer kunnen verrichten, zullen worden opgenomen door het fonds. Bovendien werd Jan Mulder Wzn. een beloning van f. 50,– per jaar toegekend.
Ook het jaar 1936 vermeldt strubbelingen in het bestuur. De bestuursleden J… H… H… Bult en Geert Kok stellen de portefeuillekwestie, maar na enig geharrewar tussen bestuursleden wordt de zaak bijgelegd en accepteren betrokkenen een herbenoeming als bestuurslid.
In 1906 probeerde G… H… Klaassen het een wijziging van het reglement gedaan te krijgen in zoverre, dat paarden van schuitenvoerders en scheepsjagers niet langer van verzekering zouden zijn uitgesloten. Men voelde daar evenwel niet voor. Het moest nog tot 1915 duren eer deze paarden wel konden worden opgenomen. In 1917 werd de premie voor veulenmerries, venterspaarden en paarden van melkrijders en scheepsjagers gelijk gesteld aan die van zogenaamde gewone paarden.
Ook al in 1906 werd overwogen de maximum-verzekerde waarde met f. 100,– te verhogen, maar het bleef bij f. 300,–. In 1909 -men sprak toen van een dure tijd- gebeurde dit wel, zodat toen hooguit f. 400,– voor een paard kon worden betaald. In 1915 werd dit bedrag verhoogd tot f. 500,– en in 1916 werd de maximum-waarde onbeperkt gelaten.
In 1913 konden ook paardenhouders uit Wateren en Zorgvlied lid worden. Met de paarden moest men voor schatting naar Diever komen.
In 1917 werd het eerste bestuurslid te Wateren benoemd, namelijk W… Barelds. Er waren toen daar al 15 leden en er was een mogelijkheid van uitbreiding.
Om door het fonds overgenomen paarden te kunnen uitbetalen, moest de bode rond bij de leden. Vele jaren fungeerde als zodanig Geert Dekker. Er wordt gesproken van een beloning van f. 5,–. Per ronde staat er niet bij. Herhaaldelijk werd op jaarvergaderingen aangedrongen om het bodelopen uit te besteden, maar het bestuur beriep zich er steeds op, dat het reglement aangaf, dat het bodelopen een bestuurszaak is. Voor verandering werd niet gevoeld, omdat men een zeer goede bode had. Echter in 1932 werd Geert de Leeuw als bode benoemd, in 1934 Willem Punt, die f. 2,80 per ronde ontving. in de loop van de volgende jaren zie we de volgende namen en bedragen per ronde: Geert de Leeuw, f. 23,74; Roelof Pouwels, f, 2,80; L… Oost, f. 2,54½; Bertus Moes, f. 2,95; Willem Punt, f. 3,75; Bertus Moes, f. 5,95 voor 3 jaar; Willem Punt, f. 7,50; en Jan Gerrits sedert 1957. In 1962 wordt een bodeloon van f. 30,– genoemd,
Dat men de belangen rond het paard in het algemeen steeds goed in het oog hield moge blijken uit het feit dat in 1908 de mededeling van Jan Mulder Wzn. op de jaarvergadering, houdende het stationeren van een dekhengst bij Hendrik Krol met ingenomenheid wordt begroet. En verder dat in 1928 en 1933 voor de tentoonstelling van kieskring I van het Drentsch Landbouw Genootschap, die te Diever wordt gehouden, een medaille beschikbaar wordt gesteld voor de rubriek jonge paarden.
Gering bezoek aan vergaderingen is niet van de laatste tijd, want in 1920 wordt besloten een kistje sigaren te verloten onder de leden, die vóór 7 uur ter vergadering aanwezig zijn, dit om het bezoek aan de vergaderingen te doen toenemen. Het heeft succes, want in 1921 zijn er 40 leden komen opdagen. /ingaande 1928 is niet 1 lid met dit kistje gaan strijken, maar is de inhoud van het kistje onder de ter vergadering aanwezige leden verdeeld, zodat een ieder het zijne had.
Niet het kistje sigaren, maar wel een sigarenkistje kwam aan de orde op de jaarvergadering in 1947. De kascommissie had geconstateerd dat een dergelijk kistje dienst deed als geldkist. Men vond dat niet deugdelijk genoeg. Een oproep onder de leden om een ongebruikte brandkast werd in overweging genomen.
De schatters deden altijd goed hun best, maar in 1937 achten sommigen het nodig de schatters er op te wijzen goede controle te houden op dampigheid en ooggebreken. De raadgeving werd door de schatters voor kennisgeving aangenomen.
Het paard had en heeft de liefde van bestuur, schatters en leden.
In 1953 werd dan ook gewezen op de ergerlijke gewoonte om werkpaarden tot laat in het najaar bij slecht weer buiten te laten lopen. Besloten werd per advertentie betrokkenen te waarschuwen dat schade hierdoor ontstaan niet vergoed zal worden.
In 1948 werd besloten afgekeurde paarden over een heel jaar ineens bij inschrijving te verkopen.
In 1954 werd erover geklaagd dat alle paarden naar het abattoir gingen, waardoor de kooplui geen kans kregen. Dit zou een gevolg zijn van een actie van het Landbouwhuis in Assen, dat had aangeraden om zulks te doen, ten einde te voorkomen, dat een afgekeurd paard een schadepost voor een volgende eigenaar zou kunnen worden of dat een ander fonds ervoor zou kunnen opdraaien. Bij een stemming hierover werd weer tot een inschrijving besloten.
Van sommige dingen wilde het fonds beslist niet weten. Dat bewijst het tot drie maal toe afwijzen van een verzoek van een lid om paarden met hogere graad (stamboek- model- of stermerries) voor een hoger bedrag in het fonds op te nemen.
Aan herdenking van jubilea van het fonds is in het verleden weinig gedaan. Er is slechts vermeld, dat het 15-jarig bestaan niet onbetuigd werd gelaten. Over het 25-jarig bestaan is niets vermeld. Het 30-jarige jubileum werd gevierd met een extra rondje.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De redactie van het Deevers Archief was -toen zij nog trekker en duwer en onderzoeker en samensteller van het blad van de plaatselijke heemkundige vereniging uit Deever was- voortdurend bezig met het verzamelen van mogelijke interessante artikelen voor de lezers van het blad en met het interviewen van zoveel mogelijke oude Deeversen. Dat heeft geleid tot een grote verzameling nooit in het blad van genoemde heemkundige vereniging gepubliceerde artikelen.
Anne Mulder merkte bij het bespreken van het verslag op:
Ik heb dit verslag gemaakt op verzoek van de secretaris-penningmeester Cornelis Klok. Ik vroeg een vergoeding van f. 5,– voor het verslag. Hij schrok zich wild, maar ik kreeg het geld wel.
Verrassend is dat de dorpsfiguur Geert Dekker ook bode van het paardenfonds is geweest.
De Diever-kenners worden verzocht de voornamen van de in het verslag genoemde personen te controleren en mogelijke verbeteringen door te geven aan de redactie.
Wellicht is ergens een vooroorlogse ledenlijst van het paardenfonds bewaard gebleven. De redactie wil zo’n lijst uiteraard graag publiceren.
Reeds eerder was een poging gedaan een onderling paardenfonds in Diever op te richten maar dat mislukte. Zie het navolgende op 21 maart 1903 gepubliceerde zeer korte berichtje in het Nieuwsblad van Friesland. Maar wat waren de bezwaren ?

Abracadabra-458

Posted in Boer'nwaark, de Oude Willem, Diever, Landbouw, Wateren, Wittelte, Zorgvlied | Leave a comment

Telefoonnet Zorgvlied bijgewerkt tot 21 maart 1955

Vanwege de vele hedendaagse mogelijkheden om zich via een draad of draadloos met elkaar in verbinding te stellen is het wel aardig om te zien dat op 21 maart 1955 op Zorgvlied, op Woater’n en in de Olde Willem slechts enige huizen waren aangesloten op het openbare telefoonnet. Het kengetal van Zorgvlied, Woater’n en de Olde Willen was 05212.

De aangeslotenen waren:
Telefoon 1
Gerrit Hielkema, Textielhandel en luxe autoverhuur, Zorgvlied 29.
Telefoon 2
Meinte Jan Boersma, Landbouw- en veeteeltbedrijf, Wateren 3.
Telefoon 3
Thijs Oenema, Landbouw- en veeteeltbedrijf, Wateren 4.
Telefoon 4
J…. R…. Doornbos, Landbouwer, Wateren 39.
Telefoon 6
Rijkspolitie, Post Zorgvlied van de groep Diever, woonhuis postcommandant, Zorgvlied 24a.
Telefoon 7
Weduwe A. Bigot, Landbouwonderneming ‘Het Oude Willemsveld’, Hoeve De Goede Weide
Telefoon 8
I… Hunse, Brood- en banketbakker, kruidenier, Zorgvlied 37.
Telefoon 9
H…. Kooistra, Nederlands Hervormde Pastorie.
Telefoon 10
J… van der Leij, Klompenfabriek en loonzagerij, Zorgvlied 12.
Telefoon 13
Willem Zwiers, Rijwiel-, motoren- en bandenhandel, Zorgvlied 24b.
Telefoon 14
Hendrik Onstee, Hoofdonderwijzer, Wateren 16 a
Telefoon 15
Rooms Katholieke pastorie, Zorgvlied 9.
Telefoon 18
Franke Tjassing, Zorgvlied 13.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De lijst van aangeslotenen geeft een mooi beeld van de aanwezige en in opkomst zijnde ondernemers. Zo had bijvoorbeeld Jan Krans van Villa Nova in 1955 nog geen telefoon. In de zeer vele advertenties van Pension Villa Nova is pas op 15 april 1961 in de Leeuwarder Courant het telefoonnummer te lezen: 05212-467. Ergens tussen 1955 en 1961 is de telefoonmaatschappij overgegaan op driecijferige abonneenummers.

