’K hep ’t neet edoane, ’t gebeurde aachter mee’j

Lammert Joustra uit Zuidwolde schreef bijgaand bericht en publiceerde dit in het blad Opraekelen, jaargang 11, nummer 3, september 2004. Opraekelen is het papieren blad van de heemkundige vereniging uut Deever. De redactie van het Deevers Archief heeft toestemming gekregen van Lammert Joustra om zijn berichtjes in het Deevers Archief op te nemen. De redactie is hem daarvoor bijzonder erkentelijk.

Bee’j de scheerboas
Een heel bekend figuur in het dorp Deever was Geert Dekker. Deze man bezat een radio en dat was in de ogen van mijn opa Harm Mulder, mijn oom Hendrik Mulder en mijn oom Jaap Mulder wel heel erg vooruitstrevend.
Geert had de vaste gewoonte om één keer per dag in de kapsalon verslag te doen van het weerbericht van die dag. Hij kwam een keer binnen met het volgende advies: “Ie kunt wel goan heu’n vandaege, want ’t blef dreuge”.
En dat advies werd prompt opgevolgd door de gebroeders Mulder (redactie: in de volksmond werden ze Gaarke Bakker’s jongen genoemd, want de vele Mulders in Deever werden allen onderscheiden met een bijnaam).
Mijn opa en mijn ooms zijn echter nooit overgegaan tot het aanschaffen van een radio: “Nooit van oons lee’m. D’r komp neet zo’n neeierwets ding bee’j oons in huus.”
Mijn oom Hendrik Mulder was ook jager. Wij jongens vonden het leuk om mee te gaan met een drijfjacht. De jagers gingen vaak samen naar het jachtterrein, ze kwamen bij elkaar bij het boerderijtje van mijn opa. Tijdens het wachten op de laatste jager werd iedereen al gespannen. Zelfs de honden, want plotseling riep één van de jagers: “Pas op, ’t hontie mut mieg’n.”, maar het kwaad was al geschied. De hond had zijn achterpoot opgelicht en piste tegen de broek en in de laars van één van de drijvers.
Op het landgoed Berkenheuvel werden ook regelmatig drijfjachten gehouden door heren jagers van buiten de streek. Dat was nog spannender, want wij als drijvers werden ook verwend met worst en brood en snert. Eén van de heren jagers had in al die jaren nog nooit een dier geschoten. Aan het einde van één van die drijfjachten kwam hij echter aan met een fazant, maar voordat iemand commentaar kon geven, zei hij: “Deze fazant kreeg een hartaanval, terwijl ik schoot.”
Geert Dekker meldde op een morgen in de kapsalon dat die avond toch wel iets heel bijzonders op de radio zou komen. “Hé, jonges”, zei Geert, “vanoam’nd koompt Louw ban dij en Wil lij der bij (net zo uitspreken als het er staat) op de radio.” Het ging om een optreden van de artiesten Lou Bandy en Willy Derby op de radio. Die waren in die dagen zeer bekend. Geert kende geen Engels. Hij probeerde wat hij gelezen had zo goed mogelijk te verwoorden.
In Deever was Geert Dekker toch wel heel bekend. Het navolgende werd mij verteld door mijn opa Harm Mulder. Geert Dekker ging als jonge knaap naar de catechisatie in de Hervormde Kerk. Tijdens één van de godsdienstlessen liet Geert een nogal behoorlijk luidruchtige wind. De dominee reageerde direct met: “Nou nou Geert, moet dat zo?” Waarop Geert antwoordde: “Domeneer, ’k hep ’t neet edoane, ’t gebeurde aachter mee’j.”

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De foto van de 84-jarige Geert Dekker stond in het weekblad De Spiegel van 6 juni 1956.

This entry was posted in Alle Deeversen, Deeverse dialect, Dorpsfiguur. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *