Category Archives: Obadja

De aachterkaante van de olde kapelle van Obadja

De redactie van ut Deevers Archief weet nog niet in welk jaar de hier getoonde zwart-wit foto van de achterkant van de Obadja-kapel op Zorgvlied is gemaakt en weet ook nog niet wie deze foto heeft gemaakt. Op de zwart-wit foto is aan de linkerkant ut törfhokke te zien. Het is een afbeelding die zeer zeker wel in elk geval moet worden gearchiveerd.
De redactie heeft wel het vermoeden dat de foto ná de Tweede Wereldoorlog is gemaakt, maar wel vóórdat de kapel in 1968 is verlengd. Bestudering van de op de zwart-wit foto zichtbare en nog steeds aanwezige grafstenen kan mogelijk een preciezere datering opleveren.
In die jaren vonden de zeer geachte leden van de geloofsgemeente, die in de Obadja-kapel ter kerke gingen, het nog niet nodig de buitenkant van hun houten kerkgebouwtje spierwit te verven.
De kapel is in 1968 aan de voorkant verlengd, waarbij de voorgevel naar voren is verplaatst. De op de eerste kleurenfoto zichtbare oostelijke zijgevel heeft drie oorspronkelijke en aan de rechterkant twee toegevoegde vensters, die alle voorzien van negenruits ramen, een kalf en een halfrond drieruits bovenlicht. Op de plek van het vierde oorspronkelijk venster is een nooduitgang gemaakt.
De redactie heeft de twee kleurenfoto’s gemaakt op vrijdag 28 november 2020.


Posted in Aarfgood, Algemeen, De aandere kaante van de bos, Obadja, Zorgvlied | Leave a comment

Ansichtkoate van de Dorpsstroate op Zorgvlied

Deze zwart-wit ansichtkaart ‘Groeten uit Zorgvlied’ is vóór 28 december 1929 verstuurd.
Aan de linkerkant is de nog niet verlengde Obadja-kapel van de Nederlands hervormde gemeente aan de Dorpsstraat op Zorgvlied te zien.
Op het zandpad naast de weg -blijkbaar liet de begaanbaarheid van de klinkerweg voor voetgangers te wensen over- staat een vrouw met twee emmers.
De verstuurders van deze kaart waren de familie Sjouke Benthem, Gerrit en Boukje (Baukje ?).
De kaart is verstuurd naar Jan Benthem, Tweede Oostwijkstraat 2 in Steenwijk.
Jan Benthem is de eerste zoon van Wolter Benthem (geboren op 11 juli 1850 op Wateren, overleden op 1 juli 1925 op Wateren) en Baukje Stelma (geboren op 16 juni 1854 in Makkinga, overleden op 28 december 1929 op Wateren). Jan Benthem is geboren op 22 mei 1878 op Wateren. Hij werkte -toen hij de kaart ontving- in Steenwijk bij de N.V. Stoomtabak- en Sigarenfabriek ‘de Tabaksplant’.
Sjouke Benthem is de jongste broer van Jan Benthem. Sjouke Benthem is geboren op 23 december 1891 en is op 2 oktober 1976 overleden in Meppel.
Baukje is de hiervoor genoemde Baukje Stelma, de moeder van Jan en Sjouke Benthem
De redactie moet nog uitzoeken wie de mede-afzender Gerrit is. Gerrit Benthem ?
De uitgever van de kaart is volgens het logo v.d.L te D. De redactie moet nog uitzoeken wie achter dit logo schuil gaat.

Posted in Ansichtkaart, Dorpsstraat, Obadja, Zorgvlied | Leave a comment

De kapelle van Obadja op Zorgvlied

In het online-magazine InWesterveld verscheen op 11 september 2020 het bericht De Obadja kapel in Zorgvlied. Dit bericht is geschreven in het kader van de Open Monumentendagen van 2017, waarbij de gemeente Westenveld gastheer was van de landelijke opening. In dat jaar verschenen in een speciale uitgave van het magazine InWesterveld interessante artikelen over monumenten in de gemeente Westenveld. Vanwege de corona-pandemie zijn de Open Monumentendagen in 2020 niet doorgegaan, vandaar dat het bericht De Obadja kapel in Zorgvlied opnieuw is gepubliceerd in het magazine InWesterveld.
De redactie van ut Deevers Archief heeft toestemming van de redactie van het online-magazine InWesterveld dit bericht in zijn geheel op te nemen in ut Deevers Archief. De redactie van ut Deevers Archief is de redactie van InWesterveld bijzonder erkentelijk voor deze toestemming.

De Obadja kapel in Zorgvlied
Westerveld telt vele monumentale kerkgebouwen. Van de imposante Pancratiuskerk in Diever tot het kleinste stenen kerkje van Drenthe in Leggeloo. De kleinste houten kapel van Drenthe staat in Zorgvlied: De Obadja kapel, een rijksmonument.
Het bijzondere witte kapelletje aan de Dorpsstraat in Zorgvlied werd in 1904 gebouwd en doet nog steeds dienst als hervormde kerk. In de zomermaanden weliswaar, als er veel vakantievierende kerkgangers zijn, want met de huidige negen leden is een kerkdienst in de winter niet rendabel.

Eigen kerk bouwen
Dat was ruim honderd jaar geleden wel anders. Toen moesten de kerkgangers uit Zorgvlied, Oude Willem en Wateren te voet naar Diever. Anderhalf uur heen en anderhalf uur terug over de toen nog niet verharde Bosweg. Tot Wolter Benthem de mensen in de gelagkamer van zijn boerencafé in Wateren uitnodigde voor de wekelijkse kerkdienst. Dominee Kan leidde de diensten. Toen ook die situatie niet ideaal bleek, besloot Benthem het initiatief te nemen voor het bouwen van een eigen kerk. Van de zeventig leden werd een extra bijdrage van 25 cent gevraagd. Daarnaast werden er vanuit het hele land door middel van postwissels diverse bijdragen ontvangen.
Het houten witte kerkgebouwtje verrees binnen zeer korte tijd. Op 18 oktober 1904 werd de eerste steen gelegd (de binnenkant van de houten kerk bestaat uit een halfsteens muur), op 14 december vond de eerste kerkdienst plaats.

Druk bezocht
In de jaren zestig van de vorige eeuw werd het kerkje zo druk bezocht dat er twee diensten werden gehouden om iedereen een plek te kunnen geven. In 1968 werd er een stuk bij de kerk aangebouwd. Daarvoor werd de gehele voorgevel naar voren geplaatst. Maar ook de jaren erna was het kerkgebouw al weer snel te klein en werd een legertent aan het gebouw gekoppeld om mensen onderdak te bieden. In de jaren tachtig bezochten wekelijks 120 mensen het kleine kerkje.

Alle protestanten voelen zich hier thuis
De getallen staat in schril contrast met de huidige situatie, waarbij de kerk slechts negen leden telt. Maar Dirk Ferwerda, voorzitter van de evangelisatievereniging Obadja, die ook het historische pand beheert, is niet pessimistisch. ‘Naast de negen leden hebben we 34 gastleden, mensen die langdurig in een zomerverblijf in de omgeving wonen. Met daarbij nog de losse zomergasten hebben we van april tot eind oktober wekelijks een mooi gevulde kerk. Tijdens de zomermaanden is de kerk met zestig tot zeventig mensen helemaal vol. Gereformeerden, christelijk gereformeerden, hervormden, doopsgezinden, alle protestanten voelen zich hier thuis.’

Gastvrijheid
‘Mensen zijn verrukt van de kleine kapel. Vooral de gastvrijheid en het na afloop met elkaar gezellig een kopje koffie drinken wordt zeer gewaardeerd,’ vult penningmeester Attie Goettsch-Tol aan. ‘Dat geeft een band.’ De kerk heeft een prettige sfeer, met tapijt als vloerbedekking en een aangename temperatuur. ‘Vroeger werd er een kachel gestookt met turf. Kijk, dat was het turfhok.’ Dirk wijst naar het schuurtje naast de kerk. ‘Later kwamen er gaskachels en nu hebben we centrale verwarming.’

Historische waarde
Aan de wand van de kerk hangen foto’s van hoe de kerk en het interieur er vroeger uit heeft gezien. Er was in 1933 een brand in de toren. Later werd een andere toren teruggebouwd. Waar nu losse stoelen staan, stonden in de beginjaren rotanbanken. Later werden er ossenbloedrode houten banken geplaatst.
De evangelisatievereniging is verantwoordelijk voor het onderhoud van het gebouw. Doordat het kerkgebouw als rijksmonument staat geregistreerd heeft de vereniging een grote verantwoordelijkheid. En de vereniging neemt dat heel serieus. ‘We zijn trots op deze mooie kerk en we doen er alles aan om dit in stand te houden. De monumentenwacht komt eens in de twee jaar langs om het pand te controleren en aandachtspunten aan te geven. Dat is zeer prettig, want je krijgt tips om bepaalde onderhoudswerkzaamheden in te plannen.
Dit jaar wordt de houten buitenkant opnieuw in de verf gezet. ‘Dat betekent alle verf er af branden en opnieuw verven. Daarvoor hebben we een contract met een schilder, dat moet je niet als amateur gaan doen.’

Het kerkorgel is ook een monument
Het kerkorgel is als apart monument beschermd. Het eenklaviersorgel, in 1785 gemaakt door J.S. Strumphler, heeft niet altijd in deze kerk gestaan. ‘Het staat er in ieder geval vijftig jaar,’ weet Attie. ‘Er stond eerst een oud kamerorgel. Dit is een bijzonder orgel. Het werd in 1969 gerestaureerd. Ik weet nog dat er ooit binnen het bestuur over werd gesproken om het te vervangen door een elektronisch orgel. Maar goed dat we dat niet hebben gedaan.’

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie heeft in een aantal berichten aandacht besteed aan de evangelisatievereniging Obadja.
In het bericht De Obadja kapel in Zorgvlied zijn vier kleine afbeeldingen opgenomen, die hier in een groter formaat zijn weergegeven. Daarnaast stelde de redactie van het online magazine InWesterveld enige foto’s beschikbaar die te zelfder tijd en te zelfder plaatse zijn gemaakt en niet in het magazine InWesterveld zijn gepubliceerd, maar wel in ut Deevers Archief worden getoond. De maker van deze serie foto’s is Charlie Wessels. Hij heeft deze foto’s gemaakt op 13 juni 2017.

Afbeelding 1 – Voorgevel van de Obadja kapel (© Charlie Wessels)
Afbeelding 2 – Voorgevel van de Obadja kapel met rechts het voormalige turfhok (© Charlie Wessels)

Afbeelding 3 – Voorgevel van de Obadja kapel (© Charlie Wessels)

Afbeelding 4 – Voorgevel van de Obadja kapel met de dr. Jan Harm Pol-bank  (© Charlie Wessels)

Afbeelding 5 – De olde kaarkhof met de achtergevel van de Obadja kapel  (© Charlie Wessels)

Afbeelding 6 – Interieur met het orgel van de Obadja kapel  (© Charlie Wessels)

Afbeelding 7 – Kansel met het orgel van de Obadja kapel  (© Charlie Wessels)

Posted in Obadja, Zorgvlied | Leave a comment

Schor getoeter over de someroam’dheide

Arnold Izaäk Kan Junior is geboren op 26 juni 1871 in Heerjansdam. Hij is overleden op 17 juli 1946 in Velp. Hij promoveerde in 1901 op het onderwerp “Ludwig Feuerbach in zijn verhouding tot de Christelijke Zedenleer”. Hij was tot 12 oktober 1905 hervormd predikant in Boijl (Buil) in Friesland. Hij vertrok vanuit Boijl (Buil) naar Assen.
Arnold Izaäk Kan Junior is de schrijver van de geldbedel-publicatie “Uit verre eenzaamheid”, waarvan de tekst in dit bericht in zijn geheel is weergegeven. In deze publicatie beschrijft Arnold Izaäk Kan Junior de totstandkoming van het kerkje van de ‘Vereniging tot behartiging van Godsdienstige belangen der Hervormden’ op Zorgvlied-Wateren. Lezers werden ten zeerste uitgenodigd geld te geven voor de bouw van het kerkje van de ‘Vereniging tot behartiging van Godsdienstige belangen der Hervormden’. Meer gegevens over Arnold Izaäk Kan Junior zijn te vinden in het boek Encyclopedie van Drente.

Uit verre eenzaamheid (Drente).