Telefoon 1
Gerrit Hielkema werd geboren op 25 april 1928 en overleed op 22 november 1987. Het ligt begraven op de kaarkhof bee’j de kapel van Obadja.
Telefoon 2
Meinte Jan Boersma werd geboren op 31 mei 1862 en overleed op 20 juli 1954 op Zorgvlied. Hij ligt begraven op de kaarkhof bee’j de kapel van Obadja. Hij was getrouwd met Marianne Terwisscha van Scheltinga.
Telefoon 7
Hoeve De Goede Weide is tegenwoordig Minikampeerterrein De Goede Weide in de Olde Willem, Oude Willemsweg 1, de Olde Willem, telefoon 0521-388494.
Telefoon 8
De redactie van het Deevers Archief probeert al lange tijd gegevens van bakker Hunse te achterhalen, wie kan helpen met informatie ? Bakker Hunse ventte in de zestiger jaren van de vorige eeuw ook met een Citroën bestelwagentje. Hij kwam ook wel in Diever te venten.
Telefoon 10
Zie de navolgende advertentie uit de krant De Heerenveensche koerier (onafhankelijk dagblad voor Midden-Zuid-Oost-Friesland en Noord-Overijssel) van 11 maart 1952, waarin het nummer van de telefoon en het bedrijf je van J. van der Leij wordt bevestigd. Het bedrijfje was gevestigd op de plaats van het voormalige ‘koetshuis’ van de villa Castra Vetera (was het pand in 1952 al vernieuwd ?).
Telefoon 13
Willem Zwiers vertrok later naar Meppel, waar hij een autobedrijf begon, dit bedrijf bestaat nog steeds.
Telefoon 18
Franke Tjassing was boer op de boerderij met de naam Castra Vetera, deze boerderij (nu woonboerderij) bestaat nog steeds.
Hij werd geboren op 30 augustus 1909 en overleed op 28 januari 1990 op Zorgvlied. Hij ligt begraven op de kaarkhof bee’j de kapel van Obadja.

  

Posted in Bedrijven, Communicatie, De aandere kaante van de bos, de Oude Willem, Neringdoenden, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Dorpsboerenleider benoemd leden dorpsboerenraad

In het Agrarisch Nieuwsblad (waarin opgenomen het orgaan Landbouw en Maatschappij) verscheen in de Tweede Wereldoorlog op 6 maart 1942 het navolgende merkwaardige bericht over de dorpsboerenraad.

Dorpsboerenraad.
Door den dorpsboerenleider, den heer J.B. Oostra te Wapse, werden tot leden van den dorpsboerenraad benoemd de heeren K. Snoeken en W. de Vries te Wapse, A. Muggen te Dieverbrug, E. Jongstra te Wateren en H. van Wester te Oldendiever.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
Op bladzijde 482 van het boek ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 6. Eerste helft. Juli 1942 – Mei 1943’ is in het hoofdstuk de ‘foute sector’ een en ander over te lezen over dorpsboerenleiders, dorpsboerenraden, buurtboerenraden.

Posted in An de Deeverbrogge, Diever, Oldendiever, Tweede Wereldoorlog, Wapse, Wateren | Leave a comment

Plaatsnaambord Woater’n in de gemiente Deever

De gemeente Westenveld is na een herindeling in 1998 ontstaan uit de gemienten Deever, Dwingel, Vledder en Oavelte. De degelijke gietijzeren naamborden die vroeger stonden aan het begin van een gehucht of dorp in de gemeente Deever werden bij het optuigen van de gemeente Westenveld ijverig door de ambtenaren van de nieuwe gemeente geruimd en vervangen door een eigentijdser model.
Eén naambord van Woater’n hoefde niet te worden geruimd, want dat was tijdig in veiligheid gebracht door de familie Krans (of door oudejaarsvereniging Tied Zat ??) en hangt nu in de bijgebouwen van Hotel-Restaurant Villa Nova op Zorgvlied te pronken in de ruimte vóór de toiletten. Dit bord heeft zeker waarde voor toekomstige generaties en mag niet verloren gaan.

Op 7 september 2017 reageerde Helena de Boer als volgt.
Dat is triest , dat bord hoort daar niet en dient te worden afgestaan en mogelijk herplaatst !

Abracadabra-436

Abracadabra-435

Posted in De aandere kaante van de bos, Gemeente Diever, Toevallige waarnemingen, Villa Nova, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Mevrouw Henriëtte Ottoline Clara Elisabeth de Ruijter de Wildt – geboren jonkvrouw Holmberg de Beckfelt verkoopt haar aanzienlijke inboedel van ‘het Kasteel’ op Zorgvlied

In de Leeuwarder Courant van 17 oktober 1871 verscheen het volgende bericht over de openbare verkoop van levende have en een aanzienlijke inboedel van het landgoed Zorgvlied. Het landhuis Zorgvlied staat afgebeeld op de bijgevoegde foto.

Openbare verkoop van levende have en een aanzienlijken inboedel
De Notarissen Mr. W.O. Servatius te Dwingelo, provincie Drenthe, en P.H.P. van Marle te Oldemarkt, provincie Overijssel, zullen op Dingsdag 24 en Woensdag 25 oktober eerstkomend, telkens des voormiddags ten 10 uur precies, ten verzoeke van de Erven wijlen den Heer J.F. de Ruijter de Wildt, op het Landgoed Zorgvlied, gemeente Diever, provincie Drenthe, publiek verkoopen:
Op 24 oktober:
20 stuks melkgevende en dragtige Koeijen, 12 stuks dragtige Pinkvaarzen en Pinken, 7 Kalven, 1 Stier, 235 Schapen, 8 Varkens; eenige Boerengereedschappen en Inboedel en hetgeen verder te voorschijn zal gebracht worden.
Ten verzoeke van den Weledelgeboren Heer G.F Enger te Arnhem: plusminus 35 stuks Hoornvee, waaronder dragtige, melkgevende en jongvee.
Op 25 oktober:
Den Inboedel van het Heerenhuis, voornamentlijk bestaande uit fraai uitgesneden mahonijhouten en andere meubels, als: Canapés, Fauteuils, Stoelen, Consoles, Eet-, Thee-, Speel-, Wasch- en Nachttafels, Spiegels, Schilderijen,  Kroonkandelaars, Pendules, mahonijhouten en andere Ledekanten met Matras, vederen Bedden en verder Beddegoed, Chineesch en Japansch lakwerk, waaronder Salontafel en Speeldoos, fraai wit Fransch Porcelein, Eetservies met gouden randen en bloemwerk, compleet voor 24 personen, Japansche Theekopjes en Schoteltjes, prachtig Kristalwerk, Goud- en Zilverwerken, waaronder Zilveren Presenteertrommels met Kristallen Bladen, Hernhutters en Kristallen Karaffen, met Zilver gemonteerd, Zilveren Eet-, Dessert-, Thee- en IJslepels, gewoon Porcelein Servies, Stook- en Keukengereedschappen, en wat verder tot een compleete Inboedel behoort, voorts Rijtuigen met eenige Tuigen en een Billard.
De goederen f. 3 en daar beneden geldende moeten dadelijk worden betaald.
De Inboedel te bezigtigen op Vrijdag 20 en Zaterdag 21 October eerst komende particulier tegen betaling van 25 centen, ten voordeele der armen, en op Maandag 23 October eerst komende voor een ieder van des voormiddags 10 tot des namiddags 4 uren.
Voor stalling van Paarden en het gebruik van Ververschingen zal op de verkoopdagen gelegenheid zijn.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
Op de hof van de kerk van Boijl (Buil) ligt landbouwondernemer Jacobus Franciscus de Ruijter de Wildt (geboren op 20 december 1800 te Nieuwer Amstel, overleden op 25 november 1870 op Wateren). Mevrouw de jonkvrouw Henriëtte Ottoline Clara Elisabeth de Ruijter de Wildt – van Holmberg de Beckfelt verhuisde na het overlijden van haar echtgenoot Jacobus Franciscus de Ruijter de Wildt van het Landgoed Zorgvlied naar Arnhem. Ze zal in Arnhem kleiner zijn gaan wonen, wellicht heeft ze slechts enige spullen uit Wateren meegenomen naar Arnhem, wellicht heeft ze haar nieuwe optrekje in Arnhem met nieuwe spullen ingericht, want een groot deel van de aanzienlijke inboedel of misschien wel de hele aanzienlijke inboedel van het landhuis Zorgvlied, ook wel ‘het Kasteel’ genoemd, werd pas een klein jaar na het overlijden van Jacobus Franciscus de Ruijter de Wildt openbaar verkocht. En dat in een tijd dat veel inwoners van de gemiente Deever nog in een plaggenhut woonden.

