Category Archives: Jongenskamp de Eikenhorst

Jongen uut groep Alaska in de Eikenhorst op de foto

De heer Frans Bakkers stuurde bijgaande zwart-wit foto’s uit zijn tijd dat hij deel uitmaakte van groep Alaska in jongenskamp de Eikenhorst an de Gowe. Frans Bakkers heeft in de periode augustus 1965 tot juli 1966 in het kamp gezeten.
Hij zat in groep Alaska met onder andere Martin Kievits, Harm Kuiper(s), Henk Linthorst, Rob Malta, Herman Kreft, René in ’t Veen en Wim Paling.
Wie herkent de jongens op de foto’s ? De redactie van Ut Deevers Archief verneemt het graag.

Op 16 april 2022 ontving de redactie de volgende reactie van de heer Martin Kievits bij afbeelding 1
Op deze foto staat Wim Kempe uiterst rechts.
Ha, voor het eerst een foto waar ik op sta ! Heel fijn !!

Afbeelding 1
Deze foto van de jongens van groep Alaska is gemaakt op 27 september 1965. Normaal bestond de groep uit 16 jongens. Deze foto is gemaakt op het moment dat jongens naar huis zijn gegaan en de nieuwe jongens nog moesten komen. De maker van deze foto is Frans Bakkers. Wie van de hiervoor genoemde jongens staat op deze foto ? Wie herkent de jongens ? De staande man in het midden is de leider Gerard Blikman.
De heer Frans Bakkers reageerde op 14 januari 2022 als volgt: 

Boven van links naar rechtes: Marius van Gorp, Rob Malta, Harm Kuiper(s), leider Gerard Blikman, Martin Kievits en Wim Kempe.
Onder van links naar naar rechts: ……., Herman Kreft, René in ’t Veen, ……
Afbeelding 2
Deze foto van dezelfde jongens van groep Alaska is eveneens gemaakt op 27 september 1965. De maker van deze foto is leider Gerard Blikman.

Afbeelding 3

Deze foto is gemaakt op 13 juni 1966 bij een bezoek aan een juffrouw. Welke juffrouw ? De maker van deze foto is Frans Bakkers.
De heer Frans Bakkers reageerde op 14 januari 2022 als volgt:
Linker jongen……., kwam van een andere groep (Transvaal?), de naam van de juf is mij niet meer bekend; ze was wel heel populair !, Henk Linthorst en Rob Malta.
Afbeelding 4

Deze foto is gemaakt op 13 juni 1966 bij een bezoek aan een juffrouw. Welke juffrouw ? Waarschijnlijk moesten de jongens een tekening van het gezicht van de juffrouw maken. Waarschijnlijk heeft de juffrouw deze foto gemaakt.
De heer Frans Bakkers reageerde op 14 januari 2022 als volgt:
Links Frans Bakkers en rechts Henk Linthorst, die heel goed paarden kon tekenen. We moesten geen tekening maken, het was een spontane actie.

 

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Un joar rond in ut kaamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe

De heer Frans Bakkers stuurde op 2 januari 2022 zijn verhaal over zijn verblijf van een jaar in de periode augustus 1965 tot juli 1966 in jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe naar de redactie van ut Deevers Archief. Het is de eerste keer dat in ut Deevers Archief zo’n uitgebreide en gedetailleerde verhaal is opgenomen. De redactie is de heer Frans Bakkers bijzonder erkentelijk voor het mogen publiceren van zijn ‘boekje’. 

Thuis
Zesde klas lagere school, een saaie tijd. Streng, geen vrijheid; terwijl je toch al twaalf jaar bent. De tandartsbus voor het schoolgebouw, elke dag dat hij aanwezig was moest je over de elektriciteitskabels stappen, die er voor zorgden dat er geboord kon worden. Volgens mij vooral door pas afgestudeerden. Gezien de status van mijn huidige tanden, met onder meer tien kronen, meen ik hierover mee te kunnen praten en zelfs een oordeel te kunnen vellen. Gymnastiek bestond uit het gooien met een tennisbal, de meester deed zelf mee en kon gruwelijk hard gooien. Nog steeds ben ik er van overtuigd dat hij deze les gebruikte om ons de oren te wassen. Het spel bestond er uit om met twee personen mensen af te gooien, degene die af waren gingen de gooiers helpen, enzovoort. Die meester tevens hoofdmeester had er dus een sadistisch genoegen in om iemand dat te laten voelen. Dat laten voelen paste hij ook bij het volgende toe. Als je iets had gedaan moest je op je knieën zitten en hij sloeg je dan onverwachts keihard van achteren tegen je oren, of de zijkant van je gezicht. Het was een grote kaarsrechte man met een streng uiterlijk. Hij was onberispelijk gekleed in een grijs pak. Hij articuleerde scherp en had een messcherpe scheiding in zijn eveneens grijze haar. De naam van de school: Sint Jozef.

Het is 1965, we woonden in een klein provinciedorpje, met in de buurt een “modern” winkelcentrum. De huizen noemde men Zweedse bungalows en stonden op ruime kavels met veel plantsoenen er omheen. Vaak afgescheiden door groene ijzeren buizen met betonnen paaltjes. De woningen waren huurhuizen en eigendom van Philips, zoals bijna alles in die tijd. Ze waren vooral klein, maar dat wende, en gehorig, dat wende nooit. Zeker niet als je net als ik sliep in de kamer die grensde aan het huis van de buren. Deze buren hadden een van de eerste stereo-installaties. Enkelsteens muren tussen twee huizen, de rest was van hout. In de zomer te warm, in de winter te koud. Tot mijn zesde jaar had ik ergens anders gewoond. Het was nog steeds wennen. Vader werkte bij Philips en moeder thuis. Mijn broer was vijf jaar jonger en dus niet direct speelkameraad. Weinig vrienden, weinig speelmogelijkheden, geen speelterrein en op het grasveld mocht je niet komen. Geen andere mogelijkheden in de buurt, alleen de smalle gangen tussen de huizen bij de achtertuinen en de rijk beplante plantsoenen.
Cowboy spelen met een zo echt mogelijk holster en idem revolver. Soms zelfs een hoed en een vestje met franjes. De tv gaf cowboyfilms en Ivanhoe, toen James Bond nog ridder was. Niet te vergeten Pipo de Clown en de Verrekijker, een soort jeugdjournaal, maar dan niet actueel. Verder was ik lid van de welpen op zaterdagmiddag, in korte manchesterbroek, prikkende groene trui, afgemaakt met lange wollen sokken en een groen petje. Langzaam opgeklommen tot gids van het grijze nest. Toch wel leuke middagen gehad onder leiding van de akela en haar helpsters.

Thuis was het zwaar, moeder was veel ziek en in ziekenhuizen. Weinig sfeer, gezelligheid en warmte. Geen genegenheid, wel ziekenbezoek en gezinsverzorgsters. ’s Morgens, ‘s middags en vroeg in de avond gezinsverzorgster. Geen moeder zelfs geen surrogaat moeder, soms waren ze leuk, maar meestal niet. Daarna naar het ziekenhuis achter op de brommer. Sfeerloze, witte, steriele, massale ziekenhuiszalen. Steeds maar weer, gedurende lange perioden in elk jaargetijde. Voor iedereen verschrikkelijk moeilijk. Op de eerste plaats natuurlijk voor mijn moeder. In die tijd moet de basis zijn gelegd voor de enorme hekel aan dat soort instellingen en aan het moeten van dergelijke verplichte bezoeken. Mijn pleegvader deed zijn best, maar kon nooit echte genegenheid voor mij opbrengen. Dat hij mijn pleegvader was en niet mijn natuurlijke vader vernam ik pas op vijfentwintigjarige leeftijd en dat was van een kant een pijnlijk moment, maar toch ook een niet onbegrijpelijke onthulling.

Augustus
Niet warm en niet koud met volop groen in het Drentse bos. De zon scheen niet en het was somber, eigenlijk te somber voor zo’ n toch al moeilijke dag. Juist dan is het haast onmogelijk de toekomst positief te zien. Toch zou dit de plek zijn waar ik de komende twaalf maanden zou wonen. Internaat de “Eikenhorst” te Geeuwenbrug. Sinds 1946 een internaat voor jongens in de leeftijd van tien tot veertien jaar. We waren vroeg vertrokken uit Brabant met de trein van Eindhoven naar Meppel, vandaar met de bus langs de Drentse hoofdvaart naar de eindbestemming. Tijdens deze busrit ontmoette ik de eerste groepsgenoot; Rob Malta een lange blonde jongen uit Schiedam. Hij was ook nieuw en voor het eerst op weg naar een plek die hij nog nooit gezien had. Na een korte ontvangst in het staflokaal werden we voorgesteld aan onze gidsen. Humprey, de jongen die mij rondleidde, was gek op de natuur. De nieuwsgierige vragen die ik stelde werden nauwelijks beantwoord. Hij had alleen oog voor de vrije middag die hij in deze functie cadeau kreeg. Terwijl ik wilde weten wat me te wachten stond. Wat wel en wat niet mocht. Vooral het dagelijkse leven, dat had mijn belangstelling. Zodoende verbleef ik een lange middag wanhopig in een onbekend en donker bos.

Tegen etenstijd kwamen we terug. Mijn ouders waren inmiddels vertrokken. Achteraf logisch, gezien de reisafstand van Drente naar Brabant, maar op dat moment pijnlijk zwaar. Ik was twaalf jaar en had nauwelijks iets gezien van Nederland. De dagen die ik niet bij mijn ouders had doorgebracht waren op twee handen te tellen. Nimmer had ik op één dag zover gereisd. Dus kwam Drente hard aan.” Het zal goed zijn tegen de migraine“, had de specialist gezegd…, ” en hij zal daarna de wereld beter aankunnen !”

Voordat we naar de etenszaal gingen moesten we onze handen wassen, aldus mijn gids. Via een halletje bereikten we de slaapbarak, die zijn naam eer aan deed. Zestien bedden op een zaal, ‘n geboende oude houten vloer, zes wastafels, twee toiletten, twee kamers voor de leiding en een groepslokaal met duivenkooi en ‘n oude oliekachel. Naast elk bed stond een kast voor al je spullen. Het zag er wel allemaal netjes uit, maar de privacy was voorbij. De bel klonk en via een grindpad ging het licht opwaarts naar de eetzaal. Ongeveer honderd en vijftig meter lopen en dat voortaan elke dag drie keer. Nog vaker zou ik de bel horen die luidde bij aanvang van de etenstijden, schoollessen, eigenlijk bij het begin en einde van alle activiteiten. Over het hele kampterrein klonk zijn geluid, hij gaf het levensritme aan van het internaatleven. Het was een zware koperen klok van ongeveer vijftig centimeter hoogte; opgehangen aan een dikke balk. Het luiden van de klok op momenten dat dit niet de bedoeling was betekende ‘n fikse straf. Wat een verschil tussen het hier en thuis gaan eten. Het was in ieder geval niet ongezellig. De directeur heette ons vriendelijk welkom en er waren veel starende blikken. Een rood vlaggetje moest geprikt worden op de plaats waar je vandaan kwam. Daartoe was ‘Nederland’ op zachtboard vervaardigd en aan de muur gehangen. Mijn woonplaats was Veldhoven. Een snelle blik leerde dat Amsterdam rood zag van de vlaggetjes. Rotterdam was tweede, de rest redelijk verspreid: Boskoop, Maastricht, Veendam, Den Haag, Haarlem, Utrecht, Den Bosch, enzovoort. Een van de leiders gaf de mogelijkheid aan tot gebed voor de gelovigen onder ons. Aan elke tafel zaten 8 jongens en een leider of leidster. Iedereen was hulpvaardig en het werd duidelijk dat hier met mes en vork werd gegeten. De tafel was goed gevuld en de mededeling dat we de beste kok van Nederland hadden klonk ongeloofwaardig, maar wel zeer positief ! Eten werd scheuren genoemd en had betrekking op de snelheid, maar wel met mes en vork.

De avond kende geen programma en werd daarom gevuld met het rondhangen door kleine groepjes in en rondom de barak. De bosgids beschouwde zijn werk als afgedaan. Sterker nog hij begon zonder opgaaf van reden te vechten met mij. Dit terwijl de eerste gevoelens van heimwee opkwamen tegelijkertijd met het vallen van de avond. De groepsgenoot was sterker, had meer ervaring, geen beginnersangst en was gespierd door het buitenleven. Geen echte tranen, maar wel natte ogen en gevoelens van onmacht. Er waren minstens tien getuigen en veel gezichtsverlies. Ook dat was wennen. Nooit meer echt alleen. De groepsleider met baard en alles, zoals het in die tijd hoorde, gaf het sein om naar bed te gaan. Het bleek dat hij geen gezag had. Na veel gerotzooi en onduidelijke instructies lag iedereen om half tien in bed.

Gepraat, gefluister, onrust, zestien jongens in één ruimte, dat was nieuw. Jongens in de leeftijd van tien tot veertien jaar, die allemaal van huis weg waren, om gezondheidsredenen, huiselijke omstandigheden, gezinsproblemen , enzovoort.
Mensen die de wereld wilden ontdekken, maar die ook nog de warmte en vertrouwdheid van een gezin nodig hadden. Zo’n eerste dag met zoveel indrukken en gevoelens, wreed verstoort doordat plotseling het licht aanging en de directeur met enkele leiders binnenkwam. Iedereen voor de bedden, half slaperig en angstig.
Het bleek dat twee jongens die dag buiten het terrein waren geweest en wel zonder toestemming. Beide boosdoeners kregen een behoorlijk pak slaag op hun achterste en daarna keerde de rust weer terug. De directeur was een man om niet mee te spotten, hij zag er indrukwekkend streng uit met zijn kalende hoofd en de lange geplakte haren. Ook zijn scherpe raspende stem dwong respect af. Voor mij weer een negatieve ervaring. Er was zoveel te verwerken in korte tijd.

De weken die volgden vlogen razendsnel voorbij. Ik had weinig tijd om aan huis te denken of aan wat dan ook. Het leven werd bepaald door schema’s. Natuurlijk het lesrooster, maar ook corvee en avond- en weekendprogramma’s. In totaal waren er vier groepen: Klondike, Transvaal, Peru en Alaska. De groep waartoe ik behoorde was Alaska. Deze goudlanden waren de basis van dit internaatleven. Elke groep bestond uit 16 jongens en twee leiders(sters). Daarnaast een directeur en een adjunct-directeur, administratie, kok, leraren en enkele stafmedewerkers. Samen ongeveer 80 personen; te klein voor een dorp, te groot voor een gezin. Een bijzondere gemeenschap, met talrijke verschillen op velerlei gebied.

Alle gebouwen bestonden grotendeels uit hout en hadden geen verdieping. Rondom bomen, struiken en grindpaden. De barakken dateerden uit de Tweede Wereldoorlog en deden toen dienst als werkkamp voor de Duitse Arbeidsdienst. Er verbleven toen mensen die moesten helpen met het graven van tankgrachten. Na de oorlog werd het een internaat. Aanvankelijk heette het ’t Kamp Geeuwenbrug’. Een commandant en een adjudant drilden destijds de jongens. Er was een minimum aan sanitaire voorzieningen. ‘s Morgens werd de vlag gehesen en was er appèl. Dat was nu gelukkig verleden tijd.

De schoollessen bestonden uit taal, rekenen, aardrijkskunde, biologie en geschiedenis, maar ook veel sport en handenarbeid. Met op woensdagmiddagmiddag hobbyactiviteiten en op zaterdagmorgen groot corvee. De zaterdag- en zondagmiddag waren vrij en werden al dan niet ingevuld door de leiding. De zondagmorgen was bestemd voor kerkbezoek, behalve voor de buitenkerkelijken. Wat deze laatste categorie op zondagmorgen deed is voor mij onduidelijk gebleven. Ze mochten wel op basis van vrijwilligheid mee, wat regelmatig gebeurde. De belangrijkste herinnering die ik hieraan heb is dat we met de bus gingen, wat een behoorlijk feest was. Met z’n allen achterin werd het een wekelijks uitje en weer even contact met de buitenwereld. Wel allemaal in het netste pak met stropdas. Het was toegestaan om van hervormd naar katholiek te gaan en andersom.

De sportlessen werden gegeven door een zekere mijnheer Plantinga, altijd in sportkleren met een te strakke trainingsbroek. Wij waren altijd in shirt en korte broek, vanwege het ontbreken van trainingspakken. Dikwijls gingen we hardlopen en Plantinga manifesteerde zich steeds als een macho. Toen heette dat nog gewoon stoer. Hij was een uitstekend schaatser en hield veel van een soort slagbal. Een gymzaal hadden we niet, zodat we onder alle weersomstandigheden buiten gingen sporten. Dat in combinatie met die korte broek en shirt betekende nogal eens kou leiden. Plantinga was tevens EHBO’er, wat inhield dat hij elke avond van zes tot zeven uur een soort spreekuur hield. Een compleet ingerichte ruimte deed dienst als eerste hulp kamer. Of het nu ging om kleine wondjes, flinke kneuzingen of tranende ogen. Je kon elke avond terecht. Het was er steeds druk.

Langzaam maar zeker kreeg zelfs dit leven regelmaat. Er was sprake van een bepaalde routine. Midden augustus werden we wakker gemaakt met een soort country & westernmuziek. Dit muziek klond door een luidspreker die in de slaapzaal hing en verbonden was met de pick-up op de aangrenzende kamer van de groepsleider. Het bleek achteraf zijn favoriete muziek van de tv-serie ‘Rawhide’. Enige tijd daarna maakte de eigenlijke leider van de groep Alaska zijn entree. De eerder beschreven baard bleek een invalleider te zijn in verband met de vakantie van mijnheer Blikman. Alle leiding werd overigens met mijnheer of juffrouw aangesproken. Mijnheer Blikman kwam met de nieuwelingen kennismaken en vervolgens maakte hij een ronde langs alle bedden. Uit zijn manier van doen en de reacties daarop door de jongens maakte ik op dat het hier ging om een zeer gevierd leider. Hij was groot, had een rechthoekig gezicht met bril, flaporen en een sympathieke grijns. Achterover gekamd, golvend haar. In de praktijk bleek die populariteit ook direct, omdat hij aankondigde dat we met de groep een lang weekend zouden gaan kamperen in de buurt van zijn woonplaats Nijverdal. Dit zou nog in augustus gaan gebeuren. Verder hing hij dezelfde dag een compleet weekprogramma vol met originele en aansprekende activiteiten op. De les die ik toen leerde was dat de mate van inzet door de leiding bepalend was voor het aantal georganiseerde activiteiten.

We zouden met tenten gaan en natuurlijk waren slaapzakken en zaklantaarns gewenst. Bellen met thuis had succes en de spullen werden per post verzonden. Blikman was initiator, organisator, eerlijk en duidelijk. Hij was de rechtvaardige scheidsrechter tussen goed en kwaad. En hij was al vijfendertig jaar, een groot voordeel bij die jongens in die situatie. Ook was hij bijzonder in de ogen van de jongens, want hij had een knappe verloofde van 19 jaar. Blikman gaf houvast en zekerheid en was inderdaad ’n soort vaderfiguur. Met hem liep alles beter. De een heeft het en de ander niet. Hij had het dus wel. Het kampeerweekend verliep sfeervol met als hoogtepunt een pannenkoek eetwedstrijd gewonnen door René uit Rotterdam. Hij presteerde het om na tien pannenkoeken te gaan kotsen en vervolgens er nog acht in zijn mond te proppen. Na dit uitstapje leek de groep als team gegroeid, de grote verscheidenheid werd een eenheid. Hier lag het bewijs dat het grote geheel meer is dan de afzonderlijke delen. Dat voelde toen al zo. De assistente van Blikman was juffrouw Kievit, zij had ‘n scherp getekend gezicht met spitse neus en kort donker haar. Zij was er gewoon altijd en gaf alle jongens een nachtzoen, elke avond maal zestien. Een toch serieuze prestatie. Vaak las zij voor uit boekjes van Pietje Bel, in die tijd zeer populair en voor ons soort jongens tamelijk slecht inspirerende lectuur. Zij was niet onze moeder maar vulde wel Blikman aan.

De normale schoolweken waren duidelijk anders dan thuis. ‘s Morgens les van 9.00 uur tot 10.30 uur, dan pauze met warme chocolademelk en vel. Daarna les tot 12.00 uur en elke middag anderhalf uur sport of handenarbeid, met vervolgens nog eens anderhalf uur les. Er waren vier leergroepen op de volgende niveaus: lagere technische school, lagere school, middelbaar technisch en mulo/hbs niveau. Ik was ingedeeld in deze laatste groep en kreeg bijvoorbeeld Franse taal als extra les. Met deze leergroepen volgden we ook de lessen sport- en handenarbeid. Ik heb altijd veel gehad aan deze manier van schoolvorming.

De leraren waren over het algemeen inspiratievolle mensen. Bijvoorbeeld Robert Mulder, leraar Nederlands, dienstweigeraar en fervent aanhanger en secretaris van de provobeweging. We hebben het tenslotte over de jaren zestig. Om precies te zijn augustus 1965. Niet dat men zomaar zijn ideeën kon botvieren op alles en iedereen. Dat zeker niet, maar wel werd je als twaalfjarige geconfronteerd met allerlei stromingen in de samenleving. Blikman behoorde bijvoorbeeld niet tot de progressieve beweging, nee eerder tot de conservatieve. Juist die mengelmoes maakte het interessant en levendig. We konden en mochten overal aan proeven, nou ja bijna overal.

Verschillende leraren waren lid van een toneelgezelschap uit Diever, dat onder meer jaarlijks stukken opvoerde van Shakespeare in het openluchttheater, ongeveer twee kilometer ten noorden van Diever. Hun talent kwam natuurlijk prima van pas bij de activiteiten in het internaat, zoals het cabaret, dat enkele malen per jaar werd gehouden. Het moet gezegd worden dat de creativiteit altijd en overal aanwezig was. Indrukwekkend vonden we het, want thuis kwam je nauwelijks met dergelijke dingen in aanraking en hier gebeurde van alles in ruime mate. We werden in gunstige zin beïnvloed door deze kunstzinnige initiatieven.

Zoals ik al aanhaalde waren de groepen genoemd naar enkele goudlanden. Dit hield verband met het goudzoekersspel, wat een rode draad vormde in het internaatleven en de filosofie die er achter stak. Het kwam er op neer dat er verschillende ‘rangen’ waren, zoals nieuweling, delver en goudzoeker. Deze rangen moest je verdienen door allerlei opdrachten te vervullen, bijvoorbeeld het helpen van de kok gedurende een week. Je hoefde dan niet naar school. Of het leiden van de groep, het organiseren van een spelavond, het leren van de geschiedenis van het Huis van Oranje, goede resultaten op school, enzovoort.
Zodra je voldeed aan de eisen van de opdracht, dan werd dit aangetekend op een daarvoor bestemde kaart. Als alle opdrachten vervuld waren, dan kwam je in aanmerking voor een hogere plaats in de rangorde. Elke maand waren er vergaderingen van de diverse rangen. Dus alle delvers samen, alle goudzoekers, enzovoort.
De privileges stegen naarmate men hoger op de ladder kwam. Een goudzoeker mocht dan ook eventueel alleen op stap, vergaderde in het staflokaal met koffie en koek en had een bepaald aanzien. Het systeem had vele nadelen, maar gaf toch ook duidelijkheid en zekerheid en het gevoel dat je ergens bij hoorde. De grove planning was dat een jongen na ongeveer tien maanden doordrong tot het goudzoekersgilde, het hoogst haalbare. Ik behaalde deze rang na vier maanden en dat was eigenlijk niet de bedoeling. Het had te maken met mijn onovertroffen inzet om iets met vastbijtende wilskracht te willen halen . Soms biedt dat voordelen, maar het heeft ook negatieve gevolgen, heb ik in mijn latere leven ontdekt.
Alsof het niet genoeg was, werd ik tevens benoemd tot secretaris van de goudzoekersraad, secretaris van de groepsraad en van de kampraad. Deze titels gaven aanzien en zelfvertrouwen en dat kon ik erg goed gebruiken.
Overigens werd het hele systeem, nadat ik er ongeveer negen maanden verbleef, afgeschaft. Ik vond dat jammer. Laten we echter niet vergeten dat het de tijd was van democratisering op alle fronten, met vrijheid en blijheid. Pacifisme, provo, kabouters en alternatieven. Rolling Stones, Supremes, Beatles, wierook en het begin van de lange haren. Daarin paste het rangenstelsel niet meer. Toch van een kant jammer. Ik was leergierig, ’n redelijk sporter, behoorlijk creatief en meestal positief. De migraine verdween en ik kon het leven aan. Mijn postuur was tenger, maar ik at erg goed.