Inleiding.
De ondergeteekenden gevoelen zich gedrongen, U te vragen: “Och, lees even dit treffend boekske door !” Het werd door broeder Arnold Izaäk Kan Junior, predikant te Boijl (Weststellingwerf), uit den drang zijns harten geschreven. Het spreekt van hoogst-ernstige, doch ook van hoogst-heerlijke dingen. Het zal u zeggen, hoe fel de zonde woedt, maar ook hoe machtig Gods genade werkt. En als gij er door getroffen, in u de begeerte voelt ontwaken om voor het zendingswerk op dit plekje in ons vaderland iets te doen, dan zijn ondergeteekenden zeer gaarne bereid, Uwe gave in ontvangst te nemen. “Laat ons maar werken, zolang het dag is !”
Dit zij het doel, waarnaar gij streeft
Eens aan den eindpaal uwer wegen
Te mogen denken: “neen ‘k heb niet vergeefs geleefd
Ik was gezegend en tot zegen.”
Amsterdam, October 1904.
Dr. J.Th. de Visser, Keizersgracht 451.
Dr. J.J. van Noort, Nassaukade 82.
Dr. P.A. Klap, Sarphatipark 77.
W. J. Wellensiek, Johannes Verhulststraat 57.

De Dieversche heide.
Na een prachtigen Augustusdag ging de zon onder, en de schaapsherder van Wateren, keerde met zijn kudde terug van de Dieversche heidevelden.
De Drentsche “scheper” is niet meer de man van vroegere tijden, toen menigmaal duizend schapen aan zijn hoede waren toevertrouwd. De nieuwe tijd met practische uitvindingen ook ten bate van onze boeren, heeft de vroeger onmisbare schapenmest minder noodig gemaakt. Velen schaffen hun kudden af, en men leert uit de “Veldpost” of uit andere bladen, of van zijn buurman, hoe men met chilisalpeter en kainiet de stugge heide kan omtooveren in vruchtbaar bouw- en weiland.
Maar – gelukkig voor de poëzie van ons landleven – er zijn hier nog schapen en een schaapskooi, die het terrein zoo teekenachtig maken. Er klinken nog schapebellen, die de stilte op de heide breken, wij hebben nog een poëtischen schaapherder.
In Oosthoorn, zoo vertelt ons Ulfers, was een schaapherder in dienst van één boer. Zo is het bij ons niet. Éen scheper past hier op bijna al de schapen van Wateren, die hun voedsel in de heide moeten vinden. Dat zijn de “drenten”. De friesche schapen, die iedere boer en arbeider houdt, blijven bij huis of op het weiland met beter voedsel om veel melk te geven. De “drenten” worden niet om de melk gehouden en behoeven het dus niet zóó goed te hebben !
Laat in den morgen, als de dauw is opgetrokken, gaan zij naar de heide. Tegen zonsondergang hoort gij een schor getoeter. Men zegt u, dat dit het sein is dat de scheper geeft om de terugkomst aan te kondigen en gij vindt dit getoeter opeens idyllisch. Nu moeten de staldeuren openstaan, de schapen zijn in aantocht, en ieder dier kent en vindt zijn eigen stal, zonder dat iemand behoeft te geleiden.
Wat geeft meer stemming – het schor getoeter over de zomeravondheide – of orchestmuziek in een opgepronkte concertzaal met kunstlicht ?

Toen ik de laatste keer het sein van den scheper hoorde, waren wij juist op weg naar de ouderwetsche dorpsherberg van Wolter Benthem. Wij vonden de dochters op de bank vóór het huis, de lage gelagkamer reeds nagenoeg gevuld met mannen en vrouwen en groote kerkboeken. De boeken echt oud en veel gebruikt door ouders en grootouders, maar misschien door de tegenwoordige bezitters helaas hoofdzakelijk als familieantiquiteit bewaard. Immers kerkgaan is hier geen mode meer. Maar voor dien avond waren de boeken weer eens uit de kast gehaald, want er was een bode rond geweest om aan te zeggen, dat er weer preek en vergadering zou wezen bij Wolter Benthem. En de gelagkamer werd voller. Het jongvolk kwam ook binnen, en meer mannen en vrouwen, tot alle stoelen en banken bezet waren.
Wat was het heerlijk voor mij, daar in die herberg te mogen preeken over den goeden Herder, den Heiland, die innerlijk met ontferming bewogen was over de schare, die vermoeid en verstrooid was ….
Na de preek ging het jongvolk naar huis door den maneschijn, en de vrouwen ook. Maar de mannen stopten hun pijpen en kregen koffie.
En even ernstig en waardig als dit de Oosthoornsche boeren zouden doen, werd er nu vergadering gehouden en werden plannen gemaakt. Want hoe gezellig wij het ook vinden in de landelijke herberg aan den rand van de heide, toch zouden wij liever samen komen in een kerkje, waar dan ook de catechisaties konden gehouden en waar ruimte was voor onze kerstfeestviering om den boom.
Gelukkig schijnt dat verlangen naar een kerkje niet lang meer op vervulling behoeven te wachten. Wij hebben tenminste op dien avond na de preek, al heel wat plannen gemaakt. De dagen werden verdeeld, en bepaald, wanneer telkens een vijf- of zestal mannen de fondamenten uitgraven, en zand zouden kruien; en wanneer de boeren paard en wagen zouden beschikbaar stellen; en welken arbeider als polderjongen reeds met de juiste wijze van graven bekend was, en dus leiding kon geven aan het werk.

’t Was op dien Augustusavond waarlijk niet voor de eerste maal, dat wij daar op die plaats tot dat doel samenkwamen. Wij hadden dit verleden winter, vóór de drukke veldarbeid begon, reeds meermalen gedaan. Ja, daar was in de omgeving van Zorgvlied-Wateren al heel wat gebeurd op maatschappelijk en geestelijk gebied, vóór wij over durfden te gaan tot het uitgraven van de kerkfondamenten.
Toen eenige tientallen jaren geleden slechts een paar Hervormde huisgezinnen in Zorgvlied-Wateren woonden; toen de bevolking nog zóó gering was, dat, bij gebrek aan een eigen school, de kinderen dagelijks uren mochten loopen door het heidezand naar Diever; toen ongeloof en onverschilligheid bij de arbeidende bevolking meer en meer ingang vond, wie zou toen in Zorgvlied-Wateren verlangd hebben naar een evangelieprediking, en wie droomde toen van een Hervormd bedehuis in dit afgelegene, eenzame hoekje van de heide ? Hoe is dat alles zoo wonderlijk anders geworden ? Hoe is er een villadorpje en een toenemende boerenbevolking gekomen op de plaats, vanwaar nauwlijks een halve eeuw geleden op uren afstand geen straatweg te bereiken was ?