Posted in Castra Vetera, de Ruijter de Wildt, Landgoed Zorgvlied, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

The incredible dr. Pol is geboren op Woater’n

Op de televisiezender National Geographic is nog steeds de zo genoemde ‘reality show’ met de titel ‘The incredible dr. Pol’ te volgen. De hoofdpersoon in deze zo genoemde ‘reality show’ is dierenarts dr. Jan Harm Pol. The incredible dr. Pol was onlangs op bezoek in zijn geboortestreek Woater’n.

Jan Harm Pol werd geboren op Woater’n in de boerderij, toen met adres Wateren 40, het huidige adres is Wateren 20. Hij ging niet ‘hen de skoele op Woater’n’, maar ging volgens eigen zeggen met het ‘bussien’ naar de lagere school in Diever. Dat moet dan de lagere school van de gereformeerden zijn geweest.
De boerderij is te zien op de afgebeelde zwart-wit foto. Deze foto is gebruikt op een ansichtkaart die is uitgegeven in augustus 1955. Deze ansichtkaart heeft als titel ‘Kampeerboerderij ‘Pol’ Wateren Zorgvlied’. Blijkbaar verdienden de ouders van Jan Harm Pol in de zomer wat bij met het verhuren van hun lege koestal (in die tijd liepen de koeien ’s zomers nog in ’t laand) aan groepen. Zie ook de bijgevoegde advertentie die op 16 juni 1958 in de Leeuwarder Courant werd gepubliceerd.
Zijn ouders Harm Pol en Klaasje Schreuder liggen op Zorgvlied begraven. Harm Pol werd geboren op 21 augustus 1896 op de Smilde en overleed op 9 september 1964 in Donkerbroek. Klaasje Schreuder werd geboren op 5 oktober 1901 op de Smilde en overleed op 13 juni 1996 te Oosterwolde.
De webstee van de televisiezender van National Geographic vermeldt het volgende over the incredible dr. Pol:
Dr. Jan Pol werd op 4 september 1942 in Nederland geboren en groeide op in een familiemelkveebedrijf. Hij studeerde in 1970 af aan de Universiteit van Utrecht en beoefent de diergeneeskunde al langer dan 35 jaar. Na het huwelijk met zijn vrouw Diane in 1967 verhuisde het koppel naar Harbour Beach in Michigan, waar hij in dienst was van een andere dierenarts. In 1981 opende het echtpaar hun eigen praktijk aan huis. Dr. Pol behandelt paarden, varkens, koeien, schapen, alpaca’s, geiten, kippen en soms zelfs rendieren.
Het veterinaire bedrijf van Jan Harm Pol is gevestigd te 3959 West Jordan Road – Weidman – Michigan – United States of America.
In de webstee Youtube is een filmpje over het recente bezoek van Jan Harm Pol aan Wateren te zien.
De webstee Wikipedia vermeldt meer informatie (waaronder ook kritische) over de incredible dr. Pol. Zie ook de kritische informatie op de webstee Petadviser.
De webstee Mijnwoordenboek geeft twee betekenissen voor incredible: ongelofelijk en ongeloofwaardig.
De redactie van het Deevers Archief heeft de kleurenfoto van de tegenwoordige situatie gemaakt op 7 augustus 2015.

Abracadabra-285

Abracadabra-420Abracadabra-286

Posted in Ansichtkaarten, Recreatie, The incredible dr. Pol, Wateren | Leave a comment

Wateren – Gegevens in de webstee plaatsengids.nl

De webstee plaatsengids.nl beweert in de kop: Alles over Nederland op één site ! Da’s mooi, maar slaat nergens op.
Deze webstee bevat niet alle, maar wel enige wetenswaardige gegevens over Wateren.
In de gegevens wordt nergens verwezen naar bronnen.
In de webstee is ook niet te vinden wie de schrijver/toevoeger/bedenker van deze gegevens is.
Wel is in de webstee een aardige foto van een zekere heer Hans van Embden opgenomen.

Posted in Wateren, Websites | Leave a comment

De eerste kroeg an de aandere kaante van de bos

In de Nederlandsche Staatscourant Nummer 261 van zaterdag 3 november 1888 verscheen het volgende bericht over de verlening van een vergunning voor het uitoefenen van een kleinhandel in sterke drank, zeg maar voor het uitbaten van de eerste kroeg met een vergunning op Zorgvlied.

Plaatselijke besturen
Burgemeester en wethouders van Diever brengen naar aanleiding van artikel 8, alinea 2, der wet van 28 juni 1881 (Staatsblad nummer 97), zooals dat is luidende na de wijziging bij de wet van 16 april 1885 (Staatsblad nummer 78), ter kennis:
1°. dat zij, ingevolge machtiging van Gedeputeerde Staten van Drenthe, bij resolutie van 24 augustus 1888, nummer 13, aan Johannes Steenbergen, koffie- en bierhuishouder en winkelier te Wateren, vergunning hebben verleend tot het uitoefenen van den kleinhandel in sterken drank in het door hem bewoonde huis nummer 8a te Zorgvlied;
2°. dat heeren Gedeputeerde Staten hebben overwogen:
a. dat in Wateren en Zorgvlied, welke te zamen eene afzonderlijke buurtschap uitmaken en respectievelijk 1½ en 2 uur zijn verwijderd van de kom van het dorp Diever, op geen enkele plaats sterke drank in het klein wordt verkocht;
b. dat vooral Zorgvlied door verschillende omstandigheden druk wordt bezocht en het belang en het gemak der bezoekers het wenschelijk maken daar een lokaal aanwezig te doe zijn, waarin het tappersbedrijf wordt uitgeoefend.
Diever, 31 October 1888.
Burgemeester en Wethouders, voornoemd,
L.W. van Os, Burgemeester.
K. H. Smidt, Wethouder,

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
In de gemeente Deever waren ook illegale kroegen, kroegen zonder vergunning, zogenaamde stille kroegen,
Het verkrijgen van een vergunning voor het tappen van sterke drank was in die jaren toch wel een heel bureaucratisch en betuttelend gedoe, tot en met het publiceren van de verlening van de vergunning in de Nederlandsche Staatscourant.
De burgemeester – waarvan de volksmond zei dat hij ‘er niet in speejde’ – zal bij de verlening van de sterke-drank-vergunning aan Johannes Steenbergen vast en zeker niet in zijn overwegingen hebben meegenomen dat hij zelf op het jonge en groeiende Zorgvlied woonde. 
De redactie is met het publiceren van dit berichtje wel twee uitdagingen rijker geworden, want waar stond het pand van Johannes Steenbergen met adres Zorgvlied 8a en waar woonde burgemeester Leonard Willem van Os op Zorgvlied ?

Abracadabra-1270

Posted in Burgemeesterwoning, De aandere kaante van de bos, Gemeentebestuur, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

40 poalties langs de greinse mit Friesland

Het is vanuit historisch oogpunt van belang te weten waar de grens tussen de gemeente Diever en Friesland ligt. Gelukkig hoeft de redactie van het Deevers Archief niet zelf overal langs de nogal uit rechte stukken bestaande grens te banjeren om de grenspalen op te zoeken en op de foto te zetten, enig banjeren door de gegevens in webstees via het internet biedt al wat uitkomst.

In de webstee Varenius.nl op het internet is een en ander te lezen over de grensafbakening van Friesland met Drenthe en Overijssel in de 19de en 20ste eeuw.

De webstee frdrenthe.blogspot.nl biedt bijzonder interessante gegevens over de grenspalen tussen Drenthe en Friesland, waaronder veel grenspalen tussen de gemeente Diever en Friesland, na het aanklikken van de koppeling en het openen van het scherm wel even een flink eind naar beneden ‘scrollen’ (wie weet het juiste Nederlandse werkwoord ?).
In de webstee Panoramio.com zijn ook afbeeldingen en plaatsen te bekijken van grenspalen op de grens van de gemeente Diever en Friesland.

De grens tussen de gemeente Diever en de provincie Friesland is gemarkeerd door de volgende grenspalen:
Grenspaal 40:
De eerste paal staat waar de grens de Reeweg kruist.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 41:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 42:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 43:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 44:
Deze paal staats iets ten zuidwesten van grenspaal 45.
Zie het bericht met foto elders in het Deevers Archief.
Grenspaal 45:
Deze staat aan de zuidzijde van de Verwersdijk op Zorgvlied.
Zie het bericht met foto elders in het Deevers Archief.
Grenspaal 46:
Deze paal staat aan de noordzijde van de Verwersweg op Zorgvlied.
Grenspaal 47:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 48:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 49:
Deze paal staat aan de Monden op Zorgvlied, daar waar de grens de weg kruist.
Zie het bericht met foto elders in het Deevers Archief.
Grenspaal 50:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 51:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 52:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 53:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 54:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 55:
Deze paal staat aan de westzijde van de Appelschaseweg-Canada.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 56:
Deze paal staat aan de oostzijde van de Appelschaseweg-Canada.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 57:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 58:
Deze paal staat aan het aan het Aekingerpad nabij fietsknooppunt 82 te Elsloo.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 59:
Deze paal staat bij de Grenspoel
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 60:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 61:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 62:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 63:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 64:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 65:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 66:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 67:
Deze paal staat bij fietsknooppunt 61 op Wateren, in de Olde Willem.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 68:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 69:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 70:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 71:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 72:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 73:
Deze paal staat waar de grens de Oude Willemsweg kruist.
Zie het aparte bericht met foto elders in het Deevers Archief.
Grenspaal 74:
Deze paal staat aan bij de Tilgröppe, aan de noordwestkant ervan.
Zie het aparte bericht met foto elders in het Deevers Archief.
Grenspaal 75:
Deze paal staat aan bij de Tilgröppe, aan de noordoostkant ervan.
Zie het aparte bericht met foto elders in het Deevers Archief.
Grenspaal 76:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 77:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 78:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.
Grenspaal 79:
De gegevens van deze paal moeten nog worden uitgezocht.
Een foto van deze paal is nog niet opgenomen in het Deevers Archief.