Alaska
Onze groep Alaska was een goede groep met zoals gezegd uitstekende leiding. We waren geen topper op één terrein, maar er was een goed evenwicht op allerlei gebieden. Een balans tussen sport, spel, inzet, intelligentie en sociaal vermogen. Zoals bij elke groep was er sprake van chauvinisme. De groepskleur was rood, met een harde kern van Amsterdammers: Wout, was aardig en had een broertje in de groep Klondike en zij hadden een vervelend leven achter de rug, Harm, was de oudste, de grootste en de sterkste, Willem was de natuurlijk leider in de groep en tevens voorzitter van de groepsraad, Cor had een zenuwtrek, was stevig gebouwd en was soms behoorlijk lastig. Verder René uit Rotterdam, lefgozer grote mond en klein hart, Herman Kreft uit Utrecht, Marius uit Son, was lomp, gezet, groot en snurkte. Tevens was hij mijn buurman en reisgenoot. Albert uit Maastricht, had een Italiaans temperament, Wim Paling uit Boskoop, Martin uit Den Bosch had een felle babbel, Rob uit Schiedam was technisch, meestal rustig en mijn andere buurman. Over Humprey uit Den Haag is genoeg gezegd en Henk uit Haarlem was brutaal en gek op paarden. De problemen kende je meestal niet, er werd nauwelijks over gesproken. Toch was het duidelijk dat de meesten een erg beroerde tijd achter de rug hadden en sommigen nog een zwaar leven voor de boeg. De rest van de namen is me ontschoten na al die jaren. De gezichten niet, die staan me nog helder voor de geest. Het waren meer dan zestien gezichten, want het was een komen en gaan. Elke twee maanden kwamen nieuwe jongens en gingen jongens weg. Meestal tot groot verdriet, maar soms tot enorme vreugde.
Nieuwelingen werden vrij snel opgenomen in de groepssfeer, maar het duurde wel even voordat je echt werd geaccepteerd. Men paste zich ook snel aan, aangezien dat de beste manier was om te overleven. Als groep was je sterk op elkaar aangewezen.

Neem alleen het vierwekelijks terugkerende corvee: een week lang met je groep drie keer per dag de afwas doen , af- en opruimen, de eetzaal schoonmaken, tafels dekken …… Dat alles voor tachtig personen. Daar kwam nauwelijks leiding aan te pas, iemand die niet wilde werd door de groep direct gecorrigeerd. Er was wel altijd competitie en strijd. Wie is het eerste klaar, wie is het snelste klaar, wie is de beste!
Elke zaterdagmorgen was het groot corvee. Afwisselend moest je buitenwerk doen, zoals harken, schoffelen en vegen. Of binnenwerk, zoals vloeren boenwassen, dweilen, toiletten een grote beurt geven, gemeenschappelijke ruimten schoonmaken. Rond de middag kwam dan de directeur controleren, ja inderdaad net als in militaire dienst, met een witte handschoen. Meestal was het goed, want niet goed betekende dat je ‘s middags nog een tijd bezig was. En de vrije zaterdagmiddag was populair. Ook werden enkele kippen gehouden en de eerder beschreven duiven. Dat alles moest schoon, gevoed en onderhouden worden. Het werd een prestigeslag wie het eerste klaar was. Vaak hielp men dan de anderen.
Erg gewild was het schoonmaken van het staflokaal, omdat daar een radio stond en daar volop koffie en koek te verkrijgen was. In de keuken kon je in de stille uren eieren bakken van de eigen kippen, althans als het je beurt was om een ei te krijgen. Toen een bijzondere traktatie. Het scheppen van sfeer was een belangrijke taak, die voor iedereen was weggelegd.
De radio leverde ons: The Stones met Route 66 en Cuby and the Blizzards met Groeten uit Grollo, The Beatles met Michelle rn No Reply, ………..
Buiten de genoemde schema’s was er nog het dagelijkse corvee, bedden dekken, toiletten schoonmaken, dweilen, wastafels uitdoen, zaal vegen. Kortom werkzaamheden die thuis bijna allemaal voor je gedaan werden. Hier was geen moeder en zeker geen huishoudster. Nog ruik ik de boenwas en voel ik de zwaar gesteven lakens. Het zal niemand verwonderen dat dit verleden van invloed is geweest op mijn verdere leven en zelfs een zware stempel daarop heeft gedrukt.

Op het kampterrein, we spraken altijd over ‘het kamp’ en nooit over het internaat, stond in de buurt van de eetzaal en het staflokaal een mini dierendorp met een groot aantal konijnen en marmotten. Dit dorpje was persoonlijk gebouwd door de zogeheten buitendienstmedewerker. Iemand die op klompen liep en een altijd gezond uitziend roodbruin gezicht had, wat wel alles te maken had met het feit dat hij meestal buiten was. Hij was de klusjesman, reservekok, hulpkok, schilder plantsoenbeheerder en nog ontelbare functies meer. Tevens was hij een echte Drent en nauwelijks te verstaan. Zijn woning lag vlak bij het kampterrein. Ik geloof dat hij ook nog gedeeltelijk boer was. Op grindpaden is elke stap duidelijk hoorbaar, maar hem hoorde je op zijn klompen al van kilometers ver aankomen. Aangezien hij tevens soms boeman was, was dat handig en konden we ons snel uit de voeten maken. We bezaten een sportveld, enkele klimrekken, een fraai dalletje en in het midden van het terrein een onduidelijk watertje, ex-visvijver, waarin allerlei vreemde troep dreef. Soms werd dit vijvertje nog nuttig gebruikt, maar daarover later meer.

Eenmaal per week moesten we onze vuile was en lakens inleveren. Tevens was er dan gelegenheid om bij de beheerder van het waslokaal een beperkt bedrag te besteden aan snoep. Dat deed iedereen, zakken vol, maar voor het einde van de middag was alles weer op. Tijdens de avonden was er geen snoep of andere etenswaren. Bij uitzondering kregen we aanmaaklimonade en een koekje. Een redelijk sober leven, zeker in vergelijking met tegenwoordig. Dus was snoep een hoog goed en na verlofperioden of met verjaardagen werden grote hoeveelheden verzameld. Echter bij dergelijke groepen is het onmogelijk om alleen te gaan zitten snoepen, of snoep te bewaren. De enkeling die dat wel eens probeerde vond de volgende dag een lege kast. Dit terwijl op elke kast een slot zat.
Wekelijks was er een verplichte douchebeurt. Ik geloof dat er acht douches waren, elke douche was in een aparte ruimte. Na enkele minuten kwam de sportleraar met de shampoo, die hij persoonlijk op je hoofd deed. Deze shampoo prikte direct hevig in je ogen. Deze kwaliteit ben ik nooit meer tegengekomen. Vervolgens moesten we ons afdrogen en met alleen een handdoek en in de pyama naar buiten en dan zo’n vijftig meter naar het groepsgebouw rennen. Dat alles deden we bij elk weertype. Ons gebouw lag gelukkig dicht bij de douches, maar de jongens van Klondike moesten een afstand van honderd en vijftig meter overbruggen.
Dezelfde douches dienden tevens als decor voor het maandelijkse waterballet. Je mocht dan met de groep zoveel met water spatten als je zelf wilde. Onder meer kon we een waterslang gebruiken. Badkleding was verplicht. De leiding deed niet mee, maar hield op afstand een oogje in het zeil. Wel moesten we zelf alle troep opruimen, wat langer duurde dan de troep maken. Tijdens zo’n waterballet werden nogal wat rekeningen vereffend, zonder dat het echte vechtpartijen werden of dat het uitmondde in grove pesterijen. Achteraf is me dat erg meegevallen, want bij een grote groep jongeren in die leeftijd met die achtergronden zou je toch regelmatig explosies van agressiviteit verwachten. Desnoods tussen de groepen, maar dat gebeurde niet. Hoogstens een uit de hand gelopen sneeuwballenoorlog tussen twee groepen, die toevallig elkaar midden in het bos tegenkwamen. En dan waren het vooral de leiders die ruzie kregen.

Zoals gezegd de zaterdagmiddag was een groot goed en vaak werden prettige activiteiten georganiseerd. Vooral in groepsverband, maar ook voor alle groepen tegelijk. Zo kan ik me levend Stratego herinneren, een spel waarbij je steeds een kaartje kreeg met een rang erop. Terwijl elke groep een vlag verborgen had, precies zoals in het bestaande Stratego-spel. Het bosterrein op enkele minuten lopen leverde alle voorwaarden voor een geslaagd buitenspel. Er waren zandverstuivingen, vele soorten bomen, behoorlijk wat sloten en afwisselende begroeiing. Natuur in overvloed. Echt bewust realiseerde je dat niet op die leeftijd. De jongens uit het westen, met name uit de randstad wat meer dan de anderen. De filosofie is achteraf scherp zichtbaar: veel bezighouden betekent weinig problemen. Laat jongeren niet zomaar lanterfanten, maar organiseer dingen voor ze, geef enige leiding en sturing. Vele speurtochten werden gemaakt, het oneindige bos met prachtige vennen werd stukje voor stukje ontdekt. Nooit helemaal, daarvoor was het te groot en wij nog te klein. Daardoor bestond een zekere spanning met steeds weer een nieuw avontuur.

Simpele activiteiten zoals bramen plukken hadden altijd iets speciaals. Er waren altijd vrienden en groepsgenoten die zin hadden om zoiets te ondernemen. Bramen hadden extra voordelen. Je kon ze namelijk opeten. Of je kon bijzonder lekkere bramenjam maken. Het recept van de kok luidde: bramen met suiker en koffiemelk koken. Dezelfde avond werd dan uitgebreid jam gegeten door het hele kamp.

Een rare ervaring hield verband met een natuurwandeltocht. Op een middag maakten we een lange wandeling door zeer dichte bossen van de boswachterij Smilde. Natuurlijk met een leider. Ik geloof zelfs met een leider die in de buurt woonde. We waren nimmer zover geweest en de omgeving was voor ons totaal onbekend. Tijdens de terugtocht kwam plotsklaps een flinke mist opzetten. Zo een met minder dan vijfentwintig meter zicht. Je kon je absoluut niet meer oriënteren, zelfs de leider niet meer. Uren dwaalden we door dat enorme uitgestrekte bos. We wisten echt niet in welke richting we liepen. Er was geen enkel aanknopingspunt, zandpaden en bomen leken op elkaar. Huizen of andere bouwwerken kwam je niet tegen. De groep was doodmoe en stil. Die stilte werd nog eens versterkt door die deken van dikke mist. Stoere gesprekken waren al meer dan ‘n uur geleden verstomd. Het was uiteindelijk zichtbaar dat ook de leider niet meer wist waar we zaten. Op zo’n moment treedt er toch een soort angst op. De enkeling die er de moed inhield was van onschatbare waarde. In Nederland en zelfs in Drente verdwalen is uiteindelijk niet mogelijk. Vooral niet als in Smilde een toren staat met een fel rood licht, als waarschuwing voor vliegtuigen. Dat rode licht zagen we en binnen een uur zaten we weer in het kamp. Beter gezegd in de eetzaal, waar de andere groepen al klaar waren met eten. Diverse bezorgde gezichten ontvingen ons. Deze bezorgdheid sloeg al snel om in spottende uitdrukkingen. Achteraf kijk je op zo’n gebeurtenis terug als een sfeervol en warm gebeuren. Het zal wel te maken hebben met het feit dat je na een moeilijke of vervelende tijd dubbel geniet van de dingen. Die tv-toren, in Hoogersmilde om precies te zijn, is men in 1958 gaan bouwen om de ontvangst van de Nederlandse televisiezenders in het Noorden van het land te verbeteren. Hij is meer dan 300 meter hoog, is een bezienswaardigheid en is het baken van een wijde omgeving.

Onder de noemer warmte en sfeer viel zeker ook het bezoek bij een leider of leidster op de kamer. Ik bedoel dan de intern wonende leiding. Je kreeg dan een kop koffie en soms een sigaret. Toen was roken nog stoer en nauwelijks onverstandig. Het was overigens verboden om te roken op het kampterrein, althans voor de jongens. Het ging bij een bezoek niet alleen over deze materiële zaken, nee de persoonlijke aandacht met een gesprek onder vier ogen was van belang, Dat miste je, want daar was bijna geen tijd voor tijdens de dagelijkse gang van zaken. Je mocht dan meestal wat later naar bed. Het was de andere kant van de medaille, de ontsnapping aan het kuddedier gebeuren. Te veel was gericht op de groep, het individu telde wel, maar minder dan de groep. Dit in tegenstelling tot de huidige ik-samenleving, die schrikbarend de andere kant is opgeschoten. Er werd verteld over thuis, over normale dingen, hoe het eerst was en dat alles dan met wederzijdse inbreng.
De verhalen gingen over ouders, waar je vandaan kwam, hoe het met je ging, de toekomst, de buitenwereld. Overheersend was het gevoel van enerzijds het internaatleven en anderzijds alles wat daar buiten speelde. Hoe gelukkig we soms ook waren, er was altijd een gemis van buiten. Ouders, je eigen huis, kamer, vrienden, school, je vertrouwde omgeving.

Op het terrein aan de rand van het bos stond een levensechte Drentse boerderij, met inrichting, enkele schapen, varkens en ‘n ingebouwde bedstee. Rob Malta, René in ‘t Veen en ik hadden het idee opgepakt om daar een keer te overnachten. Wat na enig aandringen werd toegestaan. Dus togen wij op een namiddag naar de boerderij met slaapspullen, brood en drinken voor de avond en morgen. Elektriciteit of stromend water ontbrak, wel een echte waterput en een olielamp. Zoals gewoonlijk zag de boerderij er minder vriendelijk uit toen het donker werd. Het flauwe gele licht van de lamp droeg niet bij aan de feestvreugde, maar geen haar op ons hoofd die aan teruggaan dacht ! Stel je de reacties van de groep voor ! Al vrij vroeg werd de bedstee opgezocht, een schijnbaar veilige plaats. We hadden al bekeken dat we er met drie personen in konden. Midden in de nacht schrokken we wakker van een onrustig geluid. Een schuivend, schraperig lawaai. Na duizend angsten te hebben overwonnen kropen we uit de bedstee en met veel gedoe werd de olielamp aangestoken. Met enkele flinke haardpoken slopen we richting het monster. Vreemde schaduwen spookten onrustig langs de stokoude muren. Warm geurende stank van mest kwam ons tegemoet. Het bleek dat een van de varkens uit zijn hok ontsnapt was en op ontdekkingsreis was door de boerderij. Behoorlijk opgelucht gingen we weer naar bed en sliepen niet meer totdat de ochtendschemering zijn intrede deed.

Enige tijd later nam leraar Robert Mulder zijn intrek in de boerderij. Hij maakte er een sfeervolle woongelegenheid van. Er was slechts een kleine verbouwing voor nodig. Vele provoactiviteiten hebben daar het eerste licht gezien. Robert Mulder met sierlijke pijp en Bob Dylan uiterlijk, grote fan van zijn muziek en die van Joan Baez. Zij is destijds met zijn hulp naar Nederland gehaald voor een optreden. Robert was een gedreven heerschap. Tevens een goede leraar die je rustig begeleidde en stimuleerde. Hij drong je niets op, maar vertelde wel waar provo voor stond en wat pacifisme voor hem betekende. De provobeweging zette zich af tegen de gevestigde orde. Daartegenover stond het harde optreden van de politie bij zelfs de meest onschuldige ‘happenings’, zoals het uitdelen van krenten bij ‘het Lieverdje’. Dat soort politieacties deed het gezag geen goed. Het huwelijk van prinses Beatrix met prins Claus op 10 maart 1966 leidde tot ernstige incidenten door het oplaaien van anti-Duitse gevoelens. Het ging toen niet alleen meer om provo’s. Het politiebeleid door de toenmalige burgemeester van Hall werd door velen gehekeld. Sedert 1965 ontstond uit de Ban-de-bom-beweging de anti-Vietnam-stroming gericht tegen de betrokkenheid van de Amerikanen bij de oorlog in Vietnam. Ook studenten demonstreerden met als doel: maatschappelijke betrokkenheid.
De strijd voor democratisering van het wetenschappelijk onderwijs en acties tegen het kapitalisme. Provo ontwikkelde nieuwe ideeën en alternatieven, zoals het witte fietsenplan. Roel van Duyn en Rob Stolk bleken bedenkers van veel nieuwigheden. Robert Mulder was tevens principieel dienstweigeraar. Voor ons was dat alles nog onwennig. We wisten zo weinig over dat soort zaken. In de klas hield hij enkele slangen, welke soorten weet ik niet meer. Wel dat ze op zekere dag ontsnapten en dat ze verdomde giftig waren. Wij mochten in elk geval het lokaal niet binnen. Hetgeen een geluk bij een ongeluk was. Vrijheid boven onderwijs!

Met Blikman naar het dorp gaan was ook vrijheid, bijvoorbeeld naar de plaatselijke friettent. Lopend van Geeuwenbrug naar Diever binnendoor, kom je langs een hunebed. Van daar naar het dorp is het nog maar een klein stukje. Tijdens die tocht had een van de jongens een pijp bij zich en aangezien Blikman pijp rookte vroeg ik of ik die mocht stoppen met zijn tabak. Wonder boven wonder keurde hij dat goed. Binnen honderd meter werd ik ziek, misselijk en zwak en heb ik die dag geen friet gegeten. Dit tot hilariteit van de meute. We legden die vijf kilometer tussen Geeuwenbrug en Diever regelmatig te voet af. Behalve die keer dat ik de Solex voor juffrouw Kievit moest wegbrengen. Eigenlijk was het ding kapot, maar dat het de remmen betrof, merkte ik pas bij aankomst in Diever. Met gevaar voor eigen leven ben ik toen in plaats van linksaf, rechtdoor gereden. Zonder noemenswaardige schade kwam ik tot stilstand.
Het andere vervoermiddel de fiets was slechts in beperkte mate voorradig. Alleen bij uitzondering kon je daar gebruik van maken. Of dat verband hield met mogelijke weglopers heb ik nooit bevestigd gekregen. Het is trouwens de moeite waard om in deze omgeving te gaan fietsen. Enkele jaren geleden heb ik dat gedaan. Er zijn prachtige vennen en een uitgebreid fietspadennet met zeer veel afwisselende natuur. Dorpjes, zoals als Dwingeloo, Diever en Smilde zijn beslist de moeite waard. De enorme heidegebieden bij Dwingeloo bieden uitgestrekte vergezichten. Een fantastisch landschap !

Winter
Het werd vroeg koud dat jaar. Misschien was dat wel gebruikelijk in Drente, maar het leek enkele graden kouder dan thuis. De enkelvoudige wanden van de barakken zullen daaraan wel een bijdrage hebben geleverd. Het koude groepslokaal met een vaak niet of slecht functionerende oliekachel zorgde ervoor dat we graag naar de warme eetzaal gingen en het liefst zo lang mogelijk. Mijn favoriete slaapplaats, ik bezat namelijk een bed in een hoek, verloor behoorlijk aan kracht. Tegen de wand legde ik elke avond een aantal kledingstukken tegen de door de wand dringende bijtende kou. Wassen en dat soort activiteiten werd tot een minimum in tijd beperkt. Het vroor en regelmatig vielen  winterse buien met alle denkbare soorten neerslag.
In zo’n periode leer je de warmte weer waarderen en gelukkig werd juist in deze tijd van alles ondernomen. Een grote tegenvaller was het niet naar huis gaan met Sinterklaas. Dit omdat Kerstmis een hogere prioriteit kreeg en we ongeveer eenmaal per zeven weken verlof kregen. De week voor Sinterklaas mochten we niet naar de eetzaal die overigens compleet geblindeerd was. We aten dan gegeten in de groepslokalen. Allerlei geheimzinnige verhalen deden de ronde over wat zich afspeelde in die eetzaal. Geruchten werden verspreid en we begrepen dat we in elk geval toch cadeaus zouden krijgen van welke goed heiligman dan ook. Toen eindelijk de grote dag was aangebroken kreeg elke jongen vijfentwintig losse centen, die dienden als betaalmiddel voor een Vlaamse kermis. De eetzaal was prachtig verbouwd en op een onovertroffen manier versierd. Er was een boksring gemaakt, ‘n waarzegster ingeschakeld, balspelletjes, een elektronisch spel, warme hapjes, snoep, enzovoort. Kortom het was een waar feest en tot op de dag van vandaag behoort deze avond tot een van mijn mooiste herinneringen. Laat op de avond deed de duidelijk herkenbare Sinterklaas-adjunct directeur zijn intrede en de borsten van Zwarte Piet kwamen ons ook niet geheel onbekend voor. Voor iedereen hadden ze een groot pakket, wat in de meeste gevallen door thuis was aangeleverd en voor een aantal, gezien de identieke samenstelling, door het Leger des Heils. We gingen die avond tevreden en voldaan naar bed en we hadden op één avond meer gesnoept dan het laatste halfjaar bij elkaar.

Nog voor het aanstaande Kerstverlof zou een groots kerstfeest worden gevierd. Het bestond onder meer uit een speurtocht met opdrachten. In groepjes van acht personen liepen we de tocht, die gedeeltelijk door het dorp ging. Een van onze jongens voelde zich blijkbaar zo in zijn element dat hij enkele stevige vloeken uitte naar de dorpelingen. Iemand van hen moet telefoon hebben gehad, want bij terugkeer in het kamp werd hij opgevangen door onze leider de heer Blikman. Waarna hij een flink pak slaag op zijn achterste kreeg, zodanig dat hij niet meer kon zitten. Dat was erg vervelend in verband met het kerstdiner op die dag. Nog lastiger was het voor het toneelstuk waarin hij die avond een belangrijke rol speelde. Hij was de jonge Kerstman en ik de oude. In mijn tekst kwam de volgende zin voor: “Ga toch zitten jonge Kerstman.” Dat ging dus niet. Overigens het Kerstdiner was ook taboe voor hem en behoorde bij de opgelegde straf. Het was werkelijk een fantastisch diner met vele gangen en de kok was echt voortreffelijk. Er waren die avond genodigden uit het dorp. Onder meer alle notabelen, die kris kras waren geplaatst tussen de jongens. Dat vond ik moedig en het gaf de avond een extra aanzien.
De jongen die niet naar het Kerstdiner mocht heette Martin en hij werd door diverse jongens uit alle groepen rijkelijk voorzien van alle soorten voedsel. Weliswaar achteraf en niet al te warm. Het ‘aangepaste’ toneelstuk verliep uitstekend. Het was een spannende ervaring om voor veel mensen op te treden. We werden natuurlijk prima begeleid door de Shakespeare experts.
Daarna zagen we nog maar naar één ding uit en dat was de tiendaagse kerstvakantie. Elke dag, elk uur werd afgeteld. Met verlof gaan was een grootse gebeurtenis, maar dit was de ultieme belevenis voor elk kamplid. Het vertrek was altijd zeer vroeg in de ochtend, omstreeks zes uur. We moesten dan om half zes uit bed en kregen driehoekig gesmeerde boterhammen in het eigen groepslokaal. Er heerste een nerveuze reisstemming. Iedereen in het nette pak en gepakt en gezakt de bus in. Het had gevroren en er was ijzel gevallen. Vele bezorgde gezichten. Er was een soort sfeer van: zouden we het wel halen, komen we wel thuis? In tegenstelling tot andere keren daalde plotsklaps een gevoel van somberheid op ons neer. Het was dan ook spiegelglad, vooral de weg langs de Drentse Hoofdvaart was één grote glijbaan. Er was nauwelijks gestrooid. De telefoondraden hingen zwaar aan de palen en waren door de vorst duidelijk zichtbaar. Op het kanaal had zich een stevige ijslaag gevormd. De aanhoudende schemering zorgde dat het zo’n zeldzame donkere winterdag werd. Ook dat droeg niet bij aan een vrolijke reis. Doordat de chauffeur bijzonder langzaam moest rijden, duurde het uren voordat we in Zwolle waren. Daar werden de eerste vakantiegangers afgezet. Vervolgens ging we naar Utrecht en naarmate de reis richting het zuiden vorderde verdwenen de sneeuw, de gladheid en de zorgen. In Den Bosch werd de laatste groep afgezet, die van daaruit verder reisde naar alle delen van Limburg en Brabant. Dat was voor mij toch altijd een spannend gedeelte, omdat ik meestal alleen verder moest reizen. De keuze was een bus die er nogal lang over deed, met vele stops of de trein die sneller was. Om een of andere reden gaf de bus mij een vertrouwder gevoel dan de trein, met altijd die onzekerheid of je wel in de goede zat. Ik was pas twaalf jaar en had daarvoor nooit alleen gereisd. Een ander voordeel van het reizen met de bus was het feit dat groepsgenoot Marius van Gorp ook met deze bus meeging. In ieder geval tot de plaats Son. Vaak haalde zijn moeder hem op in Den Bosch en dat gaf dan nog meer vertrouwen. Tenslotte moest ik dan nog met de bus van Eindhoven naar Veldhoven. Dit reizen, vooral het in één dag van kamp naar huis, vond ik altijd een bijzondere indringende ervaring. Bij mij overheerste toch een soort angst, die pas volledig wegviel als ik uit de laatste bus stapte. Het gaf een onbeschrijfelijk bevrijdend gevoel om weer thuis te zijn. Nog steeds vind ik reizen, vooral lange reizen niet prettig. Terwijl ik tijdens de militaire diensttijd zeer regelmatig in treinen en bussen heb gezeten, door het gehele land. Het wegvallen van die spanning blijft een terugkerende ervaring.