Bovenal langs welke paden heeft Gods Geest de harten geleid van zoo velen Zijner kinderen, die jaren lang zonder Hem geleefd hebben, maar die nu belangrijke offers willen brengen, opdat zij geregeld de prediking des Evangelies zouden kunnen horen ?
Gaarne wil ik U daarvan vertellen, zooveel mij daarvan bekend is geworden.
In hoofdzaak maak ik daartoe gebruik van de mededeelingen, aan welke in den vorm van een paar courantenartikeltjes, eenige maanden gelden door de redacties van de Nederlander en de Kerkbode welwillend plaatsing werd verleend.
Langs de grens van den Zuid Oost hoek van Friesland, strekt zich in Drente een groote heidevlakte uit, die omringd wordt door de dorpen Vledder, Diever en Hooger Smilde, en aan den Frieschen kant begrensd door Boijl, Elsloo en Appelscha.
Daar in die heidevlakte is in de laatste halve eeuw een nieuw dorp ontstaan. Een oase in een echte woestijn. De Gelderse heidevelden hielden, met hun heuvels, een veelzijdige afwisseling, wanneer men ze vergelijkt met die vlakke Drentsche eenzaamheid. Maar midden in dat stuk kale oneindigheid staan nu bosschen en huizen een een school, ja zelfs een paar villa’s. ’t Is Zorgvlied-Wateren, een nieuw dorp.

Ieder heeft wel eens gehoord van de Maatschappij van Weldadigheid, maar niet ieder weet, dat haar gebied zich vroeger veel verder uitstrekte dan thans. Tegenwoordig spreekt men hier van de kolonies Willemsoord, Frederiksoord en Boschoord, de laatste op sommige kaarten nog vermeld met den ouden naam Kolonie 7. In vroegere jaren behoorden daarbij ook nog de tegenwoordige bedelaarskolonie Veenhuizen en de bezittingen Zorgvlied en Wateren, toenmaals onontgonnen en onbebouwde vlakten.
Zorgvlied kreeg echter spoedig een eigenaardige bestemming. Nog ten huidigen dage staat daar een ouderwetsch, wit, breed gebouw, ’t welk alle kenmerken draagt, dat het in vroegere jaren deel uitmaakte van een gesticht. En inderdaad zijn er in dat huis heel wat jongens opgevoed, waarvan er velen …. als matroos den grooten oceaan hebben bevaren !
Is het niet kostelijk ? Twee uur gaans van den naasten openbaren verkeersweg, de Drentsche hoofdvaart, midden in de barre heide, een bakermat voor Neêrlands zeehelden ?
En toch is het zoo. De Maatschappij van Weldadigheid had daar namelijk een inrichting tot opvoeding van verwaarloosde jongens uit de groote steden. Er waren soms 70 tot 80 verpleegden. De kalme, rustige natuur zal wel van uitnemende opvoedkundige waarde zijn geweest, maar ’t is toch te begrijpen, dat er niet veel keus van ambachten was.
In het Hervormde kerkje van Elsloo vindt men tegenwoordig nog “de kraak” (galerij) waar de Zorgvliedsche jongens hun zitplaats hadden. Om de beurt werden namelijk godsdienstoefeningen bezocht te Elsloo, Vledder en Oud-Appelscha. Ook in het schilderachtige oude kerkje van laatstgenoemde gemeente, dat eenige jaren geleden is afgebroken, wees men een “kraak” aan, waaraan dezelfde geschiedkundige herinnering verbonden was.
Dat zullen voor die jongens heele tochten geweest zijn door die zandwegen, ’s zomers zoo mul en droog, ’s winters ware modderpoelen !
In deze tijden stonden er te Zorgvlied-Wateren slechts een paar boerderijen.

In 1860 kwam er een andere toestand. Wegens allerlei omstandigheden, die hier voor ons van geen belang zijn, deed de Maatschappij van Weldadigheid in dat jaar afstand van een groot deel hare bezittingen. Het rijk kreeg Veenhuizen, waar de thans nog bestaande rijkswerkinrichting werd opgericht, terwijl Zorgvlied en Wateren in particulier bezit overgingen. De opleidingsschool werd opgeheven.
Op maatschappelijk gebied is deze overgang van onberekenbare waarde geweest voor onze gansche omgeving. Daarover terloops een enkel woord.
De uitgeveende heidevelden op de Oostelijke Zuidgrens van Friesland worden voornamelijk bewoond door een eigenaardige bevolking, afkomstig van kolonisten uit “de Maatschappij”. Het zijn polderwerkers, hooiers, turfmakers, enzovoort, die in de naaste omgeving geen voldoend-loonenden arbeid kunnen vinden, en dus zomers “van huis” moeten. Het schijnt, dat voor deze gezinnen de jaren tusschen 1860 en 70 een moeilijke tijd geweest zijn. Een brochure getiteld: “Open brief aan Klaasje Zevenster” van den toenmaligen predikant van Noordwolde, dr. Ellerts de Haan, geeft een afgrijselijke schilderij van de heerschende bittere ellende. De mandjesmakerij en stoeleninsdustrie, waardoor de Noordwoldensche omgeving thans bekend is, bestond toen nog niet, terwijl de geweldige overbevolking het arbeidsloon bij den landbouw gevaarlijk drukte.
Ik beschouw het nu als een wonderbare uitredding, dan toen ter tijd niet slechts de industrie werd ingevoerd, die voor het groeiende geslacht den toestand geheel zou veranderen, maar ook, dat de eigenaren van Zorgvlied en Wateren op reusachtige schaal de landontginning ondernamen, daartoe in staat gesteld door vorstelijke Indische fortuinen. Het was niets bijzonders wanneer daar dagelijks 300 arbeiders uit onze omgeving wekenlang werk vonden. Uitgestrekte bosschen werden er aangelegd. Zorgvlied is op deze wijze allengs een lustoord geworden, een oase midden in de heidewoestijn.
Maar nog altijd stonden er slechts weinige woningen. Ook daarin kwam verandering, toen Zorgvlied en Wateren in ’t bezit kwamen van den tegenwoordigen eigenaar. Door de energie van mr. Verwer ontstond een dorp. Heide werd ontgonnen tot bouw- en weideland; er kwamen meer en meer boerderijen en arbeiderswoningen. Een sigarenfabriek, kruidenier, bakker, hulppostkantoor, school, hypotheekbank, helaas ook een herberg, geven thans het recht om van Zorgvlied als een dorp te spreken. Sedert een paar jaren is de voormalige zandweg of modderpoel vervangen door een straatweg (Elsloo – Diever), die het dorp met de bewoonde wereld verbindt.
Dit is nu de stoffelijke, gansch niet onbelangrijke, zijde van het Zorgvliedsche vraagstuk.