In de webstee lc.nl van de Leeuwarder Courant verscheen op 22-09-2011 het volgende bericht:
Grenspaaltjes Friesland-Drenthe gerestaureerd
ZORGVLIED – Met de herplaatsing van grenspaal nummer 49 op de Friese-Drentse grens bij Zorgvlied is een restauratieproject van de provincie Fryslân voltooid. Van de 148 gietijzeren palen die de grens sinds 1894 afbakenden, waren er nog 51 over. Deze zijn allemaal opgeknapt. Beide provinciewapens zijn op de paaltjes te zien.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De redactie nodigt bezoekers van het Deevers Archief graag uit te reageren met een afbeelding en een juiste beschrijving van de positie van de grenspalen, waarvan de gegevens nog niet zijn opgenomen.

Posted in de Oude Willem, Erfgoed, Grenspalen, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Greinspoaltie XLVI op nieuwe plaats – MC 30-07-2012

In de Meppeler Courant van 30 juli 2012 én vervolgens in het Dagblad van het Noorden van 1 augustus 2012 verscheen hetzelfde volgende mini-bericht.

ZORGVLIED – Grenspaal op nieuwe plaats
De gerestaureeerde grenspaal is herplaatst op de oude landweer bij de Willingehoek van camping Groot Bartje in Zorgvlied. De grenspaal is onder het puin vandaan gehaald. Henk Schurer doopte op de historische grens tussen Elsloo en Zorgvlied de paal met water uit de Linde. De vinder van de paal, Hans Salverda, werd als voogd van de paal benoemd. Met het vinden van de paal wordt de historische grens tussen Friesland en Drenthe zo langzamerhand weer zichtbaar.

In het Dagblad van het Noorden van 1 augustus 2012 verscheen het nagenoeg zelfde volgende mini-bericht.
ZORGVLIED – Historische grenspaal tussen Drenthe en Friesland
De gerestaureerde paal die de historische grens markeert tussen Friesland en Drenthe, is op de oude landweer bij de Willingehoek in Zorgvlied herplaatst. Op de historische grens tussen Elsloo en Zorgvlied werd de paal gedoopt met water uit de Linde. Vinder Hans Salverda werd als voogd van de paal benoemd. Door de herplaatsing van de paal wordt de historische grens tussen Friesland en Drenthe langzaam weer zichtbaar.

Aantekeningen van de redactie van het Dievers Archief
De schrijver van de veel op elkaar lijkende mini-berichten gebruikt de term ‘historische grens’, echter om de ligging van deze grens is in het verleden nooit enige strijd geweest, in feite gaat het om een grenspaal op de kunstmatige scheidingslijn tussen twee bestuurlijke eenheden, te weten de provincie Friesland en de provincie Drenthe.
Grenspalen worden in elk geval geplaatst op het punt waar de grens een knik maakt, zo ook de grenspalen tussen de provincies Friesland en Drenthe in de gemiente Deever. Van oudsher moet bij de ene grenspaal de volgende grenspaal te zien zijn.
Het artikel geeft niet aan om welke grenspaal het gaat, maar het is waarschijnlijk dat het hier om grenspaal XLVI (grenspaal 46) gaat.

Posted in de Oude Willem, Grenspalen, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Zorgvlied – Over grenspaaltjes en over de landweer

In de ‘Natuurkrant 2009’ van het nationale park Drents-Friese Wold en het nationale park Dwingelerveld staat een artikeltje over de paaltjes op de grens van de provincie Friesland en de provincie Drenthe en over de nog goed zichtbare landweer tussen de weg van Zorgvlied naar Elsloo en het Aekingerzand. Dit artikeltje is ook als bladvulling opgenomen in nummer 09/4 van Opraekelen, het papieren blad van de lokale heemkundige vereniging uit Diever.

Grenspaaltjes
In 1886 werden de gemeenten op de grens van Friesland en Drenthe gevraagd het tracé en de markering van de grens te controleren. In 1894 zijn 147 gietijzeren palen geplaatst. Deze grenspalen kostten toen 910 gulden. De aannemer kreeg 1286 gulden voor het plaatsen.
De zwart-witte paaltjes staan ongeveer 60 cm boven het maaiveld en een even groot deel van de paal zit onder de grond. De palen stonden gemiddeld 500 meter uit elkaar en staan op oude kaarten als GP met een getal aangegeven, bijvoorbeeld GP 51 (dit is de paal met het Romeinse getal LI). Een aantal is verdwenen, maar GP 51 is in september 2007 teruggeplaatst.
Bij Steggerda (Westvierdeparten 8) staat een groter exemplaar op het drie provinciënpunt Friesland-Drenthe-Overijssel (paal nummer I). Deze paal is 150 cm hoog en 40 cm dik.
In de zomer liggen de relikwieën vaak verscholen in het struikgewas. In de winter en herfst springen de paaltjes meer in het oog.

Landweer
In het Nationaal Park Drents-Friese Wold ligt een landweer. De landweer stamt waarschijnlijk uit de late middeleeuwen en heeft globaal op de provinciegrens gelegen. Tussen de weg van Zorgvlied naar Elsloo en het Aekingerzand is een deel nog in zeer goede staat. De oranje wandelroute vanuit Zorgvlied (start restaurant Villa Nova) brengt u langs een deel van de landweer. Let op dat u bij de oranje wandeling de oostelijke lus kiest ! Dit deel van de landweer wordt jaarlijks door een groep vrijwilligers onderhouden.
Een landweer is een opgeworpen aarden verdedigingswal. Deze wal diende om mens en dier tegen te houden. Deze aarden wal is zeer waarschijnlijk een (klein) onderdeel geweest van de Friese waterlinie geweest. Deze waterlinie bestond voornamelijk uit schansen. Bij onraad werd het lage deel tussen de Linde en de Tjonger onder water gezet. Deze linie heeft in de 80-jarige oorlog en het rampjaar 1672 dienst gedaan.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
In de webstee frdrenthe.blogspot.nl zijn enige bruikbare aanvullingen op het artikeltje over de grenspaaltjes te vinden:
De grenspalen zijn in de maanden oktober, november en december 1894 geplaatst onder toezicht van de beide provinciale hoofdingenieurs van de Waterstaat, S.J. Vermaes en J.P. Hofstede. Het ging in totaal om 147 stuks gegoten ijzeren grenspalen die waren voorzien van de wapens van de provincies Friesland en Drenthe en van 1 gegoten ijzeren paal met de wapens van Friesland, Drenthe en Overijssel, die bij Frederiksoord werd geplaatst. De palen werden voor een bedrag van f 909,45 geleverd door de Maatschappij “IJzergieterij de Prins van Oranje” te ’s-Gravenhage.
De palen werden beschilderd met afwisselend zwarte en witte ringen en zodanig geplaatst dat in de grenslijn staande steeds minstens twee palen zichtbaar zijn. De palen werden genummerd van I tot CXLIX. De Friese gemeentebesturen kregen volgens resolutie van 1 december 1895 opdracht om vóór 1 mei jaarlijks rapport uit te brengen over de toestand van de palen en bij urgentie zelfs onmiddellijk. Zij moesten tevens bevorderen dat het vrije zichtveld tussen de palen niet door struikgewas, bomen of anderszins zou worden belemmerd. Zij moesten ook toezien op het ‘ontblooten’ van de plint. De palen zouden om de vier jaar opnieuw worden beschilderd, te beginnen in 1899 voor de eerste maal op kosten van de provincie Drenthe. Ook Drenthe droeg de onderhoudstaken op aan de gemeenten.

Posted in de Oude Willem, Grenspalen, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Verbouw van tabak, hop en cichorei op Wateren

In de krant Het Nieuws van den dag verscheen op 12 oktober 1895 het navolgende bericht over landbouwactiviteiten van de Friese ondernemer mr. Lodewijk Guillaume Verwer op Wateren en Zorgvlied.