Thuis was er warmte van de kachel, zoveel als je wilde. Warmte van het gezin, althans meer dan in Drente. Een altijd hartelijke ontvangst door de hond Barry, een bruine middelgrote bastaard. En rust vooral veel rust, weinig stemmen, geen drukte ….. Dat was toch een openbaring na die tachtig stemmen. Naar huis gaan was het omgekeerde vakantiegevoel. Er was televisie de eerste chips, soms zelfgemaakte en je hoefde geen water te drinken als je dorst had. Je kon alléén iets ondernemen. Je hoefde nauwelijks met anderen rekening te houden. De dag van terugkeer was daarom moeilijk en zwaar. De reis naar Eindhoven, meestal door mijn moeder weggebracht, was onprettig. Het duurde nog zo lang voordat het weer verlof zou zijn. Zeven weken van huis was te zwaar voor een twaalfjarige. Naarmate je weer lotgenoten trof werd de sfeer beter en in elk geval deed je soms alsof. De aankomst in Drente was dan weer een sombere aangelegenheid. Iedereen besefte dat we er weer voor een lange periode moesten zijn. Vooral in deze winterperiode met zijn korte dagen en zeer lange avonden en nachten. ‘s Avonds hoorde je dikwijls jongens zacht huilen. Juist in zo’n eerste week werden er talrijke wegloopplannen gesmeed. Van de meeste kwam niets terecht. Enkele keren lukte het wel. De verste poging werd door twee jongens van onze groep ondernomen. Zij kwamen tot Utrecht, maar werden daar door de politie ontdekt en teruggebracht naar Geeuwenbrug. Bij een andere poging hebben we met een aantal leiders en jongens in de bossen gezocht naar een wegloper. Die overigens weer zelf terugkeerde. Het gaf aan dat het moeilijk was om op die leeftijd zolang van huis weg te zijn. Ondanks de problemen thuis.

Gelukkig waren er in de wintertijd ook prachtige dagen met veel licht en heldere vriesluchten. De natuur kon fantastisch zijn met bevroren riet, wat glansde in de zon en wat je gemakkelijk door midden kon tikken. Het vroor erg hard, zodanig dat we konden gaan schaatsen op het Snoekveen, een diep groot ven. Het schoolprogramma werd gedeeltelijk stilgelegd en we mochten enkele uren per dag gaan schaatsen. Er was verder niemand uit het dorp, uitsluitend jongens uit het internaat. Midden in de weidse natuur, met meestal wel een strakke snijdende oostenwind. De meesten hadden gewone Friese doorlopers. Met een touw ging een leider het ven op, maar het bleek al gauw dat het ijs veilig dik was. We maakten de boel sneeuwvrij en wen konden gaan schaatsten. De een struikelend en vallend de ander flitsend snel. We beleefden daar een mooie tijd. Wel moesten we steeds een eind lopen over een zandpad wat oneindig leek. De weilanden lagen er winters bij, rook wolkte uit de schoorstenen van de boerderijen. We waren doodmoe na zo’n dag en we scheurden enorm aan tafel. Het was ‘s avonds snel stil op de slaapzaal.

Op de avonden dat je moeilijk in slaap kon komen was het een kunst om een klein radiootje te bemachtigen. Diep onder de dekens kon je dan genieten van een zacht krakend geluid van de een of ander onduidelijke zender. Een beatle-nummer echter werd vlug herkend. Het ging trouwens meer om het idee dan om de muziek. Iedereen had boven zijn bed foto’s hangen uit de muziekbladen, zoals de Muziekexpres. Zeer populair waren de Beatles, maar ook de Stones en de Supremes, de Fortunes, Francoise Hardy en Dave Berry. Onze kok was een groot fan van deze laatste en hij zong dan ook hele teksten mee. Bij elk groots diner werd hij gehuldigd en meerdere malen kreeg hij dan een muzieksingle cadeau, onder meer van Dave Berry. Drie mensen hadden een hoekslaapplaats en dat had als voordeel een extra wand om op te kunnen plakken. Een hoekslaapplaats gaf ook meer status, want je kon zo’n plaats pas bemachtigen als je al een tijd in het internaat verbleef. In die hoeken vonden tevens allerlei informele besprekingen plaats. Het was weliswaar verboden overdag op de bedden te gaan liggen, echter deze regel werd dagelijks overtreden. Naar mijn gevoel vond een groot deel van het kampleven op en rondom dat bed plaats. Je sliep er, je kast met kleren en eigendommen stond er, je rustte daar uit, je ontmoette je groepsgenoten. Het was eigenlijk hoe parodoxaal het ook klinkt een plek met enige privacy. Op vrije dagen waren we veel bezig met het draaien van plaatjes, of het experimenteren met de bandrecorder. De meeste leiders en enkele jongens hadden wel wat singles en soms zelfs elpees. Juist in die tijd was de beatmuziek erg in opkomst en deze had onze bijzondere belangstelling. Wat dat betreft waren er weinig verschillen tussen leiders en kinderen. Niemand zette zich af tegen die beatmuziek. Het werd zelfs eerder gestimuleerd. Overigens werden we op verschillende manieren in contact gebracht met andere soorten muziek. In de eetzaal speelde dan bijvoorbeeld een Zuid-Amerikaanse groep, maar ook was er vermaak in de vorm van een goochelaar of een pantomimespeler. Het waren vaak gezellige en sfeervolle bijeenkomsten. Daarbij de aantekening dat, bij elke enigszins bijzondere aangelegenheid, het eten extra aandacht kreeg. Terwijl dit normaal gesproken al van prima kwaliteit was. Onze kok, zijn naam is me ontschoten, was perfect! Om een voorbeeld te noemen: als een rijstmaaltijd geserveerd werd dan waren er minstens drie soorten rijst. Aangezien aandacht werd besteed aan tafelmanieren, hadden dergelijke diners een feestelijk karakter. Het was een van de onderwerpen waar men unaniem over tevreden was. De week die je in de keuken moest helpen, terwijl je vrij was van alle andere verplichtingen, bestond eruit dat je ‘s morgens vroeg aan de bak moest. Of liever gezegd aan de snijbroodmachine, alle broden moesten worden gesneden, alle boter in botervloten, beleg op schaaltjes, suiker bijvullen, thee zetten, melk- en karnemelkkannen vullen, enzovoort. En reken maar dat er veel op tafel moest staan met zo’n hongerige meute. Vervolgens had je als keukenhulp een uurtje vrij en daarna begon de voorbereiding van het warme eten. We aten ‘s middags warm. Je moest soms flink afzien, want de kok was weliswaar een grapjurk, maar hij kon behoorlijk streng zijn. Zeker als het ging om stomme dingen of als je de kantjes er van af liep. Aardappels pitten, groenten schoonmaken en wassen, gehaktballen maken. ‘s Middags had je vrij tot ongeveer vier uur, waarna de voorbereiding begon voor het avondeten. Een synoniem van het ochtendgebeuren, behalve dan dat de meesten dan nog meer honger hadden. Ik heb bewondering gekregen voor al dat kookwerk. Als eter lustte en lust ik nog steeds twee dingen niet: Drents roggebrood, een donkerbruine, kneedbare, zwaar op de maag liggende vorm van brood en karnemelkse pap, een zure brei met daarin op overgeefsel lijkende brokken. Dat was echt verschrikkelijk en van de meeste leiders moest je dat eten. Het roggebrood was zo kneedbaar dat het onder de tafelrand paste, maar de pap gaf meer problemen. Ondanks mijn goede bedoelingen kon ik dit spul niet door mijn strot krijgen, of voor maar heel even, zodat ik vervolgens moest overgeven. Een aantal jongens vond het spul meer dan heerlijk. Ik vond het werkelijk gruwelijk. Verder at ik alles in ruime mate, nog eens bevorderd door de dagelijkse gratis portie boslucht, die daar en toen nog behoorlijk schoon was.

Vooral in de winterperiode was tv kijken een prettig fenomeen. Vooral de poppenfilm ‘Thunderbirds’ was enorm gewild. Er waren op de zaterdagen afleveringen van een uur. Terwijl de huidige herhalingen steeds een half uur duren en het verhaal dus pas af is na twee afleveringen. Voor een dergelijke serie moesten heel wat andere activiteiten wijken. Het gezamenlijk schaatsen kijken was uitermate favoriet bij een grote groep sportliefhebbers. Op grote bladen werden allerlei standen en tijden bijgehouden. Het geheel werd door de sportleraar begeleid, die zelf Fries en fervent schaatser was. Het was de tijd van Ard Schenk, Kees Verkerk en Jan Bols. Zij waren zo goed dat ik de tegenstanders niet meer voor de geest kan halen. In deze jaren zestig was er zwart-wit televisie, nauwelijks zenders en weinig programma’s. Dat was een groot voordeel!

Spel en sport
Aan elk jaargetijde komt een einde ook aan deze strenge winter. Voordat het echt zo ver is vier ik elk jaar mijn verjaardag op zeven maart. Dat was dus eveneens het geval in 1966. Dertien jaar werd ik op een grijze, koude en regenachtige dag. Bijna iedereen lag in bed met griep. Van onze groep waren nog slechts vier mensen op de been. Er heerste een echte griepepidemie. Het was gebruikelijk dat je ouders op je verjaardag aanwezig waren. Op het allerlaatste moment ging dat niet door. Het waarom was onduidelijk en is nog steeds vaag. Het was in ieder geval een bittere teleurstelling. Wel werd er tijdig een snoeppakket verzonden ter grootte van een schoenendoos. Ondanks de griep waren er diverse belangstellenden voor al dit lekkers. Het was traditie dat de jarige ‘s morgens werd toegezongen in de eetzaal en dat hij een keurig opgemaakt bord met uitsmijter en toebehoren kreeg. Uitgebreide felicitaties vonden dan plaats. Je had de gehele dag vrij en je mocht met een jongen naar keuze vrij stappen. Ik ging met Rob Malta naar Diever waar flinke hoeveelheden snoep werd ingeslagen. Gezellig was het niet door de eerder beschreven weerstoestand en het leek wel of het dorp juist op die dag uitgestorven was. Maar meer nog voelde ik mij door thuis in de steek gelaten en dat kon geen enkele doos snoep goedmaken. Dergelijke gebeurtenissen zijn van zoveel waarde voor een kind, dat zo’n geruime tijd van huis is en zijn ouders mist.

Uit hoofde van mijn functie als redacteur van het nog niet verschenen kampblad had ik de eer om een interview voor te bereiden in verband met de komst van Anton Geesink,de bekende judoka. Deze sportman was uiteraard zeer beroemd in die dagen en het was een klein wonder dat hij bij ons op bezoek kwam. De bedoeling was dat hij en enkele judoka’s demonstratiewedstrijden zouden geven. Eerst was er een ontvangst met koffie en koek gepland in het staflokaal. De spanning was vooraf te snijden, totdat eindelijk de grote dag aanbrak. Ik was dus een van de weinigen die rechtstreeks met Geesink mocht praten. Alleen al zijn binnenkomst was zeer indrukwekkend; hij kon nauwelijks de deur door. Van een interview kwam niets terecht. Aan de lopende band maakte hij grappen en grollen, waarna, ja alweer, een diner volgde en wel in de gebruikelijke stijl ! Tussendoor plaatste Anton Geesink een honderdtal handtekeningen die nadien werden uitgedeeld. Later in de middag volgde de demonstratiewedstrijden met de meegebrachte judoka’s. Enkele weken voor zijn komst hadden we worstelwedstrijden gehouden. Door middel van een afvalrace bleven drie winnaars over in de verschillende leeftijdsklassen. Een van deze winnaars was Henk Linthorst uit onze groep. Hij diende als tegenstander van Geesink. Het werd een enerverende middag met veel humor en prettige herinneringen.

Op zomaar een morgen in april gingen we na de normale ochtendrituelen naar de eetzaal. Tot ieders verbazing was er geen leiding. Wel een kok en eten, zodat we wisten wat we moesten doen. Na afloop en het gebruikelijke corvee liet de leiding zich nog steeds niet zien. Later werd duidelijk dat ze allemaal verzameld waren in het staflokaal. We wisten ons geen raad en een delegatie die probeerde duidelijkheid te krijgen, werd zonder informatie weggestuurd. In kleine groepen werd overlegd wat te doen. Na enige tijd werden pamfletten uitgereikt waarop vermeld stond wat we moesten doen. Het bevatte een lijst met activiteiten die door ons moesten worden uitgevoerd. Sommige opdrachten waren redelijk, andere waren overtrokken en bevatte zaken die niet van ons verwacht konden worden. Zoals alle zware vuilnisbakken verzamelen en alle muren van de barakken schoonmaken. Je kon merken dat twijfel bestond met betrekking tot de ernst van dit alles. Sommige jongens gingen aan het werk, anderen voerden niets uit. De natuurlijke leiders overlegden en besloten alleen die werkzaamheden te doen die redelijk waren. Het bleek achteraf allemaal een experiment, vermoedelijk reuze interessant voor de bedenkers, maar minder geslaagd voor de slachtoffers.

Het voorjaar gaf alle gelegenheid voor sport en spel in de buitenlucht. Een van de grootste spelen was een zogenaamd Europa-spel, waar al weken naar toe werd geleefd. Iedereen kreeg een paspoort en volgens een bepaalde route moesten we allerlei Europese landen bezoeken. In die landen moesten opdrachten vervuld worden. Als dat tot een goed einde was gebracht ontving men een stempel in het paspoort. Het totale spel duurde twee weken en vormde de rode draad van het kampleven. Sterker nog het beheerste het leven van alle dag. Uiteindelijk ging het er toch weer om welke groep winnaar werd. De opdracht behorende bij het land Spanje was het bouwen van een stierenarena en vervolgens in die arena een stierengevecht naspelen met alles er op en er aan. Er werden twee volle dagen besteed aan het oprichten van dit bouwwerk en het was prachtig om te zien wat een creativiteit schuil ging bij de diverse bouwers. De meeste groepen groeven een enorme kuil met een doorsnede van ongeveer 7 meter en minstens anderhalve meter diep. Bankjes werden geconstrueerd van afvalhout en er werd druk gerepeteerd voor het toneelstuk. Bij het vervullen van zo’n opdracht zijn er talenten gewenst op verschillende terreinen en die waren dan ook altijd aanwezig in elke groep. Steeds weer stond ik versteld van wat je als groep kon bereiken. Leiders mochten meehelpen, maar ze speelden nooit geen overheersende rol, op welk vlak dan ook. Het gehele kamp woonde de opvoering van het stierengevecht bij en een jury beoordeelde de opvoering. Onze groep had als extra verrassing een optreden terwijl het donker was met verlichting, wat een speciale sfeer teweegbracht.

Griekenland was eveneens een land wat bezocht werd en daar heette het thema: Olympische Spelen. Dat hield in een sportspektakel wat enkele dagen duurde, met voetbalwedstrijden, hardlopen, verspringen, enzovoort. De leiding van deze evenementen kleedde letterlijk en figuurlijk alles aan en zorgde steeds voor passende kleding bij de onderwerpen. Vooral met hulp van het arsenaal kleren van de toneelvereniging te Diever. Ook werden de thema’s goed door hen ingeleid. Frankrijk bracht het spelen van cabaret met zich mee en iedereen kon zich op dit onderdeel goed uitleven. Kolderstukken werden opgevoerd, leiders nagebootst, hele verkleedpartijen, uitgebreide schminkwerkstukken en veel lol.

Viswedstrijden hadden te maken met Ierland en het was een indrukwekkend gezicht om zestig jongens te zien vissen met soms echte hengels, maar meestal alleen een stok met snoer en angel. Dat alles gebeurde in de Drentse Hoofdvaart die in elk geval toen barstte van de vis. Er werd bijzonder veel gevangen en daarna weer teruggegooid. Het had allemaal niets te maken met rustig in de natuur vissen en genieten. Nee het was een echte wedstrijd. Het kan bijna niet anders dan dat de vispopulatie in dit kanaal enkele weken van slag af geweest is.

Diverse trucs werden er ingebouwd, die niet direct te maken hadden met het spel, maar wel met de enorme inzet en wedstrijdmentaliteit die er heerste. Als voorbeeld het schoonmaken van het totale kampterrein en extra schoonmaakbeurten van de groepslokalen. Om punten te behalen was iedereen gek te krijgen. In detail kan ik niet zo veel meer voor de geest halen. Dat heeft voornamelijk te maken met de hoeveelheid gebeurtenissen die er in die twee weken plaatsvonden. Wel is het gevoel blijven hangen dat het een prettig intensief groepsgebeuren was. Iets wat je nog nooit had meegemaakt. Voor mij ook de les dat mensen competitie nodig hebben en willen winnen op allerlei fronten. Ze willen zich bewijzen niet alleen als individu, maar juist ook als groep. Saamhorigheid en samen iets bereiken zijn menselijke behoeften. Er wordt vaak gesteld dat je bij een dergelijke terugblik alleen de mooie momenten terughaalt. Ik geloof dat niet, althans maar gedeeltelijk. Natuurlijk was niet alles koek en ei, er waren vechtpartijen, er was soms een vervelende sfeer of gebeurtenis. Er ging wel eens iemand door het lint en er werd stevig gescholden. Dat was allemaal aanwezig maar wel in beheerste mate in redelijk evenwicht met veel goede momenten. Het gevoel dat je niet naar huis kon dat was wel regelmatig van negatieve invloed op je functioneren. Dat zorgde er voor dat het hier niet ging om een vakantiekamp. Vaak vroeg ik mij later af wat ik gehad heb aan deze periode. Het antwoord was en is nog steeds erg veel, zeker op sociaal terrein. Of ik er geleden heb? Ja zeker er waren bijzonder droevige momenten en nogmaals ik ben er van overtuigd dat het voor een kind van ondermeer die leeftijd niet goed is om zo lang van huis weg te gaan. Tenzij en dat speelde bij een aantal van ons, de situatie thuis niet deugde. In dat geval was het kiezen uit twee kwaden. Het lange verblijf in het internaat was dan het minst kwade. Echter niets,in welke groepsvorm dan ook, kan opwegen tegen het verblijf in een redelijk draaiend gezin.