Toen ik hierboven de gebouwen noemde, die het recht geven om Zorgvlied-Wateren een dorp te noemen, heeft de lezer niets vernomen van een kerk,
Hoe ? een dorp, en geen kerk ?
Laat mij u dan vertellen, om mijn schetsje vollediger te maken, dat de heer Verwer voor zijn Rooms Katholieke geloofsgenooten een kerkje heeft gesticht, maar dat de Hervormden natuurlijk niet zoo gelukkig zijn.
Zorgvlied-Wateren behoort burgerlijk en kerkelijk tot de Gemeente Diever.
Daar staat het kerkgebouw, daar moeten de kinderen gedoopt, daar moeten de catechisaties bezocht, daar moeten de lidmaten bevestigd worden. Daarheen ging men soms ter kerk, als weer en wind gunstig waren of de zandweg niet al te mul of al te moerassig was.
Wat dunkt u over een kerkgang van anderhalf uur heen, en evenlang terug ? Die in het aller westelijkste uithoekje wonen, kunnen in een uurtje naar Boyl of Elsloo gaan.
Maar ik vraag de brave stedelingen en de kerksche dorpsbewoners, die al bang zijn voor een regenbuitje op hun Zondagscvhe kleeren, wanneer zij een kwartiertje ver naar de kerk moeten wandelen; ik vraag of zulke afstanden erg bevorderlijk zijn voor getrouw bezoek aan kerk en catechisatie ?
Voeg daarbij (waarnaar men eens moet informeeren bij dr. Westrik, vroeger te Smilde, nu te Zutfen) het feit, dat in nagenoeg alle dorpen rondom, in het eind der vorige eeuw modernisme en socialisme welig tierden, en dientengevolge het kerkgaan een dwaasheid werd. Is het dan een wonder, dat er ook in ons dorpje weinig geestelijk leven was ?

Enige jaren geleden kwam, Goddank, ook op dit gebied een andere toestand.
Een reizend koopman uit Appelscha, Br. Bisschop, daarin gesteund door zijn toenmaligen predikant ds. Van Lelyveld, deelde “Blijde boodschappen” uit, en andere traktaten.
De bejaarde predikant van Diever, ds. Hingst, begon godsdienstoefeningen te houden in het schoolgebouw te Wateren.
De bijbelcolporteur Van Veenen kwam, gesteund door andere leden der. Chr. Jongelingsvereniging, wekelijks uit Appelscha wandelen over de heide, en hield Zondagsschool in een boerenwoning.
Enige maanden, nadat Van Veenen door het bestuur der Colporteursvereeniging naar Munnekeburen was overgeplaatst, werd, in overleg met ds. Hingst, het werk onder de schooljeugd door mij voortgezet in den vorm van een kindercatechisatie.
Een jaar daarna gaf men de wensch te kennen, dat ook voor de jongelingen en jongedochters godsdienstonderwijs zou gegeven worden. Alzoo geschiedde.
En op het vriendelijke voorstel van den pastor der uitgestrekte, volkrijke Hervormde Gemeente van Diever, droeg haar kerkeraad den herderlijken arbeid onder de Hervormden in het afgelegen dorp op aan schrijver dezes, den wielrijdenden predikant van het aangrenzende kleine Boijl. Zoo is het nu gekomen, dat schrijver dezes in Zorgvlied-Wateren zieken mag bezoeken, begrafenissen leidt en …. steeds meer en meer belangstelling gevoelt voor de belangen van deze nieuwe Gemeente.
Er wordt wel eens verteld van predikanten, die het zich maar niet kunnen begrijpen, dat wij hier in het Noorden zoo blijmoedig kunnen spreken in die benauwde Evangelisatielokaaltjes. Zij hebben kathedralen noodig !
Wat zou zulk een redenaar vreemd opkijken van onze samenkomsten in een gelagkamer !
Vóór dat de pas aangelegde straatweg naar Diever het boschrijke Wateren verlaat, en de reiziger plotseling eindelooze heide voor zich ziet, komt men aan de gezellige dorpsherberg van Wolter Benthem. Ja, een geheelonthouder schrijft het; de gezellige dorpsherberg aan den rand van het bosch !
’t Was op een Woensdagavond in Februari jongst leden, toen wij voor de eerste maal daar Godsdienstoefening hielden. Wij hebben daar gebeden, gezongen en gepreekt. En inzonderheid baden wij om een zegen op onze plannen. Want wij wilden zoo graag een heel bescheiden gebouwtje hebben, voor het Godsdienstonderwijs, voor onze Godsdienstoefeningen, voor Christelijke vereenigingen.
Sedert dien avond is er nog menige avondpreek gehouden in die gastvrije kamer, voor de nieuw zich vormende gemeente in het nieuwe dorp. Maar ook menigmaal hebben wij er over beraadslaagd, wat wij toch doen konden om de opbloeiende belangstelling in stand te houden, en een eigen “kerkje” te krijgen.
Het resultaat is, dat wij hebben opgericht een vereeniging van ruim 70 leden, wier grondslag is het geloof in Jezus Christus, den Zoon van God, den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker. Die overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt is om onze rechtvaardigmaking. Leden zijn, Hervormde mannen en vrouwen, die zich op bovengenoemden grondslag willen aansluiten, den leeftijd van 18 jaar bereikt hebben, en een kleine contributie van minstens f. 0,25 betalen.
De Statuten der Vereeniging zijn naar Den Haag gezonden, en wij ontvingen de Koninklijke goedkeuring.
Maar …. men denkt toch niet te hoog van den rijkdom, en de weelde bij eenvoudige heideboertjes ? Weet gij ook wel, dat er in Zorgvlied en Wateren bijna niets dan pachtboeren wonen, en dat ongeveer de helft der bewoners uit arbeiders bestaat ?
De levensstandaard is allereenvoudigst, ja de stedelijke fabrieksarbeider of ambachtsman zou verbaasd staan, als hij zag, dat allerlei hem onmisbare levensbehoeften, hier nog ongekende weelde zijn. Onder de belangstellende Hervormden is slechts één villabewoner.
Welnu, getuigt het dan niet van grote offervaardigheid en belangstelling, wanneer er in dit kringetje ruim 250 (tweehonderd en vijftig) gulden is samen gebracht voor een kerkje ?
Maar er is reeds meer gedaan.
Weet men wat het zeggen wil, wanneer hier een arbeider zijn daghuur verzuimen moet, of wanneer een kleine boer in het voorjaar zijn eigen werk laat liggen ?
Zoo hebben onze mannen samen gewerkt, hout gehakt, boomwortels uitgerooid; kortom een terrein klaar gemaakt, waar, midden in het lieflijke groen, nu plaats is voor “een eigen kerkje”.
Daarna hebben zij nu ook onlangs den grond voor de fondamenenten uitgegraven en wit zand ingekruid, zoodat bij het bouwen nagenoeg geen kosten meer voor het grondwerk behoeven gemaakt te worden.