Te Wateren, in Drenthe, heeft de tabaksbouw dit jaar gunstige uitkomsten opgeleverd, uitgezonderd op een stukje van ongeveer 1/4 hectare te Zorgvlied, dat in het voorjaar met gaskalk was bestrooid.
De pluk is geëindigd, en met den napluk zijn enige jongens bezig. De bladeren zijn van uitmuntende hoedanigheid, waarom zij aan de sigarenfabriek te Zorgvlied worden gebruikt voor dekbladeren (onderdek). Aan deze fabriek werken ruim twintig jongens die voor het maken van 100 sigaren 13 à 14 cents ontvangen.
De fabriek wordt thans gedreven door de heeren Langemeier, De Vries en Van der Zee, de twee eersten wonen op “Villa Cornelia”, te Zorgvlied, de laatste te Leeuwarden.
De hopbouw heeft te Wateren nog niet veel te beteekenen. De grond is daarvoor echter, bij voldoende bemesting, niet ongeschikt, zoodat de Heer Verwer wil trachten nog twee of drie gezinnen uit Limburg of uit Noord-Brabant te doen overkomen, uitsluitend voor den hopbouw.
De proeven met den verbouw van cichorei kunnen aldaar als mislukt beschouwd worden. De grond is licht en eischt eene te zware bemesting, om met eenig voordeel cichoreiwortels te kunnen telen.

Posted in Lodewijk Guillaume Verwer, Tabak, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Grote Bosch en Heidebrand te Zorgvlied en Wateren

In het Nieuwsblad van Friesland: Hepkema’s courant van 5 augustus 1905 verschenen de volgende berichten over een grote bos- en heidebrand te Zorgvlied en Wateren.

Grote Bosch en Heidebrand te Zorgvlied en Wateren
ZORGVLIED, 2 augustus.
Hedenmorgen omstreeks 10 uur zag men in westelijke richting een zware rookwolk opstijgen. Aanvankelijk dacht men aan een gewoon heidebrandje, doch weldra zag men over een groote oppervlakte een vuurgloed, die zich ernstig liet aanzien.
Door den wind meer en meer voortgedreven, bereikten de vlammen weldra de dennenbosschen, deels toebehoorende aan de Maatschappij van Weldadigheid, deels aan Mr. L.G. Verwer alhier, zoodat men vreesde dat ook huizen en op het veld staande granen door het felle vuur aangetast zouden worden. Dit zou ongetwijfeld zijn gebeurd, wanneer niet krachtige hulp was toegesneld. Een paar afdeelingen soldaten, onder leiding van officieren, kwamen uit het kamp te Diever met schoppen en bijlen te hulp en aan hen is het blusschingswerk hoofdzakelijk te danken. Op verschillende punten werden loopgraven aangebracht en op sommige plaatsen werden gangen door de bosschen gehakt. Ook werden door de Maatschappij van Weldadigheid met een met vijf ossen bespannen groote ploeg groote geulen geploegd om het vuur binnen zekeren kring te houden.
Vele boeren en arbeiders brachten hun have en goed zoo goed mogelijk in veiligheid. Een akker aardappelen verschroeide en ook een partijtje nog op ’t veld staande rogge werd aangetast. Eene woning, welke vuur vatte, wist men nog te behouden. Een militair bekwam ernstige brandwonden aan het been. Hij werd voorloopig alhier verbonden en is daarna per rijtuig naar het kamp teruggevoerd.
Het is nu 10 uur ’s avonds. Ik word weer opgeroepen. Men zegt, dat het vuur opnieuw is uitgebroken.
(Tot op zeer verren afstand is deze brand te zien geweest. Midden over dag kon men op het vrije veld bij Heerenveen en zelfs tusschen Grouw en Wartena ver in het Oosten en Zuidoosten dikke rookwolken zien opstijgen. Redactie)

Later bericht
ZORGVLIED, 3 augustus
Nog altijd is het gevaar voor ons dorp niet geheel geweken. Den geheelen nacht en ook hedenmiddag woedde het vuur nog door, hoewel men ijverig met het blusschingswerk door gaat, terwijl het terrein voortdurend bewaakt wordt door militairen en birgers.
De militairen, die gisteren zoo vlug en vaardig loopgraven maakten, waardoor Wateren voor verder vuur bevrijd bleef, waren onder bevel van Kapitein Thomson.
In sommige huizen blijft nog de inboedel etc. gepakt. Voor Zorgvlied is heden de wind gunstiger geworden. Over een uitgetrektheid bosch en heideveld van minstens een half uur lengte en breedte heeft het vuur zich brandende en smeulende nu reeds verbreid. Veel schoons gaat verloren. Men hoopt echter door waken en werken ons dorp vrij te houden.
Naar men mededeelt is de brand ontstaan door onvoorzichtigheid van twee personen, die in het waren te plaggensteken en de slechte gewoonte volgden om in het open veld hunne koffie te koken. Door den Rijksveldwachter Dijkermans moeten ze reeds in verhoor zijn genomen en, naar we vernemen, hebben ze erkend, dat op boven omschreven wijze de brand was ontstaan.
Uit Frederiksoord schrijft men ons, dat ongeveer 40 H.A. is afgebrand en dat voor de Maatschappij van Weldadigheid de schade geschat wordt op f. 4000.

Wat een soldaat ons van den boschbrand vertelde.
LEEUWARDEN, 3 Augustus.
Uit het kamp tusschen Wapse en Diever zijn heden morgen alhier gearriveerd met een extra trein van Steenwijk een 700 man soldaten, na een verblijf van 10 dagen aldaar. Opgewacht dooreen breede schare nieuwsgierigen, ging het met de muziek voorop in optocht naar de kazerne, waar een welverdiende rust werd gevonden. Vierdehalf uur toch hadden de manschappen van morgen moeten marcheeren om aan hot station Steenwijk te komen, terwijl de meesten ook gisteren een zwaren werkdag hadden gehad, ’t Was de verjaardag van H.M. de Koningin-Moeder, die met het houden van volksspelen gevierd zou worden, doch om middag kwam de tijding van een geweldigen heide- en boschbrand onder Zorgvlied en Wateren en kapitein Thomson verzocht zijn bataillon hulp te verleenen, waaraan eenparig bereidwillig gevolg werd gegeven. Een der manschappen deelde ons dienaangaande het volgende mede.
Om halftien moet onder Frederiksoord de brand zijn ontstaan tengevolge van een koffievuurtje van een paar arbeiders, werkzaam in het veld. Aangewakkerd door den stevigen wind, verbreidde zich het vuur met een verbazende snelheid. Aller gemoederen in wijden omtrek vervuld van angst en zorg. De gevolgen waren niet te overzien en het volk stond machteloos. Zo werd der soldaten hulp ingeroepen en trok het gehele bataillon van Thomson, onder diens leiding derwaarts. Gewapend met schoppen, kwamen na een geforceerden marsch van ongeveer vijf kwartier ter plaatse bij de vlammenzee, die pas een groot dennenbosch, geschat op wel 40 hectare, had aangetast, dat met zijn hooge, droge heide onder de stammen, dan ook totaal is verloren gegaan. Het was niet meer te behouden en voor den wind lagen weer andere uitgestrekte bosschen en er stonden huizen die bedreigd werden, evenals Zorgvlied met zijn omgeving, eigen aan de familie Verwer.
Al een paar uur gaans had de brand zich uitgestrekt en groote schade aangericht. Fluks begonnen we met man en macht in goede orde een geul te graven, een paar honderd meter vóór de snel naderende vlammen, die zich ook zijwaarts voortplantte. Bij ’t graven der geul, werd naar de zijde van den te bekampen vijand de heide in brand gestoken, zoodat de vlammen tegen elkander ingingen en het vuur geen voedsel meer vond, om vóór den wind verder te gaan.
Wel ging het zijwaarts af, en wat daar in de verte gedaan werd door burgers, weet ik niet, doch ons gelukte het na een inspannenden arbeid van eenige uren den voortgang van den brand te stuiten. Een uitgestrekt bosch voor ons en wat daarachter lag werd door ons behouden. Naar mijne berekening hebben we met ons bataillon van klein 400 man van ’s middags goed twee uur tot ’s avonds bijna zeven, een geul gegraven van pl.m. 20 minuten gaans.
Toen was het gevaar zoo goed als geweken en hebben manschappen van het andere bataillon nog dienst gedaan. Ook heb ik een ploeg met vier ossen aan het reddingswerk zien deelnemen.
Heden in de kazerne werd ons medegedeeld, dat een gift, van f 100 was ingekomen, waarvan ik 29 cnt als mijn rechtmatig deel heb ontvangen. Dat is betrekkelijk weinig, doch om geld was het niet begonnen alleen de attentie mag worden gewaardeerd. Een der soldaten heeft zijn voeten gebrand en zou in het kamp zijn achtergebleven.
Van het kamp zelf hoorden we dat het veel grooter is en beter drinkwater heeft, dan dat te Mildam en dat het direct weer in orde wordt gemaakt voor de ontvangst van een 1500 manschappen in September.