Vakantie
In de maand mei was de natuur nadrukkelijk aanwezig en voor mijn gevoel was het een voorjaar met veel zonnige dagen. Die prettige sfeer werd nog eens versterkt door de naderende vakantie. Het was gebruikelijk dat de groepen een week lang naar Giethoorn gingen. De vakantiepret begon echter al ruimschoots voor het eigenlijke vertrek. De groepen werden genoemd naar de Noormannen of de Vikings en via spelen bereidde iedereen zich voor op die grootse belevenis. Elke groep zou in Giethoorn een zeilboot tot zijn beschikking krijgen. Er werden dan ook zeillessen gehouden, weliswaar alleen in theorie maar toch. Zwaarden en schilden werden in elkaar gezet. Kledingstukken genaaid. Iedereen werd voortijdig in de juiste stemming gebracht. Nimmer mocht er met de bedden geschoven worden, behalve nu. Bijzondere groepen werden dan gevormd met kasten als afscheiding tussen de geheimzinnige genootschappen. Zoveel voorpret heb ik nooit meer meegemaakt voor ‘n vakantie.
Merkwaardig genoeg ben ik zelf niet meegegaan. Ik kreeg evenals enkele andere jongens de mogelijkheid om samen met twee leiders een tiendaagse fietstrektocht te ondernemen naar Duitsland. Daarover later meer.
Gelukkig heb ik de zeilvoorbereiding dus niet gemist. Tijdens een nachtelijke bijeenkomst zou er een inwijding plaatsvinden door Neptunes zelf. Wij als Duitslandgangers mochten deze ceremonie meemaken. Er deden dan ook allerlei vreemde en bizarre verhalen de ronde over dit gebeuren. Eindelijk was het dan zover. Iedereen werd omstreeks twee uur ‘s nachts gewekt. In het groepslokaal van Alaska vond de indrukwekkende verzameling plaats van behoorlijk duffe figuren met slaperige en witte gezichten. Daar werd het perkament voorgelezen door een prachtig uitgedoste Neptunes met gevolg. Natuurlijk weer in de mooiste toneelkleren en op deskundige wijze geschminkt. Vervolgens toog het gezelschap naar het eerder beschreven vage visvijvertje, waarover een boomstam was geplaatst. Elke jongen moest midden op die boomstam een kussengevecht leveren, met als uiteindelijk doel voor iedereen een nat pak. In dit geval een natte pyama. De ambiance met toneelspelers en brandende fakkels staat nog in mijn geheugen gegrift. Je wist dat het allemaal nep was, maar toch…. De spelers waren zeer bedreven in dergelijke optredens. Het werd die nacht zeer laat, te laat. Gelukkig mochten we de volgende ochtend uitslapen. Daarbij moet niet gedacht worden aan het tegen het middaguur uit je bed kruipen, maar eerder aan een uurtje later uit bed. Normaal gesproken gebeurde dat op de zondagmorgen.. De regelmaat werd aldus alleen verstoord bij hoge uitzondering.
Het vertrek van de groepen naar Giethoorn was een ware uittocht. Van het ene op het andere moment werd het doodstil. Wij bleven met acht jongens over, van elke groep twee. Dat waren wel goudzoekers, echter het waarom van juist deze acht heb ik nooit begrepen. De leiders die meegingen waren Schokker, aardrijkskundeleraar en Blikman de Alaska-groepsleider. Ons vertrek zou eerst over vijf dagen plaatsvinden, net voordat de groepen zouden terugkeren. Zodoende zou de rust tijdens de komende dagen een nieuwe ervaring voor ons betekenen. En leverde die dagen toch ook een soort extra en bijzondere vakantie op. We hadden het zo geregeld dat we bij elkaar sliepen in de barak van de groep Transvaal. Met een kleine groep mensen aten we in de eetzaal en we werden behoorlijk vrij gelaten in ons doen en laten.
Scherp staat mij nog voor de geest een wandeltocht met z’n vieren in de bossen, terwijl er plotseling een hevig noodweer losbrak. Juist in de bossen, zeker als die dicht begroeid zijn, zie je een onweersbui vaak niet aankomen. Daarom leek het of er een smerig bruine zware lucht zomaar uit de lucht kwam vallen. Oogverblindende flitsen met direct daarop volgend krakende donderslagen. Een onovertroffen angstige situatie, waarbij we niet veel anders konden doen dan het op een lopen zetten. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat tijdens die vlucht de bliksem vlak achter ons is ingeslagen. De afstand kan niet meer bedragen hebben dan vijfentwintig meter. Wij lagen daarna allemaal tegelijkertijd plat op de grond. Nimmer heb ik daarna nog een dergelijk noodweer van zo dichtbij meegemaakt. Door en door nat bereikten we het kampterrein, alwaar we aan iedereen ons verhaal vertelden.
Naarmate die week vorderde werden de voorbereidingen intensiever in verband met ons aanstaande vertrek. De mee te nemen bagage moest allemaal met de fiets mee en er moesten drastische beslissingen worden genomen over wat wel en wat niet. Onze normale “kampfietsen” met terugtraprem , zwaar frame en grote fietstassen hadden niets uit te staan met de huidige aerodynamische fietscultuur. Op vrijdag vertrokken we onder mooie weersomstandigheden. Het einddoel van die dag was de grensplaats Losser in Overijssel. Daar konden we gratis overnachten en eten in een soortgelijk internaat. Eerst moest er dan wel een behoorlijke afstand worden afgelegd door niet al te ervaren fietsers. Dat lukte zonder problemen, zelfs zonder lekke banden. In Losser werden we gastvrij ontvangen en ‘s avonds was er een groot kampvuur. Het internaat lag enkele honderden meters van de Duitse grens en ik weet nog dat we via een illegaal pad Duitsland zijn binnengefietst. Dat scheelde namelijk tientallen kilometers fietsen. We bezochten daar een klooster waar verschillende originele Afrikaanse beelden stonden uitgestald. De enorme rust in en rondom de gebouwen van zo’n klooster is me altijd bijgebleven. De indrukwekkende houten beelden bezaten een sterke uitstraling en pasten wonderlijk genoeg uitstekend in deze totaal andere omgeving.
We vervolgden onze weg richting Teutoburgerwoud, nadat we onderweg hadden gekampeerd in een weiland. Daar werden we ‘s morgens door de koeien begroet, werkelijk zoals in een komische film. Het klimmen in de heuvels viel niet mee op onze zwaar beladen stalen rossen. Toch bereikten wij ons doel en kampeerden alweer bij een boer. Per twee personen hadden we een simpele enkeldaks tent. Alleen de twee leiders bezaten een dubbeldaks. Tot dan was het prima weer in een fantastische omgeving. De meesten van ons waren nooit in het buitenland geweest, laat staan dat we ooit dergelijke heuvels gezien hadden. Direct werd er het nodige snoep ingeslagen en op de terugweg liep het meteen verkeerd. We kwamen langs een kersenboomgaard en plukten daar kilo’s kersen, totdat er luid schreeuwend een boer verscheen. Deze sprak zijn verwensingen weliswaar in het Duits uit, maar toch begrepen we wat hij bedoelde te zeggen. Twee jongens kwamen er niet zonder de nodige schrammen af tijdens het in een noodvaart verlaten van een boom. Iedereen weet dat je kersen eerst moet wassen en er nooit teveel moet eten. Wij wisten dat ook, toch hadden we allemaal voor het einde van de dag buikloop. Nota bene met een toilet op ruim honderd meter afstand en met nauwelijks voorraad verschoning. Het allerergste was echter de regen, niet zo’n buitje water, nee een constante hoos, die midden in de nacht begon en niet meer ophield. De enkeldaks status met los grondzeil kon dit alles niet aan. Hetgeen nog verergerd werd door de situering van de tenten, namelijk halverwege de heuvel. Voor het middaguur was alles doorweekt. Blikman en Schokker met vooruitziende blik regelden via de boer slaapplaatsen in een hooischuur. Wel werd ons op het hart gedrukt dat er geen scherpe voorwerpen in het hooi terecht mochten komen. Het hooi was immers bestemd voor de koeien, die dergelijke zaken nu eenmaal niet kunnen verteren. Een complete verhuizing vond plaats, lijnen werden gespannen om alles te kunnen drogen, inclusief de tenten. Aangezien er verder niets te doen was zochten we ons vertier op en in het hooi. Via een hogere verdieping maakten we duikvluchten in het hooi. De stemming zat er de eerste twee dagen nog wel in. Het bleef echter regenen en er gingen al verhalen dat het de hondsdagen betrof. Dat hield in als het zeven uur zou regenen de kans groot was dat het vervolgens zeven dagen zou regenen enzovoorts. Ondanks dat we niet bijgelovig waren begon het er toch steeds meer op te lijken dat de hondsdagen meer dan een fabel waren.. Inmiddels werden er plannen gemaakt om terug te keren met de trein. Toen eindelijk op de vijfde dag de zon weer terugkeerde. We spraken af om in twee dagen terug te fietsen, via dezelfde weg, en alleen nog te overnachten in Losser. Dat betekende een zware fietstocht, behalve het eerste stuk dat nu natuurlijk bergaf ging. Zeer moe kwamen we die avond laat aan in Losser. Daar konden we in echte bedden slapen en weer eens goed eten. Na inspanning en ontbering is een verblijf in de bewoonde wereld met al zijn luxe en voorzieningen extra plezierig. Na negen dagen is een lange hete douche meer dan alleen maar een routinematige handeling.
Tijdens de tocht door Twente stonden we te wachten bij een bakker, terwijl door twee van ons brood werd ingeslagen. Op een gegeven moment werden we door een man lachend aangesproken met de woorden: “Ha schoffies”, niemand, incluis de leiding reageerde verbaal of non-verbaal op die woorden, waardoor de man enorm rood werd en snel doorfietste. Dit kenmerkte onze stilzwijgende saamhorigheid. De laatste dag schroeide de zon onze ruggen en verlangden we haast weer naar een regenbui. De moed tijdens de lange fietstocht werd er door de leiders ingehouden met behulp van een doos suikerklontjes. Of het lichamelijk hielp weet ik niet, psychisch in ieder geval wel. De thuiskomst gaf een glorieus gevoel, zeker nu we onze verhalen kwijt konden aan de kampgenoten, die waren teruggekeerd. Zij hadden op hun beurt ook het nodige beleefd.

Terug
Het was juni geworden en eind juni zou ik worden opgehaald om vervroegd naar huis te gaan in verband met een vakantie met m’n broer en ouders. De eigenlijke vakantieperiode voor het internaat liep van half juli tot ongeveer half augustus. Voordat het zover was maakte ik nog een indrukwekkend uitstapje mee. Met enkele collega-goudzoekers gingen we op zondagmiddag met de bus naar Assen. De eindbestemming was de verkeerstuin, alwaar je met een trapauto door een nagebootst wegennet reed, met meisjes als politieagent in de leeftijd van vijftien jaar. Voor ons een zeer aantrekkelijke leeftijd. In het midden van dat verkeerspark bevond zich een verkeerstoren met omroepinstallatie. Als je fouten maakte in het verkeer dan werd dat daar omgeroepen. Wij waren met z’n zessen en in een mum van tijd kende iedereen ons. We hielden ons aan geen enkele regel, reden agentes omver, zorgden voor botsingen en allerlei bizarre verkeerssituaties. Een enkele keer meldden we ons bij de toren en deden alsof we nergens vanaf wisten. Dat gedrag hielden we natuurlijk niet erg lang vol. Uiteindelijk werden we dan ook gesommeerd om te verdwijnen. Hetgeen op dat moment geen straf was, omdat de lol er inmiddels vanaf was. Wel liep een van de jongens een rake klap op van een kordate agente. Toch was zo’n uitje een geweldig feest, alweer omdat we onder de mensen kwamen van het dagelijkse leven. Daar botsten dan twee ‘culturen’. Ja, we gedroegen ons niet, maar kon je dat zo’n groep kwalijk nemen? Jongens die niets liever wilden dan deel uitmaken van dat normale leven, maar die door de omstandigheden gedwongen dit niet konden. Gelukkig gedroegen we ons meestal wel behoorlijk. Bij terugkeer in het kamp ging het er om vooral geen opschepperige verhalen te vertellen. Dat alleen al was moeilijk genoeg.
Tenslotte maakten we met het gehele kamp nog een busreis naar de motorcrosswedstrijden te Norg. Op een warme zomerdag streken we daar neer, al vlug onder de indruk van de scheurende motoren met hun bijna onuitstaanbare geluid. Voor mij was dit de eerste keer en ik vond het indrukwekkend hoe met grote snelheden en met gevaar voor eigen leven werd geraced. Vooral de reuzensprongen bij de heuvels en het wegspattende zand zorgden voor een schitterende spanning. Bij een aantal van ons kwam die dag het zakelijke instinct naar boven. Men kwam op het idee om lege flesjes bier en frisdrank te verzamelen, dat leverde redelijk wat geld op en dus snoep en frisdrank voor eigen gebruik. Nog steeds als ik jongeren dit zie doen, draait voor mij de film af van die dag in Norg. Tijdens de terugweg werden we voorbij geraasd door honderden motoren.

De laatste dagen van juni naderden, maar duurden wel erg lang. De alles overheersende gedachte was: de definitieve terugkeer naar huis. Op dat moment de allergrootste wens van een dertienjarige jongen die gedurende elf maanden van zijn ouders en zijn omgeving was beroofd. Tegengesteld daaraan was het gevoel van weemoed. Alle belevenissen en goede herinneringen kwamen juist toen naar boven. Tijdens dat alles in was er een vreemde gewaarwording van er niet meer bij horen, daar niet en thuis niet. Net als na een verhuizing naar een vreemde omgeving. Langzaam maar zeker nam je afscheid van mensen en zaken.
De dag voor mijn vertrek gebeurde een ernstig ongeluk op de weg langs de Drentse Hoofdvaart. Ongeveer tweehonderd meter van het internaat af. Deze weg stond bekend als een uitermate gevaarlijke provinciale weg en is dat overigens nog steeds. Alleen toen moest al het snelverkeer over die weg. Tijdens dat ongeluk kwam de bestuurder knel te zitten en moest hij worden uitgezaagd. Hele toestanden met brandweer, ziekenauto en takelwagen. Er was een vrachtauto tegen een personenauto geknald. Sommigen van ons zijn stiekem gaan kijken. Zelf heb ik het niet van dichtbij gezien, maar op een flinke afstand. Het maakte zo’n indruk op me dat ik me zorgen maakte over de reis van mijn ophalers en de reis terug met hen. M’n vader zou me komen ophalen met een kennis, die een Volkswagen had. Die nacht sliep ik slecht. Gelukkig verliep de reis naar huis voorspoedig, ik wilde zo snel mogelijk naar huis.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Un paèr joar eleene he’k un bookie eskree’m

De heer Frans Bakkers stuurde op 1 januari 2022 bijgaande reactie naar de redactie van ut Deevers Archief. Zijn reactie heeft betrekking op het bericht Wie bint toch die aandere jongen bee barak Alaska ? 

Ik heb in de periode augustus 1965 tot juli 1966 in jongenskamp De Eikenhorst gezeten. Ik was toen 12/13 jaar.
Ik zat in groep Alaska met onder andere Martin Kievits, Harm Kuiper(s), Henk Linthorst, Rob Malta, Herman Kreft, René in ’t Veen en Wim Paling.
Ik heb een goede tijd in het kamp gehad. Met prima leiders en onderwijzers, zoals Juf Kievits, Juf Klomp, Robert Mulder, Sjoerd Schokker, Gerard Blikman en Han Besseling.
Enkele jaren geleden heb ik deze periode beschreven in een klein ‘boekje’ met veel anekdotes.
Als het Deevers Archief belangstelling voor dit ‘boekje’ heeft, dan stuur ik dit jullie toe.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie is de heer Frans Bakkers bijzonder erkentelijk voor deze reactie.

De redactie heeft uiteraard belangstelling voor het ‘boekje’ met veel anekdotes en heeft dit direct aan de heer Frans Bakkers kenbaar gemaakt. Zo’n ‘boekje’ is een mooi geschreven fragmentje uit de geschiedenis van jongenskamp De Eikenhorst an de Gowe in de zestiger jaren van de vorige eeuw. De redactie zal dit ‘boekje’ opnemen in ut Deevers Archief. Zo leggen de ex-bewoners zelf beetje bij beetje de geschiedenis van jongenskamp De Eikenhorst vast. Nu het nog kan. Nu veel ex-bewoners van het kamp zestigers, zeventigers en tachtigers zijn en niemand het eeuwige leven heeft. Dat de komende tijd elke ex-bewoner van jongenskamp De Eikenhorst zijn eigen ‘boekje’ moge schrijven.
Wat was de voornaam van juf Kievits ?
Wat was de voornaam van juf Klomp ?

Posted in Alle Eikenhorsters, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ur mist nog un paèr olde Gowse ansichtkoat’n

Bijgaand afgebeelde zwart-wit vierluiks-ansichtkaart was in het jongenskamp De Eikenhorst an de Gowe te verkrijgen voor de bewoners van het kamp. Deze ansichtkaart is in juli 1964 uitgegeven.
Op deze ansichtkaart staat een afbeelding van een groep jongens in de gemeenschapsruimte van barak Alaska (Groep Alaska), een groep jongens die met de handen aan het werk is (Handarbeid), de kantoren met de stafverblijven, een groep jongens op het sportveld (Sportles).
Van die vier afbeeldingen op de ansichtkaart is ook een afzonderlijke ansichtkaart uitgegeven. In ut Deevers Archief is slechts aanwezig een afbeelding van de ansichtkaart met een groep jongens in de gemeenschapsruimte van barak Alaska.
De redactie zou ook bijzonder graag een afbeelding van de ansichtkaarten met de titel Handarbeid, Kantoren en Sportles in ut Deevers Archief opnemen. Wie van de zeer gewaardeerde bezoekers van ut Deevers Archief -wellicht één van de voormalige bewoners van De Eikenhorst- kan de redactie helpen aan een goede scherpe scan van die drie genoemde ansichtkaarten ?
De jongens van barak Alaska stuurden de hier afgebeelde ansichtkaart op 14 augustus 1964 met de hartelijke groeten en met de wens van spoedige beterschap naar mejuffrouw W. de Groot, Buiksloterweg 97-I. Amsterdam. Het adres werd aldaar doorgehaald en op 17 augustus 1964 blijkbaar (als onbestelbaar ?) teruggestuurd naar mejuffrouw W. de Groot, p/a kamp De Eikenhorst, Dieverbrug (Dr.). Het is de redactie niet duidelijk hoe deze ansichtkaart precies is gelopen. Wellicht was mejuffrouw W. de Groot al zeer spoedig beter en vliegensvlug weer afgereisd naar de Gowe ? Is de kaart met één postzegel twee keer verzonden geweest ?

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ik bin beekaans un joar in Klondike ewest

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 20 januari 2014 het volgende bericht van de heer B.J. Blom.

Ik ben in de jaren 1956-1957 in kamp Geeuwenbrug geweest. Toen was de naam van de commandant meneer Frens, die is naderhand naar Appelscha gegaan. Er was ook een sportleider. Er was een toneelzaal. En we deden ook bosspelen.
Ik persoonlijk heb er de mooiste tijd van mijn leven gehad. Ik heb ongeveer een jaar in Klondike vertoefd.
Ik kan mij ook nog de namen Eddie Langerijs, Dirk Vonk en Jan Pommerel voor de geest halen.
In elk groepsverblijf zaten 21 jongens, die zeker niet een slechte inborst hadden, maar het was het gevolg van de oorlog.
Ik hoop dat U deze reactie de moeite waard vindt. En heel misschien zeggen deze drie letters V.B.S. u wel iets, die moesten wij in ons kleding naaien.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Wie kan dit korte verhaal van de heer B.J. Blom aanvullen ?
Waar zijn Eddie Langerijs, Dirk Vonk en Jan Pommerel gebleven ?
En waar zijn al die andere jongens, die in de barak Klondike verbleven, gebleven ?
Het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe (aan de Geeuwenbrug) was een kamp voor sociale jeugdzorg van de afdeling Vorming Buiten Schoolverband (V.B.S.) van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Met ‘het gevolg van de oorlog’ zal de heer Blom bedoelen dat de zware oorlogsjaren hem als jongen diep hebben geschokt.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ik heb in 1954 en 1955 in barak Klondike gezeten

Jacob Voorthijsen stuurde op 1 juli 2019 de volgende korte maar stevige reactie over zijn tijd in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe naar de redactie van het Deevers Archief. De redactie is hem bijzonder erkentelijk voor deze reactie.

Ik ben Jaap en ik heb in 1954 en 1955 in barak Klondike gezeten.
Ik weet mij te herinneren dat we op stro lagen te slapen, weliswaar zat het stro in een omhulsel.
Ik kan mij de naam van de groepsleider niet precies herinneren, maar hij was een pedofiel !!!!
Maar voor de rest heb ik wel een mooie tijd gehad.
Ik heb nog twee fotootjes van die tijd.
Ik ontvang graag een reactie.

Fritz Hendriks stuurde op 1 september 2021 de volgende korte reactie. De redactie is hem bijzonder erkentelijk voor deze reactie.

Beste Jaap, ik ben een beetje laat met mijn reactie, want ik heb een rommelige tijd achter de rug. Ik heb ook in de periode 1954 -1955 in Klondike gezeten. Voor mij was het een slechte tijd. Ik weet er niet veel meer van. Ik ben geboren in 1942. Ik heb een zeer slechte jeugd gehad. Maar als jij nog foto’s hebt van het kamp, dan wil ik van die foto’s graag een kopie ontvangen via de e-mail.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
In ut Deevers Archief wordt van personen, die reageren op berichten, geen e-mail adres getoond.

De redactie zou de twee fotootjes van Jacob Voorthijsen graag in ut Deevers Archief willen tonen.
De redactie verwijst de heer Jacob Voorthijsen en de zeer gewaardeerde bezoekers van ut Deevers Archief graag naar het bericht Groepsverblijven Perú en Klondike an de Gowe en het bericht Ik zat in Klondike, dat was de laatste barak in de rij.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Kees Verhoef sög nog steeds Kees van Duin

De redactie van ut Deevers Archief heeft bijgaand artikel samengesteld op basis van een telefonisch interview met de heer Kees Verhoef, die in de periode 1950-1952 een jaar in kamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe verbleef.

Ik ben geboren in 1939 in Putten in Gelderland geboren. Mijn moeder is met mij van mijn vader weggelopen. In de oorlog heb ik in de Lombokstraat in Amsterdam gezeten bij mijn opa. Daarna ging ik in de oorlog naar een inrichting in Utrecht.

De man die bij mijn moeder was, dat was mijn stiefvader. Die had niet veel met mij. Die sloeg en schopte mij. Als dat gebeurde, dan kon ik niet thuis zijn, dan klom ik lang de regenpijp het dak op en ging ik achter de schoorsteen zitten. Daar kon hij mij niet pakken. De buren hebben op een gegeven moment de politie ingeschakeld. Daarna hebben mensen van de gemeente mij weggehaald. Zo ben ik in kamp ‘de Eikenhorst’ terecht gekomen.

Ik ben twee keer ondervoed geweest. We kenden thuis geen vettigheid. Thuis was het armoede. In het kamp was het eten goed. We kregen prima te eten. Er was goed brood met beleg. We aten in de barak met de keuken en de eetzaal.

Ik kan mij de naam van de commandant van het kamp niet meer herinneren. De commandant had een eigen woning. Die man zag je nooit. Die zat heel ver weg. Die kreeg z’n centen zeker voor niks. De naam van de adjudant was meneer Groen. We wisten zijn voornaam niet. Zo ging dat. Gelijk links van de ingang stond de barak van de leiding. We mochten het terrein niet af. We mochten niet in café Jonkers komen. We gingen niet naar het zwembad in Diever. Ik herinner mij het kanaal nog wel.

In het begin kregen we geen school in het kamp. Mijn taak was werken in het magazijn. Ben Nielen uit Wormerveer was de magazijnmeester. Hij was ook onze sportleraar. In het magazijn had ik wat verantwoordelijkheid. Dat gaf ook enige macht. We droegen militaire kistjes, van die hoge schoenen. Die werden steeds maar gerepareerd, totdat ze uit elkaar vielen. Ik zei dan dat zo’n versleten paar schoenen nog wel een tijdje meeging, maar daar besliste de magazijnmeester dan anders over.

We hadden ook corvee. Daar was een corveelijst voor. We moesten werken in de keuken en in de kantine. We moesten de afwas doen van de jongens uit alle barakken. Voor mij was structuur en discipline in mijn leven positief. In de afwasbarak moesten we alles met de hand afwassen. Met de corveelijst was alles goed geregeld. Er was structuur. Je wist waar je aan toe was. Dat was thuis heel anders. Ik heb in het kamp geleerd voor me zelf te zorgen. Het was goed dat je wat moest doen. Aan mijn tijd in kamp ‘de Eikenhorst’ heb ik veel gehad.

De jongens uit de barak Perú gingen met elkaar om en gingen weinig met de jongens van de andere barakken om. Daar heb ik geleerd wat kameraadschap en discipline is. De jongens onder elkaar vochten wel, maar als je onder kwam te liggen, dan had je verloren, dan was het afgelopen. Maar die Henk Staal hield zich daar niet aan en bleef de jongen die onder lag hard in zijn gezicht stompen. Dat was heel gemeen. In de barak sliepen we op een stromatras. Zo nu en dan werd het stro vervangen door nieuw stro.

Elke ochtend werd de Nederlandse vlag gehesen, net zoals tijdens de militaire dienst. We liepen in de gelid naar de vlag, dan werd de vlag gehesen. We moesten ook regelmatig flink wat kilometers door de bossen lopen. Dat was zwaar.

We hadden eens een hut gegraven in de zandvlakte. Dat mocht van de leiding. We gingen kijken waar de kippen van de commandant waren. We roofden de eieren van zijn kippen. We kregen leverpastei uit een blikje op ons brood. In zo’n leeg blikje kookten we de geroofde eieren van de commandant.

Kees van Duin was mijn kameraad, die kwam uit Scheveningen, vlak bij de haven. Ik kwam uit Groede, vlak bij de haven van Breskens. We praatten over loggers en botters en vissersschepen. Ik ben hem kwijt geraakt. Ik heb naar hem gezocht op Facebook, maar ik heb hem nog steeds niet gevonden.

Ik heb een hele mooie tijd gehad in het kamp. Ik heb een goed gevoel over het kamp ‘de Eikenhorst’. Ik ben daar een jaar geweest. Het is een mooie tijd geweest. De leiding was niet streng. Ze schreven wel alles over je op. Na een jaar ben ik overgeplaatst naar een kamp in Maarsbergen, daar moest ik een vak leren. Ik heb daarna nog in een kamp in Veenendaal gezeten, daar mocht je roken. In een metaalfabriek in Veenendaal heb ik als leerling gaten in scharnieren geponst. Later ben ik gaan varen op de binnenvaart.

Alles wat ik had van het kamp ‘de Eikenhorst’ is verdwenen. Ik had ook grammofoonplaten met uitvoeringen van heldentenoren gekregen van meneer Pols. Mijn stiefvader heeft alles weggegeven. Het enige wat ik nog heb, dat is deze foto. Ik kon niks van vroeger van ‘de Eikenhorst’ terugvinden. Ik zit sinds zes jaar op de computer en heb via Google in de website www.dieversarchief.nl verhalen over ‘de Eikenhorst’ gevonden. Dat was een hele gewaarwording.

Op de foto zie ik Kees van Duin staan. Hij is de jongen met het streepjesshirt. Ik zie aan de kopjes van de jongens dat ze gelukkig waren. Jantje Scholten staat ook op de foto. Hij was een klein mannetje en werd daarmee altijd geplaagd. Ik sta op de foto aan de rechterkant, met mijn handen bij elkaar. Meneer Pols, onze leider, staat achteraan op de foto. Zijn voornaam ken ik niet. Je zei meneer tegen hem, dat was alles. Alles was netjes geregeld. De foto is bij de barak van de groep Perú genomen.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De jongens die omstreeks 1951-1953 in de barak met de naam Perú verbleven worden dringend verzocht te reageren op dit artikel van Kees Verhoef en vooral op de groepsfoto. In het bijzonder is de redactie op zoek naar Kees van Duin. Is Kees van Duin nog in leven ?