Maar voor ruim f. 250 kan men geen kerkje krijgen. ’t Is waar, dat in vroegere jaren hier in onze omgeving menigeen een plaggen hut bouwde en voor minder dan f. 100 meende een fatsoenlijke woning te bezitten, maar voor een bedehuis, al wordt het nog zoo sober ingericht, zal men bovengenoemd bedrag wel wat heel gering achten !
Wij hebben eerst advertenties geplaatst en op aanbiedingen geschreven, om voor oud een houten gebouw te koopen. Maar daarin slaagden wij niet.
Toen heeft de heer Meek, architect te Donkerbroek, een allereenvoudigst, net plan voor ons gemaakt, een houten gebouwtje op steenen grondslag, en als de boeren hun paard en wagen beschikbaar stelden, zouden de kosten – zonder het schilderen, zonder banken en verdere meubels – ongeveer duizend gulden hebben bedragen.
Maar hoe nu aan dit geld te komen ?
Gelijk hierboven reeds is medegedeeld, werden in een paar bladen, eenige mededelingen over Zorgvlied-Wateren opgenomen, en vroegen wij om geldelijke steun.
Tot onze grote blijdschap is men ons heerlijk te hulp gekomen. Velen hebben ons reeds hun gaven gezonden. De postbode bracht massa’s postwissels en vele aangeteekende brieven.
Toch zijn wij – alles te samen – niet hooger gekomen dan f. 1050. Hoe komen we nu aan banken ? Hoe bekostigen wij nu het verfwerk, en de lampen, en een kacheltje ?
Daarbij moeten wij nog iets bekend maken.
Van bevoegde zijde, ja zelfs door meer dan een gever, werd ons de raad gegeven: “bouwt uw kerkje toch niet van hout, maar gebruikt steenen !”
Eerst durfden wij naar dien mooien raad niet luisteren.
Juist omdat wij wisten, hoeveel er in ons land voor velerlei doeleinden wordt gevraagd en gegeven. Juist omdat wij beseffen, dat ons kerkje hoofdzakelijk van bijeengebedeld materiaal moet worden opgebouwd – daarom wilden en durfden wij niet meer dan het noodige vragen – daarom wilden wij zoo eenvoudig mogelijk onze plannen maken.
Maar toch hebben wij ten slotte geluisterd naar de vriendelijke stemmen van hen, die ons opwekken, dat wij toch niet op het aller zuinigst moeten bouwen; en na wekenlang dralen en overleggen en berekenen zijn de plannen nu eenigszins gewijzigd.
Wij hopen nu, dat de belangstellende vrienden, wier verdere hulp wij moeten inroepen, ons niet van verkwisting en onbescheidenheid zullen beschuldigen.
Het kopje op het dak zal iets minder kaal worden dan volgens ’t eerste plan; de ruimte voor 50-60 personen zij iets minder benepen; de pannen iets solieder. En vooral: de muren zullen, ter afwering van zomerhitte en winterkoude, niet slechts van planken worden gemaakt, maar aan de binnenkant versterkt door een kwarto-steenen beschutting.
Dit eischt f. 400 extra ! En dan het schilderen, en de banken !
Vriendelijke lezer, voelt gij eenige belangstelling voor de nieuwe gemeente die hier in ons afgelegen hoekje in wording is ?
Ons kringetje breidt zich uit. De toestanden zijn van dien aard, dat steeds meer Hervormden zich in Zorgvlied-Wateren vestigen, en terwijl helaas in tal van steden en dorpen de tijdgeest afkeerig is van Evangelie en kerk, vinden wij hier het merkwaardige verschijnsel dat verreweg de meeste Hervormden metterdaad toonen, dat zij voor zich zelven een geregelde Evangelisatieprediking verlangen, en hun kinderen merkwaardig getrouw ter catechisatie zenden.

Zijt gij dezen zomer op het zendingsfeest te Middachten geweest ?
Daar sprak dominee H. Pierson van Zetten zoo fijn over den Macedonischen man, en stelde ons voor de vraag of de roepstem van dien Griek berustte op waan, op werkelijheid of op waarheid ?
Men zal mij misschien vragen, of mijn vrienden in het nieuwe dorpje, reeds krachtig aangegrepen zijn door de Heilge Geest en aldus ontwaakt, roepen om het Evangelie ? Of dat zij misschien reeds zoozeer gezien hebben de heerlijkheid van het Koninkrijks Gods, dat zij alles opofferen voor den Heiland ?
En dan antwoord ik met een paar wedervragen.
Is het niet waar, dat ook mijn vrienden hier in het heidedorpje geroepen zijn, en daarom geroepen moeten worden tot de heerlijkheid van het kindschap Gods ?
Is het niet wonderlijk, dat hier door Gods leidingen de deuren wijd geopend zijn ?
Is het niet een teeken van bereidheid des harten, dat geld en tijd en arbeid geofferd worden ?

Het antwoord, dat ik op deze vragen meen te moeten geven, schonk mij de vrijmoedigheid om uwe hulp in te roepen. Hoezeer ook ik het gevaar vrees, om zelfgekozen paadjes te verwarren met Gods wegen, toch geloof ik vast, dat de arbeid in deze nieuwe en groeiende gemeente, duidelijk door ’s Heeren leidingen is aangewezen. Dat geeft mij moed, ja dat dringt mij, uw hulp in te roepen. U dringe de liefde van Christus !