Posted in de Kaamp op de Oeren, Lodewijk Guillaume Verwer, Maatschappij van Weldadigheid, Wapse, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Sandige en harde sandige heyde en sand duinen

Bernardus Schotanus à Sterringa kreeg in 1682 opdracht van Gedeputeerde Staten van Frieslandt om nieuwe kaarten te maken van alle grietenijen in de provincie Frieslandt. Eerder had hij zijn vader Christianus Schotanus geassisteerd bij het maken van de kaarten en plattegronden in de Beschrijvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt (1664).
De opdracht van Gedeputeerde Staten resulteerde in de Friesche Atlas uit 1698. Een tweede, verbeterde druk daarvan werd in 1718 samengesteld door François Halma, drukker voor de Friese Staten.
Op bijgaande afbeelding is een stukje van de verbeterde Schotanus-Halma-kaart van de grietenij van Ooststellingwerf te zien. Op deze afbeelding is linksonder (in het grijze deel van de afbeelding) ook een stukje van een uithoek van de gemeente Deever in Drenthe te zien.
In het grijze deel zijn de gehuchten Klein Wateren en Groot Wateren ingetekend als stemhebbende plaatsen met huizen (lees boerderijen). Het gehucht Klein Wateren zal zo genoemd zijn, omdat daar minder stemhebbende plaatsen met huizen waren dan in Groot Wateren.
De webstee van de plaatselijke heemkundige vereniging uut Deever vermeldt over de naam Wateren:
In 1493 to Waethoeren genoemd. De plaatsnaam is samengesteld uit waet = nat en horn = hoek, wat natte hoek betekend.
Dat Wateren de betekenis van natte hoek zou hebben, dat klinkt belangwekkend, echter lijkt volstrekt ongeloofwaardig, omdat Klein Wateren en Groot Wateren op hoogliggende sandige heyde en hoogliggende harde sandige heyde lagen; bovendien kon al het hemelwater snel afwateren via de veelal droogstaande bedding van de rijkelijk aanwezige beekjes.
De op de afbeelding zichtbare Wech over de Heyde tussen Klein Wateren en Ter Wisga ligt heel dicht in de buurt van de huidige wegen met de namen Appelschaseweg en Canada.
Grazende schaapskudden hebben al ver voór 1700 een flink deel van de hoogliggende sandige heyde en de hoogliggende harde sandige heyde vernield met als gevolg dat de streek woestijnificeerde en sand duinen ontstonden.
Dat het uitgeplaatste Staatsboschbeheer nu door grootschalige vernieling van het cultuurbos de sand duinen weer te voorschijn heeft laten halen, heeft niets met herstel van oude bijna middeleeuwse natuur te maken, maar alles met decorbouw, met kunstnatuur, met een mentaliteit van wij bepalen wel wat goed voor u is.
Het uitgeplaatste Staatsboschbeheer vindt het eenvoudigweg niet voldoende dat de toevertrouwde terreinen goed worden beheerd. Waar het bij het uitgeplaatste Staatsboschbeheer om gaat is dat zij de decors willen bouwen, dat zij willen bepalen wat goed is voor het belastingbetalende publiek, dat zij bepalen waar het publiek van moet gaan genieten.
De externe positionering van Staatsboschbeheer heeft bij Wateren geen publieksbetrokkenheid bij besluitvorming tot gevolg gehad. De noodzakelijke maatschappelijke participatie is hier niet van de grond gekomen. Maatschappelijke participatie kan leiden tot maatschappelijk draagvlak, wat de legitimatie moet zijn voor financiering uit de openbare middelen. Geen maatschappelijk draagvlak, geen belastinggeld als inkomstenbron.

Abracadabra-1209

Posted in De aandere kaante van de bos, Staatsbosbeheer, Wateren | Leave a comment

Schets van den landbouw in min vruchtbaren streken

Jan Hessel van Wolda werd geboren op 3 oktober 1790 in Midwolde (Midwolle). Hij trouwde op 10 juli 1825 in Vledder met Roelofjen Eleveld. Roelofjen Eleveld is in 1798 geboren. Zij is op 1 maart 1882 op 83-jarige leeftijd overleden in Arnhem. Op 22 augustus 1831 werd Henderica Johanna van Wolda op Woater’n geboren.
Jan Hessel van Wolda gaf al een aantal jaren les aan de hoofdschool van Vledder, toen in 1818 de eerste kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid werd opgericht. Hij ging in zijn vrije tijd van vier uur ’s middags tot zeven uur ’s avonds ook les aan de openbare lagere school (rijksschool) in Frederiksoord. Hij was schoolmeester aan de hoofdschool van Vledder van 1812-1824 en schoolmeester aan de openbare lagere school (rijksschool) in Frederiksoord van 1818-1824.
In 1823 werd te Wateren het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding der Maatschappij van Weldadigheid opgericht.
Op 15 juli 1824 gaf hij het schoolmeesterschap van de hoofdschool van Vledder op om geheel in dienst van de Maatschappij van Weldadigheid te treden als adjunct-directeur voor het magazijn en voor het toezicht op het lager onderwijs in de koloniedorpen en de gestichten.
In 1831 werd hij aangesteld als instituteur van het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding der Maatschappij van Weldadigheid te Wateren. Zijn jaarsalaris bedroeg f 1000,- op 15 juli 1832. Hij genoot een toelage van f 200,- per jaar voor het toezicht op het lager onderwijs in de koloniedorpen en de gestichten.
Jan Hessel van Wolda is overleden op 21 april 1844 op Wateren. De redactie heeft de begraafplaats van Jan Hessel van Wolda nog niet kunnen achterhalen. In de Opregte Haarlemsche Courant van 25 april 1844 verscheen het navolgende overlijdensbericht:
Instituut te Wateren, 21 april 1844. Heden middag verloor ik, door den dood, aan eene hevige ziekte, mijnen geliefden Echtgenoot J.H. van Wolda, hoofd van dit gesticht en van het Onderwijs in de Koloniën der Maatschappij van Weldadigheid, zijn leven was Gode gewijd, het sterven zij hem gewin. 
R. Eleveld. Weduwe van Wolda.

Blijkbaar werd het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding der Maatschappij van Weldadigheid te Wateren ook Gesticht van Opvoeding voor den Landbouw der Maatschappij van Weldadigheid of ook wel Kweekschool voor den andbouw der Maatschappij van Weldadigheid genoemd. Ook werd wel de naam Instituut voor de Opvoeding der Koloniale Ambtenaren gebruikt.

Op 12 juni 1841 verscheen in de Opregte Haarlemsche Courant het volgende bericht
Bij J. Oomkens, te Groningen, is gedrukt:
Beknopte Schets van den Landbouw in min vruchtbare streken. Een Leesboek voor jonge lieden en kinderen ten Platten Lande, door J.H. van Wolda, Instituteur aan het Gesticht van Opvoeding voor den Landbouw der Maatschappij van Weldadigheid, te Wateren. Tweede druk, á 20 Cents.
Deze tweede druk verschijnt, zonder dat van den eersten eene algemeene verzending heeft kunnen plaats hebben, dewijl deze door den algemeenen bijval direct verdeeld is geworden.

Instituteur is een Frans woord en betekent gewoon lesgever, onderwijzer, leraar of schoolmeester. Iemand die een leesboek boek schrijft voor zeker niet-Frans sprekende jonge lieden en kinderen van arme en weinig geletterde boeren op de voor een groot deel nog niet ontgonnen zandgronden in het oosten en noorden van het land, zou zichzelf niet instituteur, maar gewoon schoolmeester of hoofdmeester moeten noemen.