Abracadabra-1410

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Wie bint toch die aandere jongen bee barak Alaska ?

Deze zwart-wit foto is in 1963 in jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe (aan de Geeuwenbrug) gemaakt.
Wie zijn toch al die jongens bij barak Alaska ? Wellicht zijn het de dertien bewoners van deze barak ?
De deur van de barak is open. Zijn de jongens even naar buiten gekomen voor een foto bij daglicht ? Het is moeilijk in te schatten in welk jaargetijde de foto is gemaakt. Alle jongens hebben een trui aan. Een jongen heeft een jas met capuchon aan. Enige jongens hebben een sjaal om. Een jongen loopt zelfs nog in de korte broek. Aan de bomen zitten geen bladeren. De redactie heeft het vermoeden dat de foto in het najaar zo tegen de winter is gemaakt.
De kleine man met bril en witte sjaal en donker haar achter de jongens is hun leider Gerard Blikman.
De redactie van ut Deevers Achief wil bijzonder graag van voormalige bewoners van jongenskamp De Eikenhorst an de Gowe weten wie op deze foto staan. Wie reageert ?

De redactie ontving op 12 juni 2021 de volgende zeer gewaardeerde reactie van de heer John Bosch uit Venlo
Hoi, mijn naam is John Bosch. Ik heb van januari 1963 tot januari 1964 is het kamp gezeten. Als ik zo alle verhalen lees, dan komen nog veel namen en leuke herinneringen boven. Ik heb een leuke tijd gehad in het kamp en veel vrieden gemaakt en veel geleerd ook van de leiding.

Ik herken barak Alaska en enkele jongens. De jongen aan de rechter kant is Frank de Kanter, links voor hem staat Harry de Kanter, die jongens kwamen uit Oosterhout. De jongen met de geblokte shawl, dat ben ik, John Bosch uit Venlo. Links naast mij staat Kees de Kleine uit Kampen. De jongen met de lichte trui is Harry Teffer uit Amsterdam.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief van 12 juni 2021
De redactie is de heer John Bosch bijzonder erkentelijk voor zijn reactie.
Hopelijk lezen Frank de Kanter, Harry de Kanter, Kees de Kleine en Harry Teffer dit bericht en kunnen zij zich de andere jongens op de foto herinneren ! De redactie ontvangt graag hun reactie ! En uiteraard is de redactie bijzonder benieuwd naar wat zij zich kunnen herinneren van hun tijd in jongenskamp De Eikenhorst an de Gowe !

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Kaamp veur Sociale Jeugdzorg an de Gowe – 1955

Fritz Hendriks reageert op 29 mei 2014 en 4 november 2014 als volgt.
Ik heb hier 11 maanden gezeten in de jaren 1953-1954. Ik was toen 11 jaar.
Ik heb in het kamp gezeten vanwege een uithuisplaatsing.
Ik was uit huis gezet vanwege losse handjes en vanwege een stiefvader, die niet van me af kon blijven, die had ook losse handjes. Het zag er niet rooskleurig voor mij uit in die tijd.
Maar in het kamp was het precies hetzelfde. Ik had in het kamp helaas ook losse handjes. De leiders konden ook niet van mij afblijven, die hadden ook losse handjes.
Het was er niet prettig. Ik heb er geen goed gevoel aan over gehouden, maar dat is nu verleden tijd.
Verder gaat het goed met mij, maar ook na zoveel jaar zal ik het nooit vergeten.

Zijn er nog foto’s uit die tijd ? Wie kan mij helpen aan foto’s uit die tijd ?

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie stelde in 2006 ten behoeve van de leden van de heemkundige vereniging uut Deever de zo genoemde ‘historische kalender’ (hoe kan een kalender historisch zijn ?) voor het jaar 2007 samen.
Deze foto stond afgebeeld op het kalenderblad voor de maand januari 2007.
De redactie herinnert zich het samenstellen van deze kalender als een leerzame wandeling op de wegen der vrijheid.

Abracadabra-520

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Historische kalender, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Woar bint disse twee jongen toch eblee’m ?

In ut Deevers Archief zijn van bijgaand afgebeelde zwart-wit ansichtkaart twee exemplaren aanwezig. De ansichtkaart heeft als titel ‘Kamp voor Sociale Jeugdzorg ‘de Eikenhorst’, Geeuwenbrug (Dr.) – Sportlaan’. De Sportlaan kwam ongetwijfeld uit bij het sportveld. De ansichtkaart is in 1955 in jongenskamp ‘de Eikenhorst’ uitgegeven.
De jongeman J… Meeuwsen is de afzender van het ene exemplaar. De jongeman J…. Eveleens is de afzender van het andere exemplaar. Waar zijn deze twee jongens toch gebleven ? Hoe is het hen gegaan in hun leven ? Het moeten nu (2021) mannen van over de 75 jaar zijn.
De redactie van ut Deevers Archief verzoekt J… Meeuwsen en J… Eveleens te reageren op dit bericht. De redactie verzoekt barakgenoten van J…. Meeuwsen en J….. Eveleens eveneens te reageren.


Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ik heb ok nog un paer medallies van klei

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 23 november 2014 van Kornelis (Kor) Fokker de navolgende reactie over zijn verblijf in het jongensinternaat ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. De redactie heeft de tekst een beetje geredigeerd. Wellicht kan Kor zijn verhaal nog verder aanvullen, geen enkel probleem om dat te publiceren. Dat deed Kornelis (Kor) Fokker op 20 mei 2021. De redactie is Kornelis (Kor) Fokker bijzonder erkentelijk voor zijn bijdrage aan de beschrijving van het verleden van Jongenskamp De Eikenhorst an de Gowe.

Ik ben Kor en ik vind al die reacties heel herkenbaar.
Alleen ik heb in plusminus 1969 in het kamp vertoefd. Het kamp werd toen een internaat genoemd.
Ik heb daar de landing op de maan gezien en ik heb daar ook aan ‘olympisch spelen’ meegedaan.
Ik heb de namen van alle jongens met wie ik daar gezeten heb, waarschijnlijk geblokt, want ik kan mij maar één jongen herinneren, dat was Henk, zijn achternaam was Kypershoek, alleen ik weet niet zeker of dat zijn achternaam was.
Ik herken de barakken op de foto’s goed. Ik heb in de barak met de naam Perú gezeten.
Ik ben ook een keer weggelopen.
Nieuwe jongens noemden we ‘peesies’.
Ik heb ook nog een paar medailles van klei, overgehouden van die ‘olympische spelen’.
Ik heb daar gezeten toen ik 12 jaar was. Ik ben nu 57 jaar.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Op 6 december 2014 schreef Henk Kurpershoek in eigen persoon de volgende wel erg korte reactie in de vorm van één zin:
Ik heb bij jou in de groep gezeten, Perú.

Dus beste Kor, de achternaam van Henk is niet Kypershoek, maar Kurpershoek.
Maar wat is de achternaam van Kor ?

Reactie van Kornelis (Kor) Fokker van 20 mei 2021
Hoi Henk, 
Ik kan mij nog een paar dingen herinneren.
Ik herinner mij juffrouw Klomp en meneer Jacob en ook het marmotten dorp.
We moesten ook aardappelen pitten. 
Ik weet niet meer hoe lang ik daar ben geweest.
Ik weet nog wel dat wij goed met elkaar konden opschieten.
De namen van die andere jongens weet ik niet meer.

Ik werk in de haven op een kraan voor het lossen en laden van containers.
Ik ben nu 63 jaar en ik moet nog een paar jaar werken.
Groetjes, Kor Fokker

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Frits van den Boogaard zat in barak Transvaal

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 8 mei 2013 en 29 augustus 2017 korte reacties van Frits van den Boogaard uit Helmond, die ook verbleef in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. De redactie heeft beide reacties samengesteld tot het volgende bericht. Hij reageert op het bericht Ben van Erp vraagt: Herkennen jullie dit ook ?. Hij wil graag in contact treden met oude bekenden uit die tijd. Als een bezoeker van ut Deevers Archief zich Frits van den Boogaard herinnert, dan wordt deze persoon uitgenodigd te reageren op dit bericht. Oude bekenden van Frits van den Boogaard worden uitgenodigd foto’s van hun tijd in ‘de Eikenhorst’ naar de redactie te sturen voor opname in ut Deevers Archief.

Mijn naam is Frits van den Bogaard.
Ik woon in Helmond in Noord-Brabant.
Ik ben destijds via Jeugdzorg in jongenskamp ‘de Eikenhorst’ geplaatst.
Ik heb daar in 1958/1959 gezeten.
Ik heb daar in groep Transvaal gezeten.
In die tijd was mijn leidster Lenie de Win uit Noord-Brabant en mijn leider was de heer Hofman.
Mijn vraag aan de bezoekers van het Dievers Archief is: zijn er bij toeval nog foto’s uit die tijd bewaard gebleven ?
Het zou fijn zijn als deze hier getoond zouden worden.
Veel groetjes, Frits

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Plattegrond van de olde kaamp ‘de Eikenhorst’

Het Kamp voor Sociale Jeugdzorg ‘de Eikenhorst’ an de Gowe werd na de Tweede Wereldoorlog gevestigd in het werkkamp van de Nederlandse Arbeidsdienst (N.A.D.), dat de Duitse bezetter ten tijde van de Tweede Wereldoorlog bouwde en gebruikte.
De grote vraag bij deze plattegrond van de beginsituatie van het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ is natuurlijk of de bebouwing dezelfde als die van het N.A.D.-werkkamp ?
Het mag duidelijk zijn dat in het N.A.D.-werkkamp geen ‘kinderboerderij’, ‘marmottendorp’, ‘basketbalveld’ en ‘openluchttheater’ waren.
Maar was de ‘appelplaats’ dezelfde als de ‘appelplaats’ van de N.A.D.’ers ?
En was het ‘voetbalveld’ in de oorlog de ‘marcheerplaats’ ?
En waren de barakken dezelfde barakken als die van het N.A.D.-werkkamp ?
Merkwaardig op deze plattegrond is ook de aanduiding ‘woonruimte commandant’. Werd het hoofd van het jongenskamp commandant genoemd ?
Wie kan de redactie van ut Deevers Archief meer duidelijkheid over deze plattegrond verschaffen ? Met name de zeer gewaardeerde oud-bewoners van het jongenskamp worden uitgenodigd op dit bericht te reageren.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst, N.A.D.-kamp | Leave a comment

Ut Dallegie in de kaamp De Eikenhorst

Het voormalige jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe (aan de Geeuwenbrug) werd in januari 1949 gevestigd in het voormalige werkkamp van de Nederlandse Arbeids Dienst (N.A.D.) an de Gowe. Het kamp was in het begin vanaf de rijksweg te bereiken langs de Pastoorszandweg naast café Jonkers (het café van Zwatte Hendekie).
Een mooie indruk van de ligging van het kamp is te verkrijgen met behulp van een satelietfoto van het kamp, die via het internet is te vinden in de webstee nederland-in-beeld.nl.
Het jongenskamp was een zogenaamd V.B.S.-kamp (Vorming Buiten Schoolverband). Dit kamp werd later een B.J.-kamp (Bijzonder Jeugdwerk), het was een kamp voor de sociale jeugdzorg, daarna werd het een B.J.-internaat. Alle B.J.-internaten zijn inmiddels opgegaan in provinciale verbanden.
In de webstee members.quicknet.nl (Drentse internaten) is te lezen dat voormalige bewoners van het jongenskamp de Eikenhorst contact met elkaar proberen te zoeken.
Op ansichtkaarten zijn foto’s van het jongenskamp te zien, waaronder ook de bijgaande van de ingang van het kamp. De echte verzamelaar van ansichtkaarten uut de gemiente Deever heeft deze zwart-wit ansichtkaart ongetwijfeld in zijn verzameling.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Op 31 oktober 2012 ontving de redactie van ut Deevers Archief de volgende reactie op dit bericht:
Helaas heb ik slechte ervaringen opgedaan in het jaar 1953.
Ik heb 11 maanden in het kamp gezeten, vanwege uithuisplaatsing door jeugdzorg, de reden was incest, maar het misbruik ging gewoon door in het kamp.

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ik heb een heerlijke tijd in kamp De Eikenhorst gehad

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 1 februari 2021 van Pim Zaalberg de volgende reactie op het bericht Mijn dagen als nieuwe pees zal ik niet gauw vergeten van zijn kamp- en barakgenoot Rob Tijssen. Pim Zaalberg bracht van begin 1962 tot eind 1963 door in het jongenskamp De Eikenhorst (barak Klondike) an de Gowe. De redactie is hem bijzonder erkentelijk voor zijn reactie. 

Beste Rob Tijssen,
Dank je voor jouw nauwgezette beschrijving van het leven in het kamp de Eikenhorst. Mijn naam is Pim Zaalberg en ik heb sterk het vermoeden dat wij in dezelfde periode in Klondike zijn geweest.
Harry Peek was mijns inziens een fijne groepsleider. Ik heb hem later, begin jaren zeventig van de vorige eeuw nog eens opgezocht. Hij woonde toen op een woonboot in de buurt van Cruquius (Vijfhuizen ?).
Ik zag dat je je een paar namen herinnerde, bijvoorbeeld die van Jan Schipper, die bokser wilde worden. Die heeft mij nog de ziekenboeg ingeslagen.
Ik heb de indruk dat ik in de groep wel een buitenbeentje was. Eigenlijk is het mij nooit duidelijk geworden waarom ik daar bijna anderhalf jaar -van begin 1962 tot juni 1963- heb doorgebracht. Maar in tegenstelling tot anderen, die aan het verblijf in het kamp een trauma hebben overgehouden, heb ik een heerlijke tijd in het kamp gehad.
Volgens mij werkte de heer Westerhof ook als kok in hotel-restaurant Wesseling in Dwingeloo.
Nogmaals dank voor je mooie beschrijving.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De reactie nodigt Klondike-genoten van Pim Zaalberg, in het bijzonder Jan Schipper, te reageren op de berichten van Pim Zaalberg en Rob Tijssen. Is Jan Schipper inderdaad bokser geworden ?

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Peter van Tiel saat ok in ‘de Eikenhorst’ an de Gowe

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 10 september 2017 bijgaande reactie van de heer Peter van Tiel, die in de jaren 1962/1964 verbleef in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. Hij wil graag in contact treden met oude bekenden uit die tijd. Als een zeer gewaardeerde bezoeker van ut Deevers Archief zich de heer Peter van Tiel nog herinnert, dan wordt deze persoon uitgenodigd te reageren op dit bericht.

Ik ben Peter van Tiel.
Graag zou ik nog in contact willen komen met de jongens van het internaat aan de Geeuwenbrug.
Zelf zat ik in het kamp ‘de Eikenhorst’ in de jaren 1962/1964.
Ik woonde toen in Middelburg.
Ik zou het geweldig vinden als ik wat oude bekenden van toen zou kunnen spreken.
Ook om oude herinneringen op te kunnen halen.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Vlag hijsen en breken in jongenskamp De Eikenhorst

De heer Pieter Verdonk stuurde op 10 september 2020 de volgende reactie naar ut Deevers Archief. De redactie van ut Deevers Archief is hem bijzonder erkentelijk voor deze reactie. De heer Pieter Verdonk is van 1961 tot 1963 groepsleider geweest in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. Van de heer Pieter Verdonk zijn verschillende bijdragen verwerkt in berichten in ut Deevers Archief.

Ik heb destijds een foto van de appèlplaats in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ gemaakt. Ik meende, dat ik van die foto nog een exemplaar had. Ik heb die foto helaas nog niet terug kunnen vinden.
Op die foto is de appèlplaats met de vlaggemast in het midden van de appélplaats te zien. Rond de vlaggemast staan de vier groepen jongens uit de barakken Perú, Klondike, Transvaal en Alaska, daar tegenover staan enkele stafleden. In bepaalde opzichten leken bepaalde zaken in het kamp op het doen en laten bij de toenmalige padvinderij. Daar werd in die tijd ook de vlag gehesen, terwijl men in de houding stond, enzovoorts.
Misschien is het leuk het volgende bij de hier ontbrekende foto van de appèlplaats op te merken. We hadden een enorm boek, de zogenaamde stafbijbel, waarin alle aanwijzingen, enzovoorts uit Den Haag waren opgeborgen. In die stafbijbel stond ook, dat als een lid van het Koninklijk Huis was overleden, dan de vlag ’s morgens tot halfstok moest worden gehesen en dan moest worden “gebroken”.
Op 28 november 1962 overleed prinses Wilhelmina. Dat moest worden meegedeeld bij het vlagappèl en de vlag moest na het hijsen worden gebroken. “Doe jij dat maar, dat kan ik niet”, fluisterde de adjudant, die anders het vlagappèl leidde, me toe. Tja, ’t was in de zestiger jaren en in die tijd kon zoiets al gezegd worden… Dus heb ik het overlijden van de prinses aangekondigd en het commando “vlag hijsen en breken” gegeven. Na drie dagen hoefde dat niet meer, want de prinses had in haar testament opgenomen dat ze geen plichtplegingen wilde.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Als een vlag na het hijsen moet worden “gebroken”, dan moet de vlag op een speciale manier zijn gevouwen.
Het “breken” van de vlag werd voornamelijk gedaan bij harde wind.
Wie van de voormalige bewoners van het jongenskamp ‘de Eikenhorst’
an de Gowe is in het bezit van een exemplaar van de in het bericht beschreven foto van de appélplaats ? De redactie zou bijzonder graag een goede scan van deze foto bij dit bericht willen tonen.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Jongenskamp ‘de Eikenhorst’ had eigen kampgeld

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 7 januari 2015 van Alexander Moes de volgende reactie over het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

In een artikel uit de Tielse courant van 18 januari 1950 wordt een beschrijving gegeven van de organisatie van Kamp Eikenhorst.
In het artikel staat te lezen dat de jongens 50 cent zakgeld per week kregen, dat gebruikt kon worden voor aankopen in de kantine.
Maar ze konden er ook een duif of een konijn voor kopen als er genoeg gespaard was.
Het zakgeld was niet het normale Nederlandse geld, maar zogeheten kampgeld (biljetten of fiches), een eigen uitgifte, deze waren genummerd en er stond een stempel op.
De vraag is of lezers nog voorbeelden, afbeeldingen, hebben van dit kampgeld en indien mogelijk met ons zou willen delen.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Over de organisatie van jongenskamp ‘de Eikenhorst’

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 7 september 2014 van de 75-jarige heer Pieter Verdonk bijgaand verhaal over zijn tijd als groepsleider in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. De redactie van ut  Deevers Archief is hem bijzonder erkentelijk voor deze bijdrage aan de geschiedschrijving over dit kamp.

Van 1961 tot 1963 ben ik groepsleider geweest in het VBS-kamp, later BJ-kamp ‘de Eikenhorst’ te Geeuwenbrug. De Vorming Buiten Schoolverband, later Buitengewoon Jeugdzorgwerk in Internaatsverband kampen en internaten gingen uit van het toenmalige ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. De grote baas in Den Haag was mr. A.J.M. Schats.

De jongens (van 10 tot 14 jaar) konden opgenomen worden als er bijvoorbeeld moeilijkheden thuis of op school waren. Voorwaarde was dan wel dat tijdens het verblijf van de jongen in het kamp aan de thuissituatie het nodige gedaan zou worden. De plaatsing van de jongens verliep via contactambtenaren, die verzoeken tot opnamen van bijvoorbeeld scholen, huisartsen of  de ouders zelf behandelden. Al naar gelang het inkomen van de ouders was er een ‘ouderbijdrage’.

Op ‘de Eikenhorst’ verbleven de jongens een jaar. Om in contact te blijven met de  gezinssituatie was er voor de jongens een paar maal ‘verlof”, bijvoorbeeld met Kerstmis.

Het kamp in Geeuwenbrug bood ruimte aan 64 jongens, die verdeeld waren over vier groepen van 16 jongens. In ‘mijn tijd’ is de bezetting altijd 100% geweest.

Wat het personeel betreft, de directie werd gevoerd door ‘de commandant’, die bijgestaan werd door ‘de adjudant’. Dan waren er minstens vier groepsleiders, twee (bevoegde) onderwijzers, een sportleider en een leider voor de creatieve vakken, zoals tekenen, knutselen en dergelijke. Er waren naar ik meen twee jonge vrouwen die voor de huishoudelijke dienst zorgden en tegelijkertijd ‘groepsdame’ waren. Ze draaiden naast hun hoofdtaak mee in de groepen om het ‘vrouwelijk element’ bij de benadering van de jongens te realiseren. De onderwijzers waren veelal militaire dienstweigeraars, die hun vervangende dienstplicht in het kamp doorbrachten.

De commandant en de adjudant hadden eigen woningen op het terrein, de overige stafleden hadden een (slaap)kamertje in de groepsbarakken. Voor de administratie was er een aparte kracht. Verder waren er een kok, een magazijnmeester en een kampmonteur, die buiten het terrein woonden.

Op ‘de Eikenhorst’ werd het ‘goudzoekersspel’ gespeeld. In de loop van hun jaar konden de jongens rangen van ‘kompel’ tot en met ‘goudzoeker’ doorlopen. Het ‘goudzoekersspel’ was bedoeld om de jongens het goud van de vriendschap bij te brengen en op die manier aan hun problematiek te werken. De vier groepsbarakken hadden de namen Peru, Klondike, Transvaal en Alaska, streken waar ‘echt’ goud werd gevonden.

Voor de dagelijkse activiteiten buiten de groep waren de jongens ingedeeld in vier aparte groepen. De jongens met de meeste mogelijkheden, bijvoorbeeld in schoolkennis, werden ingedeeld bij groep C, iets minder ontwikkelden kwamen in groep L, daarna volgde A en tenslotte N. Samen: Clan!

Overdag, op ongeveer dezelfde tijden als ‘thuis’, namen de jongens deel aan onderwijs, sport, creativiteit en corvee. De groepsbarak was het eigen home van de jongens. Er was een slaapzaal met 16 bedden, een toilettengroep en een ‘washalletje’. Verder was er het ‘schoenenhalletje’ en het groepsverblijf. In mijn tijd stonden in de groepsverblijven levensgrote kolenkachels. De eerste taak van een groepsleider na een verlof in de winter was de kachel aan te steken, want dan kon het venijnig koud zijn in de barakken.

Er was een aparte barak met douches en met wasmachines. De ‘gewone was’ werd niet in het kamp gedaan, maar de ‘straaljagerwas’ werd gedaan met de kamp-wasmachine. ‘Straaljagers’ waren jongens die in hun bed plasten. ‘Bommenwerpers’ heb ik in mijn tijd gelukkig niet meegemaakt.

In het dagelijks leven werd een forse discipline gehandhaafd. Ging men ‘s morgens van de groep naar de eetzaal, dan gebeurde dat netjes in een rij, die voor de barak gevormd werd. De groepsleider moest dan zeggen: ‘In de stand – staat!’,  waarop de jongens in de houding sprongen. Het volgende commando was dan ‘Kwartdraai linksom – naar de eetzaal!’.

Voor de dagactiviteiten begonnen was er nog het ‘vlagappel’, waarbij de jongens per leefgroep rond de vlaggenmast in de houding stonden en de vlag door een van hen gehesen werd.

Natuurlijk is in de loop der jaren het regime veranderd; daar kunnen anderen misschien nog eens over vertellen.

Verder: het is mogelijk, dat ik in mijn verhaal dingen ben vergeten of niet helemaal precies juist gesteld. Vergeet daarbij niet dat het meer dan een halve eeuw geleden is dat ik op ‘de Eikenhorst’ werkte en dat ik nu 75 ben!

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Wie kent Jan Giessen uut Rotterdam nog ?