Dr. Arnold Izaäk Kan Junior
Hervormd Predikant
Boijl (Weststellingwef)
19 October 1904.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De moeder van de redactie is in 1918 geboren op Woater’n en woonde tot 1945 op Woater’n en op Zorgvlied. Zij heeft als jong meisje de laatste scheper van Woater’n nog gekend. Zij herinnerde zich zijn naam. Hij was Siebrand Donker. Ut was moar un klein mannegie. Ze wist dat Siebrand Donker tijdens het schapen hoeden op bestelling wollen sokken breide. Hij kon enige paren sokken per dag breien. Zijn echte voornaam was Sijbrand, maar werd in het dialect uitgesproken als Siebrand. Sijbrand Donker is op 31 oktober 1861 geboren in Makkinga. Hij is op 18 april 1929 op 67-jarige leeftijd overleden op Woater’n.

Posted in De aandere kaante van de bos, Obadja, Wateren, Zorgvlied | Leave a comment

Dineeren bij de familie Verwer op ’t Heerenhuis

In de verzameling van ut Deevers Archief is aanwezig een bijzonder fraaie cultuurhistorische aanwinst, te weten een beschreven ansichtkaart uit 1906, dus uit de begintijd van Zorgvlied. De redactie van ut Deevers Archief wil zijn zeer gewaardeerde trouwe bezoekers een afbeelding van deze aanwinst natuurlijk niet onthouden.

De ansichtkaart is op 12 oktober 1906 vanuit Zorgvlied verstuurd naar Amsterdam, waar het al op 13 oktober 1906 bij de geadresseerde aankwam. De afzender, ene juffrouw Cato, woonde in ’t Witte Huis naast het oude Rooms Katholieke kerkje.

De tekst op de aan de voor en achterkant beschreven ansichtkaart luidt als volgt:
B, D en Chr, Een hartelijken groet van mij uit Zorgvlied. Hoe maken jullie het ? Nog steeds naar omstandigheden redelijk wel ? Hebt ge nog geen nieuws mede te delen ? Tweemaal per dag komt de post hier en dan kijk ik reikhalzend uit, doch tot heden nog geen nieuws. Ik maak het best en profiteer den geheelen dag van de buitenlucht, ’t is hier nog volop zomer. De natuur vooral de bosschen zijn hier prachtig. a.s. Zondag gaan wij dineeren bij de familie Verwer op ’t Heerenhuis. Jammer dat geen der beide villa’s hier op staan, alleen de Bank. Nu adieu, houdt je maar goed Door, misschien hoor ik nog wel wat.
Hartelijke groeten van Jan, Elsa en Agnes en een zoen van je liefhebbende Cato.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De ansichtkaart met de titel ‘Groete uit Zorgvlied bij Noordwolde (Fr.)’ laat een foto van zes objecten zien: de protestantse kerk (Obadja) (bestaat nog), de sigarenfabriek van Lodewijk Guillaume Verwer (bestaat nog), villa Laanzicht (steet an de Deeverbrogge), het eerste rooms katholieke kerkje (bestaat niet meer), het pand van de noordelijke hypotheekbank (bestaat nog) en de winkel van Wollfs (bestaat niet meer in de oorspronkelijke vorm).
De zes foto’s zijn gemaakt door de in Deever geboren huisschilder, kunstschilder en fotograaf Roelof Kuiper uit Noordwolde. Roelof Kuiper was ook de maker van de plafondbeschilderingen in ‘Heerenhuis, dat in de volksmond niet ’t Heerenhuis maar ’t Kastiel werd genoemd.
De schrijfster van de tekst op de ansichtkaart bedoelt met ‘beide villa’s’, de villa ‘Het Witte Huis’ en de villa ‘Castra Vetera’.

Op 22 oktober 2014 ontving de redactie van ut Deevers Archief de volgende reactie:
Ik heb even op de website van ut Dievers Archief gekeken. Daar werd onder meer bericht dat men een interessante ansichtkaart had verworven. Mijn aandacht werd echter niet zozeer getrokken door de afbeeldingen op de ansichtkaart, maar wel door het bestemmingsadres in Amsterdam. Dat bleek het toenmalige adres te zijn van de grootouders van mijn echtgenote. De afzender, die op vakantie was in Diever, had op de kaart geschreven dat men zeer benieuwd was of er al iets te melden was. De kaart is verzonden op 12 oktober 1905. Uit andere bronnen weten we dat enkele dagen nadien in Amsterdam een dochter werd geboren. Dat was de tante met wie mijn echtgenote later een bijzondere band heeft gehad. Hoeveel toevalligheden komen hier tezamen ?

Posted in Aarfgood, Ansichtkaart, De aandere kaante van de bos, Lodewijk Guillaume Verwer, Noordelijke Hypotheekbank, Obadja, Rooms Katholieke Kerk, Topstuk, Villa Aurora, Villa Laanzicht | Leave a comment

Ut olde kaarkhof aachter de kepelle van Obadja

In de Provinciale Drentsche en Asser Courant verscheen op 3 april 1918 een verslag van de raadsvergadering van de gemiente Deever, gehouden op 25 maart 1918. Uit het raadsverslag is het volgende stukje tekst geciteerd.

Naar aanleiding van een adres van de Vereeniging tot behartiging van de godsdienstige belangen der Hervormden te Zorgvlied-Wateren, wordt aan die vereeniging onder zekere voorwaarden een subsidie van f. 200 toegekend voor de oprichting eener bijzondere begraafplaats te Zorgvlied.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De kaarkhof wödde in 1918 anelegd aachter de kepelle van de evangelisasievureening Obadja. 
De redactie heeft bijgaande drie kleurenfoto’s van disse olde kaarkhof op woensdag 6 november 2019 tegen het vallen van de avond met het fraaie licht van de ondergaande zon gemaakt.

Posted in Obadja, Zorgvlied | Leave a comment

De kapelle van Obadja op Zorgvlied

In het in 1999 verschenen Deeverse fotoboekje ‘Diever, ie bint ’t wel …’ is de volgende tekst opgenomen bij afbeelding 15, zijnde een afbeelding van de oudste ansichtkaart van het kerkje van de ‘Vereniging tot behartiging van Godsdienstige belangen der Hervormden’  op Zorgvlied. Deze vereniging werd later ‘Evangelisatievereniging Obadja’ genoemd. Deze ansichtkaart is in 1908 uitgegeven.