J.H. Siddré gaf in 1853 in Utrecht een herdruk uit van de tweede druk van het hiervoor genoemde boek onder de titel:
Beknopte schets van den Landbouw in min vruchtbare streken. Een Leesboek voor jonge lieden en kinderen ten Platten Lande, door J.H. van Wolda, Instituteur aan de Kweekschool voor den Landbouw der Maatschappij van Weldadigheid, te Wateren.
Het uit vier paragrafen bestaande tweede hoofdstuk met de titel ‘Beschouwing van den landbouw in min vruchtbare streken’ luidt als volgt:
Paragraaf 1
De oude bouwakkers liggen meestal hoog, op de zoogenaamde essen, onmiddelijk bij de dorpen en gehuchten, terwijl de groenlanden in eene andere buurt en veel lager gelegen zijn.
Om de gezelligheid der menschen zijn de huizen, van ouds her, tamelijk digt bij elkanderen gebouwd, met eenige kampjes land, daarnevens, opdat er bij huis tuinvruchten zouden kunnen worden verbouwd, en het rundvee een gedeelte van den dag, of ook wel een gedeelte van den zomer, geweid. Vele der afgelegene groenlanden geven van nature gras, en van daar, dat men zulk land natuurlijk groenland noemt.
De koeijen en schapen komen des avonds te huis en gaan des morgens weer naar de weide. Dit te huis halen wordt gedaan om den mest, die op de hooge bowlanden volstrekt onontbeerlijk is. De bouwlanden liggen onder elkanderen verstrooid. Elke boer heeft doorgaans bouwland vooraan en ook achteraan op de esse. De bouwakkers zijn zeer verschillend in grootte. Sommige zijn één schepel land, andere twee, drie, vier en meer schepels groot. Die vóóraan op de esee, en dus het digtst bij huis, gelegen zijn, zijn meestal de beste.
Ieder dorp of gehucht heeft één of meer schaapherders, die eene gansche kudde, zelfs tot 1000 toe, met eenen hond, hoeden en oppassen. Ook zijn er plaatsen, waar iedere boer, wegens de afstand zijner woning van andere, zijne eigene schapen doet hoeden.
Hier en daar worden ook nog gemeene weiden voor het jongvee gevonden, dat is groenland en heideveld door elkander, bontland genaamd, waar de jongbeesten van het dorp of gehucht geweid en opgepast worden.
Paragraaf 2
Behalve het schadelijke, dat de ligging der landelijke eigendommen, door elkanderen, heeft, is daarin ook eenig goeds gelegen. En het is vooral de naijver der menschen, die hier gunstig werkt. Ieder wenscht zijne granen en ook zijne schapen en koeijen, boven die zijner naburen, te doen uitmunten. Daartoe wendt hij alle pogingen aan, zoo met zijn land te mesten, als het vee te voederen.
Het huishoudelijke wordt met overleg en met de meeste zuinigheid behartigd, anders zouden de landlieden niet kunnen bestaan, veel minder nog tot eenige welvaart komen. Algemeen wordt er niets nutteloos uitgegeven. Men beschouwt de dienstboden, knechten en meiden, indien dezelve eerlijk en trouw zijn, als leden van hetzelfde huisgezin, doch geeft hun, behalve kleeding en kost, geene hooge loonen. De kinderen, die al heel vroeg onderwezen en met de godsdienst bekend gemaakt worden, leeren van jongs af aan bezig te zijn, zelfs vóór en tusschen de schooltijden, hetwelk hen als van zelf aan den arbeid gewent, en de gewoonte toch is eene tweede natuur.
Paragraaf 3
Zijn de hofsteden of boerderijen daarentegen zóó aangelegd, dat de landerijen rondom het huis en alle aan elkanderen gelegen zijn, dan is dat voor het vee en den landbouw veel voordeeliger. De spreekwoorden: verre van zijn goed, is nabij zijne schade, en: land bij huis heeft eene dubbele waarde, gelden overal, maar ook hier.
Zoo heeft het vee dan ook minder te loopen, geniet het naauwkeuriger toezigt, meerderen tijd tot eten en rust, en verliest minder mest op den weg of op het veld. De mest behoeft niet zoo ver vervoerd te worden, de paarden kunnen derhalve meer doen en de bebouwde akkers zijn meer onder het gezigt. Is het nodig, dat de granen en andere veldvruchten gewied of schoon gemaakt worden, dan is men er digt bij en behoeft geenen tijd te verloopen. Is het hooiland nabij huis gelegen, dan krijgt het veel gemakkelijker eenigen mest, waardoor het grasgewas veel vermeerderd wordt en eene veel hoogere waarde verkrijgt; – en zoo hiertoe al geenen mest voorhanden mogt zijn, er wordt dan ten minste op gewerkt, en al bestond ook dat werk alléén in het overaarden van slootaarde of aarde uit greppen of andere grond, ook dit brengt reeds vele voordelen aan. Bestaat een stuk lands uit verschillende aardsoorten, bij voorbeeld is er op de ééne plaats leem, op eene andere veen, op eene derde alleen zandgrond, dan ondergaat het land eene groote verbetering, zoo de sloot- en grepaarde altijd op eene andere soort van grond gebragt wordt. Of wel, is er in de nabijheid van een stuk lands eene andere aardsoort gemakkelijk te krijgen, dan mag men zich de moeite van het er over te brengen wel getroosten: wijl zand op veen, en veen op zand, en leem op die beide zeer veel tot de meerdere vruchtbaarheid van het land toebrengt.
Paragraaf 4
Uit de verschillende bewerkingen van het land, de mindere of meerdere vlijt daar aan besteed, de betere of slechtere voeding van het vee, leert men den grond en het bestaan der huisgezinnen kennen. Heerscht er orde, worden alle dingen met overleg gedaan, is men ijverig en getrouw, dan woont er ook algemeen welvaart, voorspoed en zegen; terwijl daarentegen dáár, waar men des morgens lang slaapt, niet gaarne veel doet, en om zoo te spreken: Gods water over Gods akker laat loopen, bijna altijd armoede en schraalheid gevonden wordt, zowel voor de menschen als voor het vee, dat de Schepper aan de menschelijke zorg heeft toevertrouwd. Het bekende spreekwoord: armoede in de stal, armoede overal, wordt door alle landlieden nog niet genoeg geloofd, of liever er wordt nog geene moeite genoeg gedaan, om het nuttige rundvee ruim en goed te voeden: want welgevoed vee geeft vetten mest, terwijl schraal gevoed vee, magere beesten, ook minder krachtigen mest geeft.
Het vee geeft in volle ruimte alles terug, wat hetzelve ontvangt, zoowel aan zuivel als aan mest. Het eerste brengt geldelijke voordeelen aan, en de laatste maakt het land bekwaam, om rijken oogsten te geven. Beiden zijn van even veel belang.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief, versie van 2016-03-01
In de paragrafen 1 en 2 geeft instituteur Jan Hessel van Wolda zijn visie op het reilen en zeilen in een Drents esdorp.
Met name de inhoud van de derde paragraaf is belangwekkend. Met enige goede wil is Jan Hessel van Wolda op basis van zijn uiteenzetting in de derde paragraaf te beschouwen als de lokale uitvinder van de ruilverkaveling. Met zijn ideeën over het verhogen van de doelmatigheid van de werkzaamheden binnen een boerenbedrijf was hij zijn tijd ver vooruit.
In zijn geheel komt de beschouwing van den landbouw in min vruchtbare streken van de niet-landbouwkundig geschoolde instituteur Jan Hessel van Wolda erg prekerig en belerend over, de tekst lijkt niet zo erg geschikt voor jonge lieden en kinderen op de Drentse zandgronden.
Het ware bij de voorkant van het gelijk an de aandere kaante van de bos in overweging te geven, een straat, weg, zandweg, rijwielpad, ruiterpad, bospad, boslaan, plein of park te vernoemen naar Jan Hessel van Wolda, eerste instituteur van het Gesticht van Opvoeding voor den Landbouw der Maatschappij van Weldadigheid op Woater’n.
De ruimte voor de vier huisjes naast het gebouw van de rooms-katholieke geloofsgemeente zou bijvoorbeeld Jan Hessel van Wolda-hof genoemd kunnen worden.

Abracadabra-1630Abracadabra-1629Abracadabra-1620

Posted in Boer'nwaark, Boermarke, De aandere kaante van de bos, Maatschappij van Weldadigheid, Wateren | Leave a comment

Andreas-parochie viert 100-jarig bestaan in 1984

In de Leeuwarder Courant van 29 september 1984 verscheen het navolgende artikel ‘Parochie in Zorgvlied ontstond uit liefdadigheid’ ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de rooms-katholieke Andreas-parochie op Zorgvlied.

Parochie in Zorgvlied ontstond uit liefdadigheid
De Andreas-parochie in Zorgvlied, waartoe ook een flink deel van Zuidoost-Friesland behoort, heeft al vele jaren geen eigen pastoor meer. Samen met Gorredijk en Oosterwolde, parochies die pas in de dertiger jaren ontstonden uit het initiatief van de paters Franciscanen, vormt de 100-jarige parochie een pastoraal verband onder leiding van pater Johan Meertens en pastoraal werkster Margaret Dekker.
De kiem van de parochie Zorgvlied werd gelegd door de Verwers, een rijke familie die veel aan liefdadigheid deed. Lodewijk Quillaume Verwer en zijn vrouw haalden arme Brabantse boeren naar het grensgebied tussen Friesland en Drenthe om kleine bedrijfjes te runnen op de grond die daar op grote schaal door de familie was aangekocht. In hun fraaie buiten ‘Huize Zorgvlied’ was ook een kapel ingericht en daar werden in 1880 de eerste kerkdiensten gehouden.
Al spoedig werd besloten één van de bijgebouwen van Huize Zorgvlied tot kerk om te bouwen. In september 1884 werd de eerste pastoor geïnstalleerd, Petrus Johannes Conradus van Haagen. Aan de Friese kant van de provinciegrens werkte hij onder meer in Appelscha, Haule, Oosterwolde, Donkerbroek, Makkinga, Noordwolde en Olde en Nieuwe Bercoop.
Een paar jaar later kocht de parochie een stuk grond van de familie Verwer op voorwaarde dat er een kerk, een pastorie en een eigen kerkhof zouden komen. De kerk verrees in 1923 en 1924, terwijl de pastorie werd gevestigd in ‘het Witte Huis’, dat de familie in 1919 aan de rooms-katholiek gemeenschap schonk.
Vanaf 1936 heeft Zorgvlied geen eigen pastoor meer gehad. Er ontstond eerst samenwerking met Veenhuizen, later met Wateren. Sinds de komst van pater Meertens, die tevens deken is van Heerenveen, werkt Zorgvlied samen met Oosterwolde en Gorredijk. De parochie telt ongeveer driehonderd zielen.
Het 100-jarig jubileum wordt morgen gevierd met een eucharistieviering om 10.00 uur en een receptie na afloop in ‘Villa Nova’. ’s Middags is er een feestprogramma voor de kinderen en ’s avonds samenzang en de opvoering van een revue.
Over de geschiedenis van de jubilerende parochie is een boekje verschenen.  