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 24 mei 2020 van Jan Giessen uit Rotterdam het volgende korte bericht over zijn tijd in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. De redactie is hem daarvoor bijzonder erkentelijk. Ook korte berichten dragen bij aan de beschrijving van de geschiedenis van jongenskamp ‘de Eikenhorst’. Jan Giessen zoekt met name contact met jongens uit barak Transvaal. Wie van de zeer gewaardeerde bezoekers van ut Deevers Archief, voormalige bewoners van het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe wil reageren ? 

Mijn naam is Jan Giessen uit Rotterdam.
Ik was in de periode 1958-1959 een jaar in kamp ‘de Eikenhorst’ bij Diever.
Ik zat daar samen met nog een jongen uit Rotterdam.
Ik zat in barak Transvaal. Mijn bed stond bij de ingang van de slaapzaal.
We hadden een leuke groep jongens en we hadden altijd veel lol.
Wat mij tegenviel was dat wij pap moesten eten. Baaaaah.
Wie mij nog kan herinneren, daar hoor ik graag van …..

Afbeelding 1
Jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe was voor het eerst in 1954 aangegeven op de topografische kaart van de Topografische Dienst.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Groet’n uut kaamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe

Op deze tamelijk zeldzame zwart-wit ansichtkaart uit het einde van de vijftiger jaren van de vorige eeuw zijn enige kleine afbeeldingen te zien, te weten een afbeelding van de gemeenschappelijke ruimte in de Alaska-barak, de handenarbeidruimte zat in de barak waarin ook de douches en het drooghok waren, de kantoren met de stafverblijven en de sportles op het voetbalveld. Voormalige bewoners van het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe worden verzocht vooral te reageren.

Abracadabra-453

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Hier goa ik woon’n, ofsender Rob

Op 29 oktober 1966 stuurde Rob Ditmeyer, waarschijnlijk vlak na zijn aankomst in de jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe, bijgaande ansichtkaart van de kinderboerderij in de kamp ‘de Eikenhorst’ naar de familie Ditmeyer, Nieuwe Kerkstraat 36II in Amsterdam-Centrum.
Achter op de ansichtkaart schreef hij niet geheel zonder gevoel voor humor of wellicht cynisch bedoeld:
Hier ga ik wonen, afzender Rob.
Wie van de voormalige bewoners van het jongenskamp heeft Rob Ditmeyer gekend ?
Wellicht kan Rob Ditmeyer bij leven en welzijn ook zelf reageren ?
Wie van de voormalige bewoners van het jongenskamp kan wat vertellen over deze kinderboerderij ?

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Een groepsleider heeft mij verschrikkelijk mishandeld

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 21 februari 2020 bijgaande heftige reactie van de heer Jan …, met de jongensnaam Jan van der Meulen, over zijn tijd in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ik ben ook in kamp ‘de Eikenhorst’ geweest in de jaren 1967-1968. Ik was elf  jaar toen ik daar binnenkwam. Ik heb daar mijn twaalfde verjaardag gevierd. Toen heette ik Jan van der Meulen. Ik heb inmiddels een andere achternaam.
Ik kan mij maar weinig van die tijd herinneren, omdat ik heel veel herinneringen aan het gebeurde in die tijd heb verdrongen. En de zaken die ik mij wel herinner van kamp ‘de Eikenhorst’ zijn niet zo leuk.
Ik heb jaren met wraakgevoelens rondgelopen. Ik wilde die groepsleider opzoeken, die mij op een verschrikkelijke manier heeft mishandeld. Het enigste wat ik deed was naar het toilet gaan. Het licht ging uit, toen ik uit het toilet kwam. Hij heeft mij toen geschopt en getrapt en in elkaar geslagen en zwaar toegetakeld. En ik weet echt nog steeds niet waarom.
Ik ben naar mijn bed gestrompeld, toen ik weer een beetje bij kwam. Alles zat onder het bloed, mijn gezicht, mijn rug. Mijn benen en nek waren bond en blauw.
De volgende ochtend heel vroeg, zo rond 5 uur ben ik weggeslopen. Ik ben gaan lopen. Ik heb er twee dagen over gedaan om de 56 kilometer van ‘de Eikenhorst’ bij Geeuwenbrug naar huis in Groningen te lopen op mijn sandalen. Ik heb een nacht in het bos geslapen. Dat was in het bos van de Appelbergen, zo’n vijf kilometer van Haren, want ik was bang gevonden te worden. De volgende dag werd ik wakker in het bos, waarna ik ben begonnen aan het laatste stuk naar de stad Groningen om weer thuis te kunnen zijn. Ik was liever thuis, dan maar op mijn donder krijgen van mijn dronken stiefvader. Dat duurde maar even, want ik was nog maar net thuis of ik werd al opgehaald en teruggebracht naar het kamp.
Ik moest toen veertien dagen in de ziekenboeg van het kamp liggen, dat moest omdat ik er niet uit zag.
In het kamp waren slechts twee personen, die ik voor mijn gevoel kon vertrouwen. Slechts één groepsleider was te vertrouwen, dat was de heer Dagelet. En de kok van de keuken was te vertrouwen.
Ik weet niet waarom van mijn zware mishandeling geen aangifte is gedaan. Ik kan daar geen antwoord op geven.
Ik plaats daarvan ben ik van kamp ‘de Eikenhorst’ naar kamp ‘Ekinga’ in Appelsga overgebracht. Ook kreeg ik in kamp ‘Ekinga’ een andere naam. Mij werd bruut en zonder enige uitleg gezegd: ‘Jij heet vanaf nu Jan ….’ En dat zeiden ze tegen een kind van twaalf jaar, die net in een ander internaat aankwam. Ik stond aan de grond genageld. Mijn wereld stortte in. Dat heeft me zoveel pijn en onbeschrijfelijk verdriet gedaan.
Ik wil hierover verder niet schrijven, het verleden doet mij pijn, ik krijg daar last van.
Ik ben wel op zoek naar jongens, die zich kunnen herinneren wat toen met mij in kamp ‘de Eikenhorst’ is gebeurd.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie is de heer Jan …., met de jongensnaam Jan van der Meulen, bijzonder erkentelijk voor zijn verhaal. De redactie heeft hem uitdrukkelijk om zijn toestemming voor publicatie in ut Deevers Archief gevraagd en gekregen. Ook daar is de redactie hem bijzonder erkentelijk voor. 

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Mijn bed stond midden in de slaapzaal

Johan van Doorn uit Rotterdam stuurde de redactie van ut Deevers Archief op 12 mei 2015 als reactie op het bericht ‘Over de organisatie van jongenskamp ‘de Eikenhorst” bijgaand bericht over zijn eigen tijd in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ik denk dat ik in 1961 in ‘de Eikenhorst’ zat. De heer Verdonk was mijn groepsleider in groep Transvaal. Ik heb daar een hele fijne tijd gehad met de heer Verdonk.
Mijn bed stond midden in de slaapzaal. Dat was niet altijd zo gunstig in verband met het gooien van onze kisten(schoenen).
Ik heb het idee dat in mijn tijd net een wisseling van leider is geweest. Een vrouw werd opgevolgd door de heer Verdonk. De naam van de leidster weet ik niet meer.
Later ben ik de heer Verdonk op de Vlietlaan in Rotterdam tegengekomen, maar ik heb niet laten merken dat ik hem herkende. Later had ik daar spijt van.
Tegenover het kamp staat een huisje. In mijn kamptijd stond ik samen met Robbie, die ook uit Rotterdam kwam, een keer bij dat huisje te dromen. We wilden met een boot teruggaan naar Rotterdam, maar we wilden ons eerst een dag verstoppen in het huisje en dan een boot nemen naar Rotterdam. Ik ben nu op vakantie in dat huisje.
Als ik na onze vakantie terug ben in Rotterdam, zal ik terugkomen op mijn kampleven.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Sportveld met kinderboerderij in ′de Eikenhorst’

De redactie van ut Deevers Archief wil nieuwe aanwinsten in zijn verzameling ansichtkaarten graag tonen aan de trouwe bezoekers van ut Deevers Archief.
In dit geval in het bijzonder de aanwinst tonen aan voormalige bewoners van het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.
De aanwinst betreft een zwart-wit ansichtkaart van het sportveld en de kinderboerderij in het jongenskamp.
De zwart-wit ansichtkaart is in het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw uitgegeven.
Voormalige bewoners van het jongenskamp worden verzocht een en ander te vertellen over het reilen en zeilen bij het sporten in het kamp en in het bijzonder wie op deze foto zijn te zien.

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ik had een klein gaatje in de houten wand gemaakt

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 2 februari 2015 van Max Bouwens de navolgende reactie over zijn verblijf in het internaat ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. De redactie heeft de tekst een beetje geredigeerd.
Max Bouwens richt zich tot Kor. Zie van Kor het bericht ‘Ik heb ook nog een paar medailles van klei’. 
Wellicht kan Max zijn verhaal nog verder aanvullen met herinneringen, geen enkel probleem om die te publiceren. Gescande foto’s zijn ook van harte welkom.

Hallo Kor,
Gezien mijn leeftijd zou het best wel zo eens kunnen zijn dat wij in diezelfde tijd daar hebben gezeten. Ik ben ook 57 jaar
Maar het enige verschil is -geloof ik- dat ik in Klondike heb gezeten.
Ik herken ook het Marmottendorp op de foto’s hier en ook onze barak.
In onze slaapzaal sliep ik langs de kant, maar dan aan de kant waar de leiding ook sliep. Ik had daar een klein gaatje in de houten wand gemaakt, zodat ik kon zien wat ze daar allemaal uitvogelden.
Hahahaha, dat kwam in me op, toen ik die barak weer zag op de foto’s.
Nu komen er steeds meer herinneringen naar boven …

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Eetzaal in ut jongenskamp De Eikenhorst an de Gowe

De redactie van ut Deevers Archief wil uiteraard de afbeelding van mooie zwart-wit ansichtkaarten graag tonen aan de trouwe bezoekers van de webstee Deevers Archief. In dit geval in het bijzonder het tonen aan voormalige bewoners van het jongenskamp De Eikenhorst an de Gowe.
De afbeelding betreft die van een ansichtkaart van de eetzaal in het kamp De Eikenhorst. De kaart is in het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw uitgegeven. Voormalige bewoners van het kamp worden vooral verzocht een en ander te vertellen over het reilen en zeilen in de eetzaal van het jongenskamp.

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Foto’s jongenskamp De Eikenhorst uit 1961-1963

De redactie van ut Deevers Archief kreeg op 25 december 2019 van de toen 80-jarige heer Pieter Verdonk de melding dat hij een serie van 24 foto’s, die hij gemaakt heeft in zijn tijd als groepsleider in het V.B.S.-jongenskamp ‘de Eikenhorst’ (V.B.S. staat voor Vorming Buiten Schoolverband) an de Gowe (aan de Geeuwenbrug), geschikt had gemaakt voor publicatie op het internet.
De redactie verzocht hem toestemming te geven voor het publiceren van deze serie van 24 foto’s in ut Deevers Archief. Die toestemming gaf hij en de redactie is hem daarvoor bijzonder erkentelijk.
De redactie vermeldt uitdrukkelijk dat alle rechten op de serie van 24 foto’s bij de heer Pieter Verdonk blijven berusten (© Pieter Verdonk).
De heer Pieter Verdonk stuurde ook een reactie naar ut Deevers Archief toe hij 75-jaar was. Hij stuurde ook de tekst van het kamplied naar ut Deevers Archief.
Jongens – aan het begin van 2020 mannen van bijna 70 jaar en ouder – die de foto’s hebben bekeken en zichzelf of medebewoners herkennen, worden uitdrukkelijk verzocht te reageren. De redactie neemt hun verhalen graag op in ut Deevers Archief.

Foto’s 1, 2 en 3
Kerstmis 1961. In de eetzaal, die omgetoverd was tot toneelzaal, werd een kerstuitvoering gehouden. Natuurlijk geruime tijd voor 25 en 26 december, want met kerstmis gingen alle jongens (van 10 tot 14 jaar) naar huis. De Eikenhorst was een internaat waar de kinderen op vrijwillige basis geplaatst werden.

Foto 1

Foto 2

Foto 3

Foto’s 4, 5 en 6
In de groepen werd kerstmis natuurlijk ook gevierd. Het kerstverhaal werd voorgelezen, er was een broodmaaltijd (anders werd er altijd in de eetzaal gegeten). Per groep was er ook een kerstboompje. Met echte kaarsjes, want electrische kerstverlichting was een luxe, die nog maar enkelen hadden.

Foto 4

Foto 5

Foto 6

Foto’s 7, 8 en 9
Het bos was natuurlijk een ideaal speelterrein. Ruimte was er meer dan genoeg, van Geeuwenbrug tot aan het landgoed Berkenheuvel bij Diever.

Foto 7

Foto 8

Foto 9

Foto’s 10, 11 en 12
Vanaf het kampterrein was het maar een paar minuten lopen en je was in het bos. Er kon heerlijk gespeeld worden, vooral als er sneeuw lag… De jongens hebben hier bijna allemaal een overalletje aan. Of het verplicht was een overall te dragen als we naar het bos gingen, weet ik niet meer.

Foto 10

Foto 11

Foto 12

Foto’s 13 en 14
Het groepsverblijf was de huiskamer van de groep. Hier zijn we in de groep Transvaal. De vier groepsbarakken heetten Klondike, Perú, Transvaal en Alaska, landen waarin goud werd gevonden. In het kamp betekenden die namen, dat naar “het goud van de vriendschap” gezocht werd.

Foto 13

Foto 14

Foto 15
Deze foto geeft een kijkje in de slaapzaal van Transvaal. In zo’n zaal stonden 16 bedden. Naast de bedden staan de kastjes, waar de jongens hun eigendommen in konden opbergen.

Foto’s 16 en17
Sinterklaas was ook een van de feesten, die terdege werd gevierd. De jongens kregen ieder een handvol centen. De staf richtte in de eetzaal een soort markt met allerlei stands in. Voor een cent konden de jongens bij elke stand iets kopen, muziek laten spelen enzovoort. Op foto 16: links, lange man: “commandant” (directeur) R. Sanderman. Naast hem, met bril, magazijnmeester De Vries.

Foto 16

Foto 17

Foto 18
Op deze foto staan kampmonteur Harm Winter en zijn vrouw.

Foto’s 19 en 20
Ook in de eetzaal (multifunctionele ruimte) werden soms voorstellingen door artiesten gehouden. Foto 19 en foto 20 tonen het optreden van de Spaanse danser Frans Rafall met zijn pianist.

Foto 19

Foto 20

Foto 21
Op deze foto is te zien het sportveld van het kamp, met op de achtergrond de kinderboerderij met de naam ‘Bertus Frens Hoeve’.

Foto 22
Er waren dieren in het kamp, waar de jongens zelf voor konden zorgen. Er was een compleet marmottendorp. Op deze foto zien we het dierenverblijf van de groep Alaska of Transvaal, dat weet ik niet meer. Daar konden de jongens bezig zijn met hun eigen dieren.

Foto 23
Elke week moest een brief naar huis worden geschreven, waarin de gebeurtenissen
van de laatste tijd werden verteld.

Foto 24
Tenslotte, om niet te vergeten de kinderboerderij, waar de eigen pony Caesar in de buurt rondliep. In de kinderboerderij was een grote schouw, waarin je ’s avonds een prachtig open vuur kon aanleggen. En dan zingen… en verhalen vertellen…

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ik heb rond 1953 in kamp ‘de Eikenhorst’ gezeten

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 27 januari 2020 van de heer Pieter Bos bijgaand kort bericht over zijn tijd in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ aan de Geeuwenbrug. De redactie is hem bijzonder erkentelijk voor dit bericht.

Ik heb rond 1953 in kamp ‘de Eikenhorst’ aan de Geeuwenbrug gezeten.
Mijn naam is Philiphus Nicolaas Pieter Bos. Ik ben geboren op 7 oktober 1943 in Amsterdam.
Mijn vader was vrachtwagen chauffeur. Hij is in mijn tijd op ‘de Eikenhorst’ één keer langs geweest en mijn moeder ook één keer. Mjn vader was vaak voor zijn werk van huis was en mijn moeder kon de vijf kinderen niet echt de baas. Dat is de reden waarom ik uit huis ben geplaatst. Ik was nogal te avontuurlijk ingesteld en dat had tot gevolg dat jeugdzorg mij uit huis heeft geplaatst. Mijn moeder kon mij niet de baas. Ik heb eerst zes weken in het burgerweeshuis in Amsterdam gezeten. Aansluitend heb ik zes weken in een tehuis in Heelsum bij Rhenen gezeten. Daarna heb ik drie maanden in een kamp in Hummelo gezeten. En aansluitend heb ik een jaar in kamp ‘de Eikenhorst’ bij Geeuwenbrug gezeten.
De indrukken die die tijd in mij hebben achtergelaten, die staan mij niet meer zo helder voor de geest.
Wel was het zo dat ik toen nog niet elke nacht droog kon doorkomen en daardoor door de kamer genoten enigszins gemeden werd. Er was echter een leidster die mij begeleidde en mij hielp met wassen. Ze waste mijn lakens waarna ik deze ’s avonds uit het drooghok op kon halen. Zij was in mijn tijd de enige samen met de leraar Peer die mij nog enige vorm van liefde gaven.
Mijn leraar was Peer. Wij noemden hem Peer de Schuimer. Hij was een aardige vent. Hij kwam uit Eck en Wiel. Hij was een oude auto aan het restaureren.
Ik heb veel vrijheid in het kamp gehad. Waarom ik in kamp ‘de Eikenhorst’ zoveel vrijheid kreeg en andere dingen mocht doen, dat is mij nog steeds een raadsel.
Ik mocht ook een boer helpen met aardappelen rooien en met houtzagen. Bij het aardappelen rooien, dat deden we nog op je knieën met een riek en een gevlochten rieten mand. Ik kreeg koffie in een mok en dikke plakken roggebrood met spek van de boerin. Ik voelde me daar een hele kerel. De boerderij moet nabij de kruising van de Kanaalweg en de Oude Groningerweg staan. Daar heb ik kachelhout staan zagen met een ouderwetse beugelzaag. Het aardappelrooien moet op de plaats zijn geweest waar nu de schuur staat aan de Pastoorszandweg, dus nabij het kamp.
De boer die ik mocht helpen was een soort tuin- en klusjesman. Hij heeft me veel bijgebracht over de natuur.
Ik mocht ook alleen vissen in de vaart. Dat deed ik bij de sluiskom.
Het zandpad achter het kamp, waar we in het najaar cantharellen vonden, is op Google Maps duidelijk herkenbaar. We hebben deze opgebakken met een uitje en een tomaat.
Ik denk dat ik in het najaar ben weggegaan uit het kamp.
Helaas is alles inmiddels zo lang geleden, dat ik van mijn medebewoners geen scherp beeld meer heb .
De vlagceremonie kan ik me nog wel herinneren, maar namen van barakken en van mijn medebewoners weet ik helaas niet meer. Helaas kan ik je ook geen foto’s uit die tijd geven. Zo blijven veel dingen je bij, maar helaas is ook veel niet helder meer voor de geest te halen.
Ik kon na een jaar door naar het leerkamp in Appelscha, wat ik niet zag zitten. Wel ben ik nog steeds verbaasd dat ik mij zo weinig kan herinneren over de scholing die ik daar moet hebben gehad, maar de handarbeidlessen staat mij nog wel duidelijk voor de geest. Het is mogelijk dat daar de basis is gelegd voor vaardigheden, die mij in mijn verdere leven goed van pas zijn gekomen.
Na allerlei te korte opleidingen ben ik in het transport beland en ik heb daar mijn werkzame leven afgesloten.
Ik heb altijd een mooie herinnering aan jongenskamp ‘de Eikenhorst’ gehad. Ik heb daar geleerd voor mijzelf op te komen.
Enige vorm van kindermisbruik heb ik nooit ervaren, mogelijk was ik te jong om zulke dingen op te merken.
Uiteindelijk heeft deze tijd mij gevormd en ook enigszins vervormd, waardoor ik ook op latere leeftijd te vaak mijn eigen weg meende te moeten gaan en daardoor niet altijd in het gareel kon lopen. Ik kan wel stellen dat ik te vaak mijn eigen weg ging en te weinig aandacht had voor anderen, wat een relatie niet ten goede komt. Ik was twintig toen ik trouwde, we kregen twee dochters, maar dit huwelijk is gestrand. Inmiddels houdt mijn tweede huwelijk al zevenendertig jaar stand, met af en toe een hobbel en een kuiltje, maar dat hoort er bij. Toen ik 59 jaar was, ben ik met de vut gegaan. Sindsdien varen wij elk jaar met ons schip naar Denemarken en Zweden en genieten van elke dag.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Hoe gaat het toch met de jongens van barak Perú ?

De heer Willem van Beek stuurde op 18 en 20 januari 2020 bijgaande korte reactie op het bericht Groepsverblijven Perú en Klondike an de Gowe en de in het bericht opgenomen afgebeelde zwart-wit ansichtkaart van de barakken voor de groepen Perú en Klondike in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ik heb in 1964 -1965 bij de heer Bekkering Vinkers in barak Perú gezeten.
Ik zie helaas niemand van de groep.
Ik ben benieuwd hoe het met de jongens gaat.
Uiteraard heb ik nog vele herinneringen aan de twee jaar die ik daar heb doorgebracht.
Wij klommen vaak in de grote boom.
De voornaam van de heer Bekkering Vinkers was Jaap. Hij kon hard slaan maar hij kocht ook snoep voor ons.
Ik ging veel om met Albert (uit Ameland), Otto Jaarsveld (uit Amsterdam) en Tin Cha Yu (?) (uit Amsterdam).
Wij zijn ook een keer ontsnapt ….. en helemaal tot Amersfoort gelopen ….. maar toen opgepakt. Albert niet. En dezelfde avond waren we weer in de barak.
Ik ben op de reünie geweest van de Eikenhorst, maar ik heb geen jaargenoten ontmoet.
Wat mij opviel was dat de jongens na ons het wel iets gemakkelijker dan wij hebben gehad.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie is de heer Willem van Beek zeer erkentelijk voor deze korte reactie.
Wie kan de redactie op het spoor zetten van de heer Jaap Bekkering Vinkers ? Leeft hij nog ?
Wie herinnert zich Willem van Beek ?
De redactie nodigt Albert uit Ameland en Otto Jaarsveld en Tin Cha Yu uit te reageren.
De redactie roept barakgenoten van de heer Willem van Beek vooral op te reageren !

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ben van Erp vraagt: Herkennen jullie dit ook ?

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 28 januari 2015 van Ben van Erp het volgende korte maar zeer gewaardeerde bericht over het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ik heb in die tijd daar ook gezeten. Ik geloof in de barak met de naam Klondike. Ik weet nog wel dat het de derde barak was, gerekend vanaf de hoofdbarak waar ook de douches waren en waar je je wasgoed kon halen en brengen. En één keer per week -geloof ik- kon je daar ook snoep kopen van je zakgeld. Ik geloof dat het zakgeld iets van 25 cent of zo was. En in die tijd is ook het sportzaalcomplex met het toneelpodium gebouwd. Herkennen jullie dit ook ?

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Kamplied jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe

Van de heer Pieter Verdonk (geboren in 1939) ontvingen wij op 16 september 2014 de navolgende bijdrage over zijn tijd als groepsleider in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. Dit keer bericht hij over het kamplied van het jongenskamp .
De redactie van ut Dievers Archief is hem bijzonder erkentelijk voor deze bijdrage aan de geschiedschrijving over dit kamp. Wellicht lezen andere oud-kampbewoners dit bericht en kunnen zo nodig aangeven of de tekst van het kamplied aanpassingen behoeft.  

Leuk dat u mijn bijdrage over de organisatie van De Eikenhorst zo heeft gewaardeerd.  Ik heb nog iets, dat misschien leuk is: de tekst van het kamplied.  Wie het geschreven heeft weet ik niet, wel weet ik dat wij als jongens en staf het bij vele gelegenheden zongen.