15 – Zorgvlied – Kapel van de Evangelisatievereniging Obadja – 1908
Op 4 februari 1904 werd onder leiding van predikant dr. Arnold Izak Kan de ‘Vereniging tot behartiging van Godsdienstige belangen der Hervormden’ opgericht in het boerencafé van Wolter Benthem. De vereniging werd goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 10 mei 1904.
Al op 18 oktober 1904 werd begonnen met de bouw van een eenvoudige kapel.
Deze is ontworpen door architect O.M. Meek uit Donkerbroek. De prijs van de houten kapel met stenen fundamenten, met uitzondering van het schilderwerk en het meubilair, werd begroot op duizend gulden.
Het werk is uitgevoerd door aannemer B. Offringa uit Makkinga. Het grondwerk is door de leden zelf gedaan. Andere leden voerden met boerenwagens de bouwmaterialen aan.
Al op 14 december 1904 werd de kapel in gebruik genomen. In het begin werd eens in de twee weken ’s avonds een dienst gehouden, omdat de evangelisatieverenigng te weinig geld had om alleen een voorganger te kunnen betalen.
In 1908 werd het bos rond de kapel gerooid en werd bij de weg een hek geplaatst.
In 1915 werd de zondagschool opgericht.
In 1916 werd de erfpacht van het terrein voor 10 gulden afgekocht van mevrouw Johanna van Wensen, weduwe van mr. Lodewijk Guillaume Verwer.
In 1918 werd achter deze kapel een begraafplaats aangelegd. De gemeente Diever gaf daarvoor een subsidie van 250 gulden.
In 1928 kon eindelijk samen met de rechtzinnig Hervormde Kerk in Boijl een eigen evangelist worden aangetrokken.
De vereniging kocht het Amsterdamse huis van Paulus Mulder om de voorganger te kunnen huisvesten. Het huis werd in 1929 in gebruik genomen door evangelist Hendrik Betten en zijn gezin. Hij bleef de kerkgemeenschap tot aan zijn dood op zondag 2 februari 1947 dienen.
In 1932 werd het fraaie torentje door een blikseminslag vernield. Daarvoor in de plaats kwam een degelijk rechtlijnig exemplaar.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Uit het Beleidsplan 2015-2015 van de Hervormde Gemeente te Diever van de Kerkenraad van de Hervormde Gemeente Diever van 8 oktober 2014 is het volgende belangwekkende citaat overgenomen:
De hervormde houten kapel te Zorgvlied is van de Nederlandse hervormde evangelisatievereniging. De kapel dateert uit 1904 en werd gebouwd door de ‘Vereniging tot behartiging van Godsdienstige Belangen der Hervormden’, later kreeg zij de naam Obadja.
De evangelisatievereniging is opgezet vanuit de hervormde gemeente Diever als afstandsevangelisatie. Later is de evangelisatie meer een richtingsevangelisatie geworden.
Tussen de evangelisatievereniging en de kerkenraad van de hervormde gemeente Diever is een plaatselijke regeling opgesteld. De kerkenraad van de hervormde gemeente Diever heeft 1 (één) boventallige ouderling en 1 (één) boventallige diaken ten behoeve van de evangelisatievereniging Obadja. Eén keer per jaar worden de ambtsdragers met een bijzondere opdracht en het bestuur van de evangelisatievereniging Obadja uitgenodigd voor een moderamenvergadering.
Het bijbelboek Obadja is het vierde boek van de kleine profeten en is volgens het opschrift van het boek geschreven door de profeet Obadja. Zijn naam betekent ‘Dienaar van God’.
Op 14 juli 1932 verscheen in de krant ‘de Telegraaf’ het volgende korte bericht over de brand in het houten torentje van de houten kapel van de hervormde evangelisatievereniging:
In Zorgvlied sloeg de bliksem in een kerktoren welke in brand geraakte, doch met vereende krachten wist men het vuur te blusschen.

Abracadabra-1636

 

Posted in Ansichtkaart, De aandere kaante van de bos, Lodewijk Guillaume Verwer, Obadja, Zorgvlied | Leave a comment

Ansichtkaarten van de kapel van Obadja op Zorgvlied

In het fotoboekje met de snorkerige titel ‘De historie en prehistorie van Diever in woord en beeld’ van de in Deever geboren, echter bij leven in Westervelde bij Norg wonende Arend Mulder (zoon van Jan Mulder, die in de volksmond Jan Boartie werd genoemd) is op de laatste bladzijde (bladzijde 140) enig aandacht besteed aan de houten kapel van de hervormde evangelisatievereniging op Zorgvlied.
Bij de foto op bladzijde 140 uit het genoemde boekje is de volgende tekst vermeld:
Dit zo vriendelijk aandoend houten kapelletje dateert van plusminus 1904 en werd gebouwd voor de vereniging tot behartiging van de godsdienstige belangen te Zorgvlied en kreeg later de naam Obadja. In 1968 werd er vóór een gedeelte aangebouwd, zoals op de foto duidelijk is te zien. Eerste evangelist van de evangelisatievereniging was de heer Hendrik Betten te Zorgvlied, aldaar overleden op 2 februari 1947. Achter de kapel vindt men een klein kerkhof.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De foto die op bladzijde 140 van het fotoboekje van Arend Mulder staat, is hier niet afgebeeld.
Op de eerste foto is de houten kapel van vóór de uitbreiding te zien. De hier getoonde foto is gebruikt op een ansichtkaart die in 1968 is verzonden, dus vlak voor de verbouwing van de houten kapel. Deze ansichtkaart is aanwezig in de verzameling van het Deevers Archief. De ansichtkaart is uitgegeven door A.v.d. Heide, Levensmiddelenbedrijf, Zorgvlied, telefoon 7242. Deze ansichtkaart is nota bene ná de verbouwing in juni 1972 en augustus 1973 nog een keer uitgegeven door A.v.d.Heide, Levensmiddelenbedrijf, Zorgvlied, telefoon 7242.
Op de tweede foto is de houten kapel ná de verbouwing te zien. Duidelijk is aan de voorkant het nieuwe gedeelte te zien. De vraag is of bij de uitbreiding het oude torentje en de oude voorgevel zijn vervangen of weer zijn gebruikt ? Zo te zien is de verbouwing nog niet helemaal af, want bij het nieuwe gedeelte ontbreekt de dakgoot. De hier getoonde foto is gebruikt op een ansichtkaart die in juni 1969 is uitgegeven door Villa Nova, Zorgvlied, telefoon  05212-7212. Deze ansichtkaart is aanwezig in de verzameling van het Deevers Archief.

Abracadabra-1637Abracadabra-1638

Posted in Ansichtkaart, De aandere kaante van de bos, Obadja, Zorgvlied | Leave a comment