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief, versie van 2016-02-18
De familie Lodewijk Guillaume (dus niet Quillaume) Verwer gaf aan ‘Huize Zorgvlied’ de naam ‘Castra Vetera’.
De vraag is of de parochie grond van de familie Verwer heeft gekocht of ten geschenke heeft gekregen.
De eerste pastoor Petrus Johannes Conradus van Haagen is op 24 september 1847 in Nijmegen geboren. Hij overleed op 22 april 1933 in Groenlo. Hij was toen 85 jaren oud. Hij schopte het in de rooms-katholieke kerk tot deken.
Volgens het bijgaande bidprentje werd Petrus Johannes Conradus van Haagen op 18 september 1884 niet pastoor op Zorgvlied, maar pastoor te Wateren. Zelfs in 1884 was de naam van het dorp Zorgvlied nog niet gevestigd. Dus het 150-jarig bestaan van het dorp Zorgvlied voor alle zekerheid maar na 2034 vieren ?
Wie kan de redactie op het spoor zetten van het uit 1984 daterende boekje over de geschieden van de 100-jarige Andreas parochie ? Wie is in het bezit van dit boekje ? Wat is titel van het boekje ?
De foto bij het artikel is gekopieerd van een ansichtkaart die in 1935 is uitgegeven door de firma J.F. le Roux te Assen. Deze ansichtkaart is aanwezig in de verzameling van het Deevers Archief, zie de bijgaande afbeelding. Het huis ‘het Witte Huis’ aan de linkerkant van de foto op de ansichtkaart is de pastorie van de rooms-katholieke geloofsgemeente.

Abracadabra-1616
Abracadabra-1615Abracadabra-1612Abracadabra-1611

Posted in Afbeeldingen, Ansichtkaarten, Bidprentjes, De aandere kaante van de bos, Rooms Katholieke Kerk, Sint Anthony Stichting, Wateren, Witte Huis, Zorgvlied | Leave a comment

Een paar foto’s van Jan Harm Pol op Woater’n

Op de televisiezender National Geographic is nog steeds de zo genoemde ‘reality show’ met de titel ‘The incredible dr. Pol’ te volgen. De hoofdpersoon in deze zo genoemde ‘reality show’ is dierenarts Jan Harm Pol. Hij werd geboren op Woater’n in de boerderij, toen met adres Wateren 40, nu met adres Wateren 20.
The incredible dr. Jan Harm Pol was onlangs met zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen op bezoek op Woater’n bij zijn oudere broer Jan aan de Appelschaseweg. De lokale pers heeft aan zijn bezoek enige aandacht besteed.
Leden van de historische vereniging Zorgvlied-Wateren-Oude Willem waren aanwezig bij zijn bezoek van hem en zijn familie aan zijn geboortehuis. Zij hebben een en ander van zijn bezoek op film vastgelegd. Drie filmbeelden zijn in dit artikel te zien.

Hans Salverda van de historische vereniging Zorgvlied-Wateren-Oude Willem schrijft:
Het was erg moeilijk om foto’s van dr. Pol te pakken te krijgen. De reden is het simpele feit dat we ze niet hebben en dat we ook niet hebben bijgehouden wie wanneer welke foto heeft gemaakt.
Via Cor Goettsch heb ik drie beelden gekregen, die afkomstig zijn van de film die wij gemaakt hebben. Bij het plsstsen van deze beelden graag vermelden dat het schermafdrukken zijn van de door ons gemaakte film.
De eerste foto is gemaakt op de oprijlaan van de boerderij met adres Wateren 20. De andere twee foto’s zijn gemaakt achter het geboortehuis van Jan Harm Pol. Op de laatste foto is Jan Harm Pol in gesprek met Anne Veenstra, de huidige eigenaar en bewoner van het geboortehuis van Jan Harm Pol.

Abracadabra-1450

 

 

 

 

 

Abracadabra-1451

 

 

 

 

 

Abracadabra-1452

Posted in The incredible dr. Pol, Wateren | Leave a comment

Boelgoed op Groot Wateren op 27 maart 1928

In het Nieuwsblad van Friesland: Hepkema’s Courant van 20 maart 1923 verscheen het volgende bericht over een belangrijk boelgoed ten huize van boer Pieter Jongsma op Groot Wateren.

Belangrijk boelgoed Groot Wateren (gemeente Diever)
Notaris Bolk te Dwingelo zal op Dinsdag 27 maart 1928 des voormiddags 9½ uur, ten huize van den heer P. Jongsma te Groot Wateren gemeente Diever, publiek à contant verkoopen:
levende have als: 2 paarden (6- en 8-jarig, zwart, merries, mak en bereden), 8 beste melk- en halve koeien, 3 hokkelingen, 2 volle motten, 80 kippen;
voorts boerenmelk- en deelgereedschappen, waaronder boerenwagen, 2-paards Cormick maaimachine met dunne vingerbalk (zoo goed als nieuw), machineslijpsteen, dorschmachine met molen en ketting, korenwinde met zeef, hakselmachine, 2 ploegen, ijzeren dubbele spoorstokken, halsjuk met stroppen, dubbele lijsten, koperen waschketel en hetgeen meer te voorschijn zal worden gebracht.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief, versie van 2015-11-05
Pieter Jongsma werd geboren op 20 mei 1868 te Jubbega Schurega. Hij trouwde op 12 mei 1893 met Fokje Wijnstra. Hij is op 8 mei 1942 op 73-jarige leeftijd overleden in Noordwolde.
De door Pieter Jongsma te koop aangeboden landbouwgereedschappen geven wel enig inzicht in de mate van mechanisatie in de landbouw op Groot Wateren in 1923.
Met name de uit de Verenigde Staten van Amerika geïmporteerde Mc Cormick 2-paards maaimachine laat zien dat zelfs een gewone boer niet meer enkel met de zeis hoefde te maaien.
Is de in de advertentie genoemde dorsmachine met molen en ketting een rosmolen ?

Abracadabra-1442

Posted in Boer'nwaark, Landbouw, Wateren | Leave a comment

Geboortejaar van het dorp Zorgvlied is 1861 of 1862 ?

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief, versie van 2015-10-15

In het Algemeen Handelsblad van 16 januari 1861 plaatste Johannes Franciscus de Ruiter de Wildt een advertentie inzake de uit te besteden bouw van een herenhuis in de nabijheid van het voormalige Gesticht op Klein Wateren, op een stuk grond dat had toebehoord aan de Maatschappij van Weldadigheid.
De bouw van het herenhuis moet na een aanbestedingsprocedure van hooguit enkele maanden zijn gegund. De aannemer zal kort na de gunning zijn begonnen met de bouw en zal het herenhuis mogelijk uiterlijk in het begin van 1862 hebben opgeleverd. Johannes Franciscus de Ruiter de Wildt gaf het herenhuis de naam Huize Zorgvlied.
Het is vooralsnog moeilijk aan te tonen wanneer de bewoners van de streek voor de bebouwing op Klein Wateren de naam Zorgvlied zijn gaan gebruiken. Het meest voor de hand liggend is 1861 als geboortejaar van het dorp Zorgvlied te beschouwen, wat zou betekenen dat in 2011 Zorgvlied 150 jaar heeft bestaan.
Als de plaatselijke heemkundigen echter 1862 -het opleverjaar van het heerenhuis- als geboortejaar van de dorpsnaam Zorgvlied zouden willen beschouwen, dan zal snel actie moeten worden ondernomen om in 2012 nog op feestelijke wijze het 150-jarig bestaan van Zorgvlied te kunnen vieren.

Posted in de Ruijter de Wildt, Huize Zorgvlied, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Veiling goederen Maatschappij van Weldadigheid

In de regionale Provinciale Drentsche en Asser Courant van 22 november 1860 verscheen het navolgende bericht over de verkoop van goederen van de Maatschappij van Weldadigheid in Wateren.

Gisteren heeft de finale veiling van de goederen der Maatschappij van Weldadigheid te Wateren plaats gehad; zij zijn gebracht op de som van f. 52.905,50 en getrokken door de heeren de Ruyter de Wildt te Amsterdam en van Gelder te Leiden, die deze goederen dadelijk onder elkander hebben verscheiden, en, naar men zegt, de cultuur daarvan met kracht ter hand willen nemen.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief, versie van 2015-10-14
Een afbeelding van deze advertentie zal nog worden toegevoegd aan dit bericht.

Posted in de Ruijter de Wildt, Maatschappij van Weldadigheid, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Op zoek naar het geboortejaar van het dorp Zorgvlied

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief, versie van 2015-10-15

In de met de heemkundige vereniging van Deever verbonden heemkundige werkgroep in het dorp Zorgvlied wordt naarstig gezocht en gegist naar het geboortejaar van het dorp Zorgvlied, dat ontstaan is in het gebied dat vroeger Woater’n heette.
Zo wordt getracht vast te stellen wanneer Zorgvlied, de naam van het landhuis van Johannes Fransiscus de Ruijter de Wildt, ook voor het eerst is gebruikt als naam voor de daarbij gelegen zich ontwikkelende bebouwing.
Het advies is niet langer te zoeken. Het advies is het jaar waarin begonnen is met de bouw van het landhuis Zorgvlied te beschouwen als geboortejaar van het dorp met de naam Zorgvlied.
Een plaatselijke heemkundige kan die datum wel in oude kranten vinden. Zonder het landhuis Zorgvlied was het dorp Zorgvlied zeker niet ontstaan, zoals dit dorp in de loop van de jaren is ontstaan en had het dorp Zorgvlied zeker niet de naam Zorgvlied gekregen. Hoe eenvoudig kan het toch zijn……..

Posted in Wateren, Zorgvlied | Leave a comment