Kamplied van De Eikenhorst
Heft aan Eikenhorsters, zingt allen het lied
van het kamp tussen eiken en berken.
Waar vind je in Nederland een mooier stuk natuur
om een jaar aan jezelf te werken.
Wij treden des morgens als jongens en staf
bij onze vlag tezamen,
en gaan dan eenieder naar ons eigen werk met spoed
om ‘s avonds te zeggen: de dag was goed,
met leren en sporten en spitten
met zingen en spelen en handarbeid.
Wij mopperen en fluiten
in groep en daarbuiten
Om na een jaar te zeggen: ‘t was een machtige tijd!

Ik hoop dat het helemaal goed is!

Vriendelijke groet,
Pieter Verdonk

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Die week in Giethoorn staat mij nog erg bij

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 31 december 2019 van de heer Addie Monster de volgende reactie over zijn tijd in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. 

Ik heb in de groep Alaska in de periode 1965/1966 of in de periode 1967/1968 gezeten, dat weet ik niet precies meer.
Ik kan mij nog een naam heugen, ik denk dat het de heer Jan Leerkens is.
Ik herinner mij ook mijn zaalgenoot Alfons van Os uit Rotterdam. En ook een René, zijn achternaam weet ik niet meer, hij kwam uit Amsterdam. En ik denk een Henk Roos. Maar de naam Martin Kievits staat me niet bij.
Mijn naam is Addie Monster en ik kom uit Dordrecht.
Wat mij nog erg bijstaat, dat was die week in Giethoorn. We hebben toen een hele week op het water gepunterd, dat was erg leuk.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie verzoekt de in de reactie van de heer Addie Monster genoemde personen vooral te reageren.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Gesaèmelukke ruumte in de Alaska barak

Wie van de ex-bewoners van de barak met de naam Alaska in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe kan de redactie van ut Deevers Archief informeren over de personen op deze foto ?
Deze afbeelding staat op een zwart-wit ansichtkaart, die voor de jongens in het kamp verkrijgbaar was. Deze ansichtkaart is in 1964 gemaakt.
En hoe het leven was in de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw in deze voormalige barak van het kamp van de Nederlandse Arbeids Dienst (N.A.D.) ? Wie van de voormalige bewoners van de barak met de naam Alaska of van een andere barak kan daar meer over vertellen ?

Op 15 juli 2015 reageerde Martin Kievits als volgt :
De man met pijp is Gerard Blikman, onze leider. Ik zat in Alaska van februari 1965 – februari 1966.

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Openluchttheatertje in het kamp ‘de Eikenhorst’

Bijgaande zwart-wit foto staat afgebeeld op een ansichtkaart die in augustus 1966 is uitgegeven. Onder aan de kaart staat als titel vermeld: Openluchttheatertje in het kamp ‘de Eikenhorst’.
Niet bekend is wie de uitgever van deze kaart is. Of gaf jongenskamp ‘de Eikenhorst’ zelf ansichtkaarten uit ?
De vraag is wel waar dat openluchttheatertje op deze ansichtkaart is te zien, want het horizontale vlak op de voorgrond lijkt meer het oppervlak van een openluchtvijvertje te zijn.
Wie van de oud-bewoners van het jongenskamp an de Gowe kan hier wat duidelijkheid in verschaffen ?

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

We hadden een commandant als hoofd van het kamp

Henk Franssen stuurde op 1 augustus 2014 de volgende reactie over zijn verblijf in kamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ook ik was ooit bewoner van kamp de Eikenhorst in Diever. Precies 1 jaar gewoond daar. We hadden een commandant als hoofd van het kamp. Er stonden 4 barakken als slaap en recreatiezaal. Elke barak had een groepsleider. Ook de douchegelegenheid was ondergebracht in een barak. Eten deden we gezamenlijk in de eetzaal. Er was veel sport en spel voor zover ik weet. We waren met 65 jongens. Na mijn verblijf daar nooit meer iemand gesproken.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De redactie is op zoek naar foto’s uit de begintijd van jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. Oud-kampbewoners worden verzocht te reageren met verhalen en foto’s.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ik heb één jaar doorgebracht in kamp ‘de Eikenhorst’

De redactie van het Deevers Archief ontvangt regelmatig reacties van mensen die in hun jeugd in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe hebben gezeten. De redactie wil de bezoekers van het Deevers Archief bijgaand verhaal van de heer A. Kemp uit Alkmaar niet onthouden. Het verhaal is enigszins geredigeerd.

Als 12/13 jarig jochie kwam ik daar. Als ik het terugreken, dan wat dat waarschijnlijk in 1959.
Wie de commandant was in mijn tijd ben ik echter door de jaren heen vergeten. Maar dat er in het kamp een commandant en een adjudant waren, dat denk ik wel.
Ik ben van ‘de Eikenhorst’ overgeplaatst naar een kamp in het verderop gelegen Appelscha. Dat was het kamp voor bijzondere jeugdzorg ‘Aekinge’ en daarvan herinner ik mij een commandant de heer Frens en een adjudant de heer Zweers.
Dus mag ik aannemen dat ‘de Eikenhorst’ ook een commandant en een adjudant hadden.
Het leuke is dat ik nog contact heb met één van de jongens uit het kamp Aekinge. Op 31 augustus 2013 komen we met zes oudgedienden uit Aekinge voor het eerst na 52 jaar weer bij elkaar. Dit naar aanleiding van het 50-jarig huwelijk van een van de groepsleiders. Ik heb verder weinig herinneringen aan ‘de Eikenhorst’ en ik heb geen foto’s uit mijn tijd in het kamp. Ik heb wel een paar foto’s op het internet gevonden.
Mijn tijd in het kamp, ongeveer 1 jaar, ben ik redelijk goed door gekomen. Ik herinner mij wel dat ik één keer uit het kamp ben weggelopen. De reden daarvan weet ik niet meer.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ik heb in de kaamp eseet’n van juni 1969 tot juni 1970

De redactie van het Deevers Archief ontving op 25 oktober 2015 bijgaande reactie van de heer Henk Kuiper uit Diemen over zijn verblijf in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. Henk Kuipers is op zoek naar zijn oude kameraden.

Ik heb in het kamp gezeten van 1969 tot juni 1970. De jongens die reageren ken ik natuurlijk nog. Ik heb zelfs nog foto’s van Ben en Kor.
De barakken waren als volgt: 1. Alaska, 2. Peru, 3. Transvaal en de laatste was Klondike.
In Klondike zaten de oudere jongens, die langer op het kamp zaten. Die gingen ook naar school buiten het kamp.
Het is inderdaad zo dat je de eerste 40 jaar van je leven de boel geblokt hebt, maar naarmate je ouder wordt ga je toch steeds meer over de jongens nadenken.
Ik ben al een paar jaar op zoek naar de jongens waar ik heb beste mee om ging. Hyves en Facebook hebben wel een beetje geholpen, maar een heleboel jongens zijn nog verstopt.
Als u eventueel meer wilt weten mag u mij altijd mailen.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie wil natuurlijk nog veel meer weten van het reilen en zeilen in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. De redactie wil ook graag de genoemde foto’s, compleet met namen publiceren. Henk Kuiper doelt op de jongens Ben van Erp en Kor. De lezer wordt gemakshalve verwezen naar het artikel Ben van Erp vraagt: Herkennen jullie dit ook ? en naar het artikel Ik heb ook nog een paar medailles van klei.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

S.S.-Jongenskamp in het voormalige N.A.D.-kamp

In de krant De Heerenveensche Koerier (onafhankelijk dagblad voor Midden-Zuid-Oost Friesland en Noord-Overijssel) verscheen op 5 februari 1947 het navolgende bericht.

S.S.-Jongenskamp te Diever
Diever. 3 februari.
Het kamp van de voormalige N.A.D. te Geeuwenbrug, dat de laatste maanden buiten gebruik was, heeft thans een nieuwe bestemming gekregen. Het kamp is overgegaan in beheer bij het departement van onderwijs. Er zullen thans jongens van 16 tot 21 jaar in ondergebracht worden, die behoord hebben tot de S.S. en dergelijke. In de afgelopen week is de eerste groep reeds gearriveerd,

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
Het kamp Diever van de Nederlandse Arbeidsdienst (N.A.D.) lag in de buurt van de Geeuwenbrug, in de vijftiger jaren van de vorige werd daar het jongensinternaat ‘de Eikenhorst’ gevestigd.
Het was bij de redactie van het Deevers Archief tot nu toe niet bekend dat het voormalige kamp van de N.A.D, na de Tweede Wereldoorlog ook gebruikt is voor het onderbrengen van jongens die in de Tweede Wereldoorlog lid waren geweest van de S.S. en dergelijke.
De Germaansche S.S. was de verzamelnaam van verschillende paramilitaire groepen, die van 1939 tot 1945 ontstonden in door Duitsland bezette gebieden. De Germaansche S.S. was gebaseerd op het model van de Schutzstaffel (S.S.) en had als doel de nationaalsocialistische rassendoctrine en het antisemitisme op te leggen. Dit deed zij voornamelijk door lokale politietaken op zich te nemen en eenheden van de Gestapo, de Sicherheitsdienst (S.D.) en andere afdelingen van de Reichssicherheitshauptamt te versterken.
De Nederlandse organisatie werd opgericht onder de naam Nederlandsche S.S., maar later omgedoopt tot Germaansche S.S. Ze was betrokken bij razzia’s tegen joden voor deportatie naar vernietigingskampen. Na de oorlog werden de meeste leden van de Germaansche S.S. in Nederland gebrandmerkt als landverraders en werd een deel veroordeeld wegens oorlogsmisdaden.

Abracadabra-1278

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst, N.A.D.-kamp, Tweede Wereldoorlog | Leave a comment

De oam’d dat Kennedy wödde vörmoord

De redactie van het Deevers Archief ontving op 9 juni 2016 bijgaande wel erg korte reactie van de heer Paul Bosman over zijn tijd in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ik ben Paul Bosman.
De avond dat we hoorden dat Kennedy was vermoord, staat mij nog heel helder voor de geest.
Onze groepsleider was Ben Derksen uit Wijchen.
Later was Klein Hofmeester onze groepsleider.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Het is verheugend dat steeds meer oud-Eikenhorsters een reactie -hoe kort dan ook- naar ut Deevers Archief sturen.
De redactie is Paul Bosman erkentelijk voor deze reactie.

De moord op president John Fitzgerald Kennedy, de vijfendertigste president van de Verenigde Staten van Amerika, vond op 22 november 1963 plaats in Dallas in de Noord-Amerikaanse deelstaat Texas om 12.30 uur lokale tijd.
In Texas is het 7 uur vroeger dan in Nederland. In Nederland was het op dat tijdstip 19.30 uur.
Wie van de oud-Eikenhorsters kan zich Paul Bosman herinneren ?
Wie zaten bij hem in de groep ?
Wie wil het Eikenhorst-verhaal verder uitbreiden ?

De heer mr. Martin Kievits reageerde op 11 november 2021 als volgt:
Paul Bosman is helaas overleden…

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Mijn dagen als nieuwe pees zal ik niet gauw vergeten

De redactie van ut Deevers Archief ontving op 23 maart 2016 van de heer Rob Tijssen het volgende uitgebreide verhaal over zijn jaar in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ik ben Rob Tijssen en ik ben geboren op 19 april 1950 in Nieuwer-Amstel. Mijn verhaal over het jongensinternaat ‘de Eikenhorst’ bestrijkt de periode 3 september 1962 tot 18 juli 1963.
Ik ben na mijn lagere schooltijd naar het jeugdinternaat ‘de Eikenhorst’ gestuurd. De redenen en de juiste motivatie daarvoor zijn mij nooit verteld en zeker niet uitgelegd.
Ik was niet een van de gemakkelijkste. Ik had een hekel aan leugens en ik had ook een groot rechtvaardigheid gevoel. Iets wat mij vaak in conflictsituaties bracht, die ik dan vaak met losse handjes oploste.
Mijn ouders hebben mij op mijn twaalfde weggebracht naar het verre Geeuwenbrug in Drenthe. Mijn vader mocht daarvoor de bedrijfswagen van zijn werkgever L.J. Kramer gebruiken, een Fiat.
Op maandag 3 september 1962 gingen wij op pad met een koffer met kleding, waar door mijn moeder speciaal besteld, een geborduurd naam- en nummerstrookje was ingenaaid (het wasnummer). Ik had nummer 38, voor zover ik mij kan herinneren. Dit gebeurde aan de hand van een lijst die mijn ouders was toegezonden. Hierop stond ook precies welke kleding ik bij mij moest hebben. Verders wat persoonlijke dingen, zoals een foto en dergelijke.
Na ongeveer 2,5 uur rijden arriveerden wij na enig zoeken en vragen bij het internaat, wat je van de rijksweg af niet zag liggen. We vroegen de weg bij café Jonkers tegenover de Geeuwenbrug. Over een zandpad langs het café kwamen we bij de ingang van het internaat en stopten voor -wat later bleek- de stafbarak.
Wij hadden in het jongenskamp veel meer reuring verwacht, maar het was uitgestorven. We zagen niemand. We hoorden na het uitstappen een typemachine, dus er was wel iemand. Na op het geluid af te zijn gegaan, maakten we kennis met de heer Schievink, de administrateur van het internaat. Hij vertelde ons dat niemand aanwezig was en dat de jongens die middag terug zouden komen van hun verlof. Eens in de zes tot acht weken kreeg je verlof. Dit was onder andere afhankelijk van hoe het uitkwam met de feestdagen, zoals Kerstmis en Pasen. De heer Schieving stuurde ons letterlijk en figuurlijk het bos in met het verzoek later die middag terug te komen.
Nadat we de omgeving hadden verkend en foto’s hadden genomen, gingen wij terug naar het internaat.
Ik was ingedeeld in de groep ‘Klondike’. Ik bracht mijn spullen naar de barak en zette die op het aan mij toegewezen bed. We sliepen met ongeveer zestien jongens op een zaal. Naast een bed stond een kast voor het opbergen van eigen spullen en kleding. Deze plek heb ik gedurende mijn periode daar gehouden.
Later die dag werd mij een oudere jongen toegewezen, die mij uitlegde hoe ik mijn kast moest inrichten en indelen en gaande weg uitlegde wat de regels waren en waar ik me aan moest houden. Ook heeft die jongen mij geholpen mijn bed op te maken, wat heel strak volgens militair voorschrift moest gebeuren. Bij een inspectie of zo, je stond dan voor jouw bed, werden jouw gepoetste kistjes (kleine maat militaire schoenen) en jouw kast geïnspecteerd. De liniaal werd langs jouw stapeltje kleding gelegd, Als jouw bed niet in orde was, dan kreeg je een berisping en werd het bed door de leider afgehaald en kon je opnieuw beginnen. Mijn leider was in die periode Harry Peek uit Breukelen. Soms trok hij ook zo jouw hele kast leeg op de grond als hij vond dat je te vaak een loopje met hem nam, en niet alles erin lag, zoals het volgens de regels moest.
Abracadabra-1280

Mijn eerste dagen als nieuwe pees -dit was de bijnaam voor een nieuwkomer- zal ik niet gauw vergeten. Vooral de jongens die al langere tijd in het kamp waren, voelden zich heel wat. Maar met mijn vechtersmentaliteit (letterlijk en figuurlijk) had ik al snel mijn draai gevonden.
De dag na mijn aankomst moest ik naar de foerier, de heer de Vries, om mijn kistjes, overall, sportkleding en verdere kampuitrusting te halen. Bij hem kwam je ook één keer per week om het zakgeld -ik meen f. 0,50- op te halen. Hij had ook een ruimte, waar we wat snoepgoed konden kopen, dat met het zakgeld werd verrekend. Ik weet niet meer of je de rest van je centen dan mee kreeg of dat het werd opgeschreven.
Na een soort test -meen ik- werd ik voor onderwijs ingedeeld in groep C en kreeg les in O II (zie de tekening van de plattegrond), wat voor mij inhield V.G.L.O. (Voortgezet Lager Onderwijs). We kregen les van van mijnheer Bergsma. Mijnheer Sjoerd Schokker gaf les in O I aan de -wat leren betreft- wat mindere broeders. We kregen sportles van mijnheer Bosman, die trompet speelde. Handenarbeid kregen we van mijnheer Besselink.
In de naschoolse tijd was je op je groepsleider aangewezen voor vermaak en dergelijke of je had corvee. Je had vaak ook wel tijd voor jezelf, maar je mocht alleen niet van het terrein af. Ik ging vaak naar wat wij het ‘Zandje’ noemde. Daar stond een schommel en daar was een klimboom.
In het weekeinde werd een programma gedaan met ’s zaterdagmorgen corvee, waarbij eenmaal in de vier weken jouw groep iemand naar de eetzaal moest sturen om die te reinigen en de vloer daar in de boenwas (bruine drab uit een groot blik) te zetten met een blokker. Dat was een zwaar metalen blok met een steel en met daaronder een borstel. De anderen van jouw groep maakten dan de slaapzaal, de gemeenschappelijke ruimte, het halletje, de wasruimte en de toiletten van de groep schoon. Hierbij kreeg iedereen een taak toegewezen. Als je dacht dat je het corvee goed had uitgevoerd, dan meldde je je bij de groepsleider en als deze vond dat je het goed had gedaan, dan kreeg je tot de lunch vrij. Regelmatig kreeg ook wel iemand strafcorvee. In de middag maakten we vaak een boswandeling of deden we een spel in het bos, meestal wel iets sportiefs. Soms organiseerde de groepsleider ’s avonds iets met een toneelstukje of zingen in jouw eigen groep of een spelletjesavond. In de winter werd dan die grote zwarte oliekachel aangestoken, als die al bij de gratie Gods mocht branden. Ook was meestal op zondag gelegenheid (lees verplicht) om een briefje naar huis te sturen. Die werd gecensureerd. De envelop mocht je niet dicht plakken. Dit gebeurde nadat de kerkgangers terug waren van hun kerkbezoek, iets wat de meesten van hen als een uitje zagen. Wat we dan ook wel deden en georganiseerd door de groepsleiders, was op het voetbalveld tegen een ander groep voetballen. Soms kregen we vrijaf en mochten we wat voor ons zelf doen.
In die tijd was mijnheer Verdonk de leider van de groep Perú. Hij trok volgens mij ook veel op met mijnheer Peek, want soms trokken die groepen wel eens met elkaar op.
Zo ook was jouw groep regelmatig verantwoordelijk om de tafels in de eetzaal te dekken of na het eten af te ruimen en de afwas te doen. Vele handen maken licht werk.
Elke week was een jongen of waren twee jongens -dat weet ik niet meer- koksmaatje. Een koksmaatje moest de kok helpen in de keuken. Als ik me goed herinner heette de kok Westerhof. Ik zie me daar nog zitten met die teil met aardappelen, die gepit moesten worden voor ongeveer zeventig personen, want de leiders aten ook mee. Zo ook de adjudant mijnheer van Tilburg, die ons dan om stilte vroeg, om hen die wilden bidden de gelegenheid te geven dit te doen. Ouders die op bezoek kwamen bij hun kind aten ook wel een enkele keer mee.
Een doordeweekse dag begon om ongeveer 7.30 uur met opstaan en wassen en na het aankleden bed opmaken, waarna de inspectie werd gehouden met aantreden voor het bed of voor de barak waar je een en ander werd medegedeeld en de opdrachten voor die dag werden verdeeld. Dan rechtsom in colonne naar de appelplaats waar we stonden opgesteld. Het appel werd afgenomen door de adjudant, waarna de vlag werd gehesen. Na deze ceremonie gingen we in colonne terug naar onze barak, waar we wachten tot de bel werd geluid, waardoor we wisten dat we konden gaan ontbijten. Het kan ook zijn dat het appel na het ontbijt plaats vond, dat weet ik niet meer.
Na het eten gingen we terug naar de barak en wachtten op de bel om naar ons leslokaal te gaan. Rond het middaguur gingen die jongens met een taak (corvee) die vervullen. De rest ging terug naar zijn barak om te wachten op de bel, waarna we warm gingen eten. Op donderdag -vaste prik- kregen we lever als vlees. Ik kon lever niet door mijn strot krijgen.
Na het warme eten gingen we weer naar de barak, waar je even tijd had v oor jezelf of waar je corvee ging doen, zoals je was opgedragen. Na de bel gingen we weer naar ons klaslokaal tot 15.30 uur, daarna had je wat vrije tijd voor jezelf of om met een vriendje uit jouw groep iets te ondernemen op het kampterrein.
Als de bel luidde gingen we eten of hadden we eerst appel met de vlaggenceremonie (strijken van de vlag), dat weet ik niet meer, waarna we -als iedereen zijn corvee en dergelijke had gedaan- nog even wat buiten gingen doen of gezamenlijk in de groep, dat was ook afhankelijk van het weer. Om 20.00 uur moesten we ons wassen, onze tanden poetsen en dan naar bed. Om 20.30 uur ging het licht uit en dan moest iedereen stil zijn. Als je dat niet was, dan moest je in jouw nachtkleding in het halletje staan bij de kamer van de leider, soms wel een uur en geloof me je kreeg het dan eigenlijk wel koud. Ik weet ook nog dat een keer een jongen buiten voor de barak moest staan, nou dat was helemaal geen lolletje.
Als we terug kwamen van een verlof, dan hield de kok daar zeker de eerste dagen rekening mee, dan was er wat minder te eten, omdat iedereen wel snoep en snaaiwerk mee van huis had gekregen van oma en van moeder, die je dat dan wat toestopten.
Maar toen wij in januari 1963 terugkwamen van verlof, had zowat niemand wat te snaaien, want thuis was ook alles nodig om die strenge winter te overleven. Na een paar dagen ging het fout en lagen we met honger in bed en konden we in de onverwarmde slaapzaal niet in slaap komen. Twee Rotterdammers gingen er toen op uit en zijn door het kolenhok de keuken in gegaan en hebben daar een paar rode kolen gestolen, die we rauw in bed hebben verorberd. Dat gaf de volgende dag bij de warme maaltijd de nodige consternatie, we werden toegesproken door de adjudant, maar het had wel tot gevolg dat we wel weer genoeg te eten kregen. Volgens mij was alles financieel strak geregeld om binnen een budget te blijven en werd de kachel daardoor ook minimaal gestookt.
Mijn oma overleed, toen ik net enige weken in het kamp zat. We noemde het internaat in die tijd ‘het kamp’. De Drent noemde ons kampjongens. In het Drents kaampjong’n. Ik moest tussen de middag naar het kantoortje van de adjudant in de stafbarak en kreeg daar plompverloren te horen dat mijn oma was overleden. Ik kon weer gaan met al mijn verdriet. Ik werd door mijn groepsleider, die het ook gehoord had, enigszins opgevangen, Aan hem vertelde ik dat ik minstens naar de begrafenis wilde en dat de adjudant dat bij voorbaat al had geweigerd. Harry Peek reed motor en zei tegen mij dat we desnoods samen op zijn motor naar Aalsmeer zouden gaan, maar dat ik daar zou zijn. Op stafniveau is daar toen over gesproken, waarna ik bij uitzondering de nodige reisbescheiden kreeg op kosten van het internaat. De dag vóór de begrafenis heeft Harry Peek mij op zijn motor naar het station in Meppel gebracht.
Een ander voorval was, toen op het avondappel een jongen ontbrak. Hij was weggelopen om een of andere reden. De commandant, de heer Sanderman, is met zijn auto (een van de eerste DAFjes van het type 33, de trutteschudder) achter hem aangegaan en heeft de jongen teruggebracht. Deze jongen is daarna flink bestraft en was een paar weken later met groot verlof, maar was waarschijnlijk naar een ander internaat gestuurd. Als je na ongeveer 1 jaar naar huis ging, dan noemden wij dat je met groot verlof ging.
Er waren soms wel leiders, die niet capabel waren om leiding te geven en je dan maar een klap of meerdere klappen gaven. Gelukkig is mij dat nooit overkomen, want ik vermoed dat het kampterrein dan te klein was geweest.
Sjoerd Schokker woonde volgens mij een paar huizen verwijderd van café Jonkers. Hij reed in een bestelwagen Citroën 2 CV (Lelijke eend).
Verders herinner ik mij nog wel wat namen van jongens uit de groep Klondike. Maar de bezetting van de groep veranderde telkens weer. Jan Schipper uit Den Bosch (hij wilde graag bokser worden), Ben Vermeulen uit Duivendrecht, Hans Hurk uit Eindhoven, Charles Tisserand uit Amsterdam, Frits Riemers, Tjang Jhen Chao uit Arnhem, Sier Koning, Cor Broertjes uit Amsterdam.
Ook was er een tuinman en klusjesman, de heer Winters, waar je ook wel heen werd gestuurd als je strafcorvee had. Dan moest je hem helpen. Ik vond dat eigenlijk niet eens zo erg en vond het wel een aardige man. De heer Winters woonde met zijn gezin buiten het kamp aan het zandweggetje dat langs café Jonkers liep op ongeveer 150 meter achter Café Jonkers. Zijn vrouw deed wat verstel- en reparati werk aan kapotte kleding, zoals sokken stoppen en knopen aanzetten.
Eind januari begin februari was ik erg ziek en lag in de ziekenboeg in de stafbarak tegenover de kamer van Veronika Jong, de leidster van groep Alaska. De andere kamer grenzend aan haar kamer was die van Tineke de Graaf, tegenover de ziekendienst waar je s’ avonds terecht kon voor een pleister, aspirientje of wat levertraanzalf als je schrale lippen had. Maar dat even terzijde. Ze durfden mij in eerste instantie niet te vervoeren, omdat ik spontaan bewusteloos was geraakt en ik ben daar volgens mij door dokter Broekema uit Diever behandeld, die dat deed in overleg met het ziekenhuis in Meppel. Deze huisarts kwam mij dagelijks op zijn motor met zijspan vanuit Diever bezoeken. De kok kookte voor mij toen speciaal licht verteerbaar voedsel bestaande uit droge rijst met jam.
Als je jarig was, dan had je een dag vrij en mocht je met een vriendje op de fiets in de omgeving rondtoeren. Op mijn verjaardag ben ik samen met Charles naar mijnheer Winters geweest om een fiets op te halen. We gingen om 10.00 met een lunchpakketje op stap. Over het zandpad langs camping Ellert en Brammert en langs het hunebed naar Diever, waar eigenlijk niets te beleven viel en we al gauw waren uitgekeken. We waren daar compleet vreemd en ook werden we herkend als kaampjong’n. Toen zijn we maar naar Dwingeloo gegaan en hebben het dorp verkend en over de Brink gelopen. Ergens op een van de binnenwegen hebben we ons lunchpakketje genuttigd en we zijn toen via een omweg terug gefietst naar Geeuwenbrug. We waren om 15.00 uur terug in het kamp, waar we overgingen tot de orde van de dag.
Verder heb ik nog wel prettige herinnering aan een vakantie op de fiets naar Giethoorn van 15 juni tot en met 19 juni 1963, zie ook de kopie van het logboek, We deden een piratenspel met geheimschrift en een schatkaart  Het spel was bedacht door mijnheer Besselink. We begonnen het spel al een week voordat we naar Giethoorn gingen. We konden met corvee en sport nepgeld verdienen, dat bestond uit glad gestreken zilverpapier van bonbon snoepjes, zilverpapier uit een pakje sigaretten en dergelijke. Als je genoeg geld had, dan kon je de schatkaart kopen of een deel van de brief, die uiteraard in geheimschrift was geschreven. In Giethoorn sliepen we in tenten en hadden we een paar punters tot onze beschikking. De eerste nacht stormde het en vielen er stortbuien. Tenten storten in, Nadat we de tenten in de regen met zelfgemaakte haringen weer hadden opgezet, bleken deze zo lek als een mandje te zijn, want het waren enkeldoeks tentjes. Maar dat mocht de pret niet drukken. Het spel op zich was hartstikke leuk en goed bedacht door de leiding, Volgens mij kookten we zelf en was onze groepsleidster juf Tineke de Graaf ook aanwezig.
Ik zou mogelijk nog wel meer weten, maar ik denk dat ik zo wel een redelijke indruk heb gegeven van hoe het er in het kamp aan toeging.

Abracadabra-1279

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst, Tiekening | Leave a comment

Wie heeft leerkracht Jan van der Meer gekend ?

Op verzoek van Esther van der Meer plaatsen we bijgaand bericht met daarin een verzoek gegevens van haar vader Jan van der Meer, uit te tijd dat hij in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe (aan de Geeuwenbrug) als dienstweigeraar werkte, naar het Deevers Archief te sturen.

Ik ben op zoek naar gegevens uit de periode 1959-1962. In die periode heeft mijn vader Jan van der Meer als dienstweigeraar in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ aan de Geeuwenbrug gewerkt als leerkracht (vervangende dienstplicht). Wie kent Jan van der Meer ? Wie heeft foto’s uit die periode ? Welke ex-collega’s of kinderen die in de periode in het kamp zaten, herinneren zich mijn vader ? Ik verneem het graag !
Mijn vader hoopt 80 jaar te worden in maart 2016 ! Ik ben bezig om een speciaal jubileummagazine voor hem te maken, welke gemaakt wordt met medewerking van zijn kinderen, kleinkinderen, vrienden, en ex-collega’s. Alle binnengekomen gegevens en foto’s worden begin februari aangeboden aan een drukkerij, die er een prachtig magazine van gaat drukken. Vandaar dat ik overal gegevens probeer te achterhalen.
Kinderfoto’s van hem heb ik wel, maar een foto uit de periode dat hij vervangende dienstplicht in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ aan de Geeuwenbrug moest doen, heb ik helaas niet!
Ik weet dat hij toen tussen de 23 en 26 jaar moet zijn geweest en dat de jongens in een internaat verbleven. In de weekeinden mocht mijn vader naar huis. Hij woonde toen in Hengelo in Overijssel.
In de loop van 1962 had hij zijn vervangende dienstplicht erop zitten. Inmiddels was hij vader geworden van een zoontje (mijn broer Paul).
Ik hoop dat iemand zich mijn vader herinnert uit deze periode, iemand die misschien een leuke herinnering of foto heeft uit die periode. Ik verneem het graag !

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

De keuken van het jongenskamp an de Gowe

De redactie van ut Deevers Archief toont graag foto’s die in de gemeente Diever in gebouwen, huizen, boerderijen, fabrieken, en zo voort zijn gemaakt. Rob Tijssen (jongenskamp ‘de Eikenhorst’, barak Klondike, periode 1962-1963) stuurde bijgaande foto op 16 april 2016 naar ut Deevers Archief. De redactie is hem bijzonder erkentelijk voor zijn toestemming deze foto te tonen in ut Deevers Archief. 

De foto is gemaakt in de keuken van het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. Rob Tijssen die in die tijd in het kamp verbleef, heeft de volgende waardevolle herinneringen bij deze foto.
De foto is op 25 juni 1963 ’s morgens om even na 11.00 uur in de keuken gemaakt. Mijn ouders waren die dag op bezoek in het kamp. Mijn vader heeft deze foto gemaakt. Ik heb het kamp op 18 juli 1963 verlaten.
Ik ben de jongen die aan de linkerkant naar het fornuis staat te kijken.
De man op klompen, die in de pan staat te roeren, is de kok. Ik denk dat de kok in mijn tijd mijnheer Westerhof was. Hij droeg die klompen altijd alleen in de keuken. Als de heer Westerhof naar huis ging, dan passeerde hij bij café Jonkers de brug over de Drentsche Hoofdvaart en sloeg dan bij de eerste of tweede kruising rechtsaf en aan die straat woonde hij met zijn gezin.
De jongen naast hem had die dag keukendienst. Dat is te zien aan zijn koksmaatjes-pet en -kleding. Deze jongen kwam uit een andere groep, dus weet ik de naam van deze jongen niet.
De kok staat bij de kookketel, die is gemaakt bij G. Mulders ‘Muvero’ (metaalindustrie, ketelfabriek) in Venray. Deze kookketel kon op hout of op kolen worden gestookt. Ik denk dat -in geval van- de gasbrander, die aan de muur hangt, in de kookketel kon worden geschoven.
In de kookketel werd dagelijks een wasteil met aardappelen gekookt, die door de koksmaatjes werden gepit (van pitten ontdaan). Ik herinner mij dat aan de andere kant van de keuken een eenvoudige elektrische (aardappel)schrapmachine stond. Op het witte fornuis staan naast de pan acht juskommen alvast warm te worden, voordat de jus in de kommen werd gedaan.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie wil graag meer weten van kok Westerhof. Hoe was zijn voornaam ? Waar woonde hij ? Leeft hij nog ? En wie was de jongen aan de rechterkant ? 
De redactie nodigt in het bijzonder ook andere voormalige bewoners van het jongenskamp uit hun verhaal te vertellen over het reilen en zeilen in de keuken van het jongenskamp.

Aantekeningen van Jan Oost, Bloemendaal, versie van 2016-05-09
Ik heb wat navraag gedaan naar de heer Westerhof.
De heer Westerhof was ongeveer vijftig jaar geleden mijn overbuurman. De voornaam van de heer Westerhof was Willem. Zijn vrouw heette Haitske Smit. Zowel de heer als mevrouw Westerhof zijn volgens mijn zwager niet meer in leven.
De familie Westerhof woonde in die tijd in het huis dat nu als adres Tolweg 12 heeft. Het huis is te vinden met behulp van Google Maps. 

Abracadabra-1240

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Eetsaele in un holt’n barak in kaamp ‘de Eikenhorst’

Op deze zwart-wit ansichtkaart, die aan het einde van de vijftiger jaren van de vorige eeuw, voor het eerst is uitgegeven, is goed de houten barak voor de eetzaal en de keuken van het Kamp voor Sociale Jeugdzorg ‘de Eikenhorst’ an de Gowe te zien.
Is de fotograaf voor het maken van deze overzichtelijke foto in een boom geklommen ?
De barak op de foto heeft waarschijnlijk in het werkkamp van de Nederlandse Arbeids Dienst (N.A.D.) ten tijde van de Tweede Wereldoorlog ook als keuken en eetzaal dienst gedaan.
Wie van de oud-bewoners van het jongenskamp wil zijn herinneringen aan de eetzaal en de keuken op papier zetten en in ut Deevers Archief publiceren ?

De zeer gewaardeerde bezoeker van ut Deevers Archief, die nog steeds een verstokte liefhebber van afbeeldingen op papier is, kan de hier afgebeelde ansichtkaart van de eetzaal van het kamp voor sociale jeugdzorg ‘de Eikenhorst’ an de Gowe, ten zeerste bewonderen op bladzijde 54 van het in september 2007 verschenen papieren boekwerkje Voormalige gemeente Diever in oude ansichtkaarten, dat is samengesteld door vrijwilligers van de heemkunduge vurening uut Deever. Maar ja, dan moet je wel in het bezit van dat papieren boekwerkje zijn of dat papieren boekwerkje bij iemand in kunnen zien.

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst, N.A.D.-kamp | Leave a comment

Groepsverblijven Perú en Klondike an de Gowe

De houten barakken voor de werkmannen van het kamp van de Nederlandse Arbeidsdienst (N.A.D.) werden na de Tweede Wereldoorlog gebruikt voor het huisvesten van de jongens van het Kamp voor Sociale Jeugdzorg ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.
Op deze ansichtkaart, die dateert uit het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw, zijn de houten barakken met de cynisch aandoende namen Perú en Klondike te zien. Barak Perú is de barak aan de linkerkant en barak Klondike is de barak achter barak Perú.
In Perú is het mythische goudland El Dorado gedacht, maar nooit gevonden. In de internetencyclopedie Wikipedia zijn enige gegevens over El Dorado te vinden, voor wat deze waard zijn.
In Klondike in Canada, in de ‘goldrush’ aan het einde van negentiende eeuw, die maar een paar jaar duurde, vonden heel erg veel goudzoekers heel erg weinig goud. In de internetencyclopedie Wikipedia zijn enige gevens over Klondike te vinden, voor wat deze waard zijn.
Hopelijk hebben veel jongens gedurende hun verblijf in jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe toch wel enig ‘mentaal goud’ gevonden.

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst, N.A.D.-kamp | Leave a comment

Ik ben Wim Schouten, toen woonachtig in Schiedam

De heer Wim Schouten stuurde op 10 augustus 2018 het volgende bericht over zijn tijd in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe naar het Deevers Archief. De redactie van het Deevers Archief is hem bijzonder erkentelijk voor dit bericht. Weer een mooie kleine uitbreiding van het dossier over het verleden van ‘de Eikenhorst’.

Ik ben Wim Schouten, toen woonachtig in Schiedam.
Op 28 november 1962 ben ik in het kamp gekomen, samen met Sjaak Duivenboden uit Rotterdam. Ik kan me de treinreis samen met hem nog goed herinneren. Wij werden beiden ondergebracht in de barak Perú.
Later die dag mocht je in de eetzaal op een grote kaart het vlaggetje plaatsen op de plek van je woonplaats. Je kon zien dat ze overal vandaan kwamen.
Ik heb in het jaar dat er op volgde veel leuke dingen beleefd. Ik heb veel aan sport gedaan. Er werden ook sportwedstrijden gehouden. Als je een onderdeel won, dan kreeg je bij de uitreiking een geel houten vierkantje overhandigd. Ik geloof dat ik alle onderdelen won, behalve hoogspringen. Hierdoor ben ik later nog aan atletiek gaan doen.
Ik kan mij nog wel wat namen herinneren: René Leis uit Zeeuws Vlaanderen. Jan Timmers. Wim Boon uit Texel. Andere namen komen nu even niet bij mij naar boven.
De vakantie in Giethoorn was gewoon geweldig.
Ik heb goede herinneringen aan enkele leraren: De heer Schokker. De heer Kruidenier. De heer Besseling (fantastische man).
Echter, en dat wil ik gezegd hebben: Mijn groepsleider de heer Derksen vond ik een gemeen iemand. Hij was onrechtvaardig en ik heb hem enkele dingen nooit vergeven.
Ik heb met de jongens een geweldige tijd gehad, om nooit te vergeten. Het heeft mijn leven een positieve draai gegeven. Ik zou graag met enkele jongens in contact willen komen, maar via internet heb ik nog niemand kunnen vinden.

Op 28 februari 2020 ontving de redactie van ut Deevers Archief de volgende reactie van de heer Jan van der Meulen.
Je schrijft dat jij jouw groepsleider de heer Derksen een gemeen iemand vond en dat hij onrechtvaardig was en dat je hem enkele dingen nooit hebt vergeven. In het kamp waren wel meer groepsleiders, die onredelijk en erg gemeen waren. En die niet alleen losse handjes hadden en je lichamelijk beschadigden, maar je ook geestelijke schade berokkenden. De groepsleiding bestond ook maar uit gewone dienstweigeraars. Dat waren mensen die geen pedagogische opleiding hadden genoten. In het kamp waren wel meer jongens die lichamelijke schade hebben opgelopen. Maar ik heb me voorgenomen niet langer meer te zwijgen. In ben nu bezig zoveel mogelijk op te schrijven wat ik heb meegemaakt en dan vooral de negatieve dingen die ze mij hebben aangedaan.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De redactie nodigt alle bewoners van ‘de Eikenhorst’ , met name die van de barak Perú, uit de periode 1962-1963 uit te reageren. In het bijzonder Sjaak Duivenboden, René Leis, Jan Timmers en Wim Boon. 

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Mijn naam is Rob Koghee. Wie kent mij nog ?

De redactie van het Deevers Archief ontving op 11 juni 2018 van Rob Koghee bijgaande wel erg korte bijdrage aan de beschrijving van het verleden van het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe. De redactie is hem daarvoor bijzonder erkentelijk.

Ik heb ook op ‘de Eikenhorst’ in de oude barakken gewoond.
Samen met Jan Houtman en Henk de Ruiter en Frank Uding.
Wij hadden een hut gebouwd bij de gymzaal, die stond op een berg kan ik me nog herinneren.
Ik zat daar in de tijd van de treinkaping bij de Punt in juni 1977. Er was toen ook een kaping van een school aan de gang.
Mijn naam is Rob (Robertino) Koghee.
Ik ben nu 56 jaar oud.
Wie kent mij nog uit die tijd ?

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
Wellicht kunnen zijn barakmaten Jan Houtman, Henk de Ruiter en Frank Uding en anderen barakgenoten reageren op dit korte bericht van Rob Koghee. In welke barak zaten de jongens ?
Rob Koghee maakt in zijn berichtje gewag van een gymzaal. Deze zaal moet in latere jaren zijn gebouwd, want op de plattegrond van het kamp uit het begin van de zestiger jaren is geen gymnastiekzaal te vinden.
De redactie heeft bijgaande kleurenfoto gemaakt op 26 april 2018.
Op de afbeelding is aan de linkerkant de Pastoorszandweg in de richting van de Voart te zien. De Pastoorszandweg was een zandweg, maar is nu helaas een verharde weg. De naam van de Pastoorszandweg zou voor wat betreft het verharde gedeelte moeten worden gewijzigd in Pastoorsstraatweg of kortweg Pastoorsweg.
Aan de rechterkant is de toegangsweg naar het voormalige jongenskamp ‘de Eikenhorst’ te zien. De naam van deze nu verharde weg is omgedoopt tot ‘de Eikenhorst’. Weer een voorbeeld van een helaas verdwenen zandweg.
De voorkant van het gelijk is helemaal niet zuinig op zandwegen, te koesteren cultuurhistorisch erfgoed in de gemiente Deever. Echt wel.


Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Sportterrein van het jongenskamp ‘de Eikenhorst’

De jongens in het Kamp voor Sociale Jeugdzorg ‘de Eikenhorst’ an de Gowe (aan de Geeuwenbrug) hoefden voor het kopen van een ansichtkaartje, om deze te versturen naar familie, vrienden of kennissen, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw niet naar een neringdoende in het dorp Deever, maar konden deze gewoon in het jongenskamp verkrijgen.
Bijgaand afgebeelde zeldzame zwart-wit ansichtkaart van het sportterrein van het jongenskamp is in oktober 1957 heruitgegeven en in 1958 verstuurd naar mejuffrouw Elza Blok, Zaagmolendrift 53 in Rotterdam.
De ansichtkaart van het sportterrein is voor het eerst uitgegeven in november 1954. Een exemplaar van deze kaart is in 1955 door Johan Drost verstuurd aan de familie A. Drost, Lonnekerweg 37 in Glanerbrug.
Het jongenskamp was in de beginjaren gevestigd in de barakken van het werkkamp van de Nationale Arbeidsdienst (N.A.D.) uit de Tweede Wereldoorlog. Het sportterrein van het N.A.D.-werkkamp was ook het sportterrein van het jongenskamp.
Het is de redactie van het Deevers Archief niet gelukt de naam van de afzender van de afgebeelde ansichtkaart te ontcijferen. Wie van de bezoekers van de webstee kan dit wel ? De redactie wil graag de naam van de afzender in het bericht vermelden.
De redactie nodigt de voormalige bewoners van het jongenskamp uit een en ander over het sportterrein op papier te zetten en dit verhaal naar de redactie te sturen (klik onder aan het bericht op ‘Leave a comment’). Wellicht kan Johan Drost reageren ?

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst, N.A.D.-kamp | Leave a comment

Ik denk met veel plezier terug aan ‘de Eikenhorst’

Fred Pothuizen stuurde het volgende verhaal over zijn verblijf in 1963 in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ik heb in 1963 in het kamp ‘de Eikenhorst’ gezeten. Ik was 11 jaar. Ik zal het ook nooit meer vergeten. Het was het jaar dat president John F. Kennedy werd vermoord. Ik zat in de groep Peru. Toen we het hoorden begonnen we allemaal te huilen. We waren bang dat er oorlog zou komen.
Ik kan mij nog herinneren, toen ik daar aankwam, dat ik werd gebracht door mijn ome Cor en mijn ouders. Mijn oom had een auto en bracht mij helemaal uit Rotterdam naar ‘de Eikenhorst’ aan de Geeuwenbrug. Bij het Dalletje stonden twee jongens mij op te wachten, die brachten mij naar de groep. Mijn ouders moesten nog bij de directie (de commandant) komen en ik wilde alleen maar met die jongens mee. Ik moet daar nog een foto van hebben, één van de weinige uit mijn jeugd. Ik liep langs de grote kampkeuken en volgens mij langs twee schoollokalen.
Nu had ik helemaal niks met scholen, daarom moest ik ook naar het kamp toe. Ik hier eigenlijk de mooiste tijd van mijn jonge jeugdjaren gehad en ben ervan overtuigd dat als de mogelijkheid er was geweest daar langer te mogen blijven, ik daarna nooit in zoveel andere tehuizen en internaten had gezeten. Ik vond iedereen in het kamp mooi en lief, zowel mijn vriendjes als de leiding,
’s Morgens zongen we het kamplied op school. Ik ken het nog helemaal. In het kamp vond ik de school wel leuk. We werkten ook op de kinderboerderij. Ik mocht ook op de paardenkar rijden, ik heb daar leren mennen, We gingen veel naar het Slangenveen, wat was het daar mooi. We visten in de Drentse Hoofdvaart. We vingen voorntjes en die mochten we bakken in de grote keuken. Ja, ik heb een geweldige tijd in het kamp gehad.
Ik ben nu 64 jaar. Ik ben schilder en 10 jaar schildersleermeester geweest. Ik ben nu afgekeurd en ik heb nu tijd om alle tehuizen en internaten op te zoeken en een stukje te schrijven over mijn verblijf daar. Het zijn er in totaal acht geweest. Alleen aan jongenskamp ‘de Eikenhorst’ denk ik met veel plezier terug.
Ik kwam op mijn negentiende jaar weer bij mijn ouders. Toen ik 21 jaar was, ben ik uit huis gegaan en ben ik gaan samen wonen. We trouwden snel en ik kreeg mijn eerste dochter. Dit was volgens mij een noodweg, want die relatie heeft maar dertien maanden geduurd.
Ik ben snel daarna waarschijnlijk wel iemand tegengekomen met een luisterend oor, want met haar ben ik alweer 38 jaar getrouwd en bij haar heb ik ook een dochter.
Van mijn twee dochters heb ik 6 kleinkinderen. Zo zie je, ik ben toch nog goed terecht gekomen. We hebben het saampjes en met de twee hondjes goed thuis.
Maar ik bedank als enige instelling het jongenskamp ‘de Eikenhorst’. Die is goed geweest voor de kinderen en dus ook voor mij. Bedankt !.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Marmottendorpje in jongenskamp ‘de Eikenhorst’

In zijn artikel ‘Het kamp bij het gehucht Geeuwenbrug’ (zie het artikel elders in www.dieversarchief.nl) heeft Jan van den Berg uit Zevenaar het over een marmottenveldje. Een citaat uit zijn artikel luidt als volgt: Er was ook een barak die diende als kantoor voor de administratie en de leiding, een badhuis met douches, een eetzaal, twee barakken die als klaslokaal dienden, een veldje met marmotten, een vijver, een sportveld, het huis van de commandant en verder weet ik het niet meer.
Teneinde Jan van den Berg een plezier te doen, en wellicht ook anders bewoners van het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ in het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw (de redactie verneemt graag hun reactie), toont de redactie van het Deevers Archief bijgaande ansichtkaart van het zogenaamde ‘marmottendorp’ uit het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw.
Dit marmottendorp zal ongetwijfeld wel met de beste opvoedkundige bedoelingen zijn gebouwd. Maar waar zijn de marmotten, die tegenwoordig om onduidelijke redenen cavia’s worden genoemd ?

Posted in Ansichtkoate, de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Het kamp dicht bij het gehucht Geeuwenbrug

De redactie van het Deevers Archief ontving het navolgende artikel ‘Het kamp’ van Jan van den Berg uit Zevenaar. Hij gaf toestemming dit artikel met vermelding van zijn naam te publiceren. De redactie van het Deevers Archief is hem daarvoor erkentelijk. Hij schrijft: In  www.dieversarchief.nl/ zie ik slechts heel weinig staan over de tijd dat er bij Geeuwenbrug een kamp was voor jongens van ongeveer 11 à 12 jaar. Ik heb mijn herinneringen aan de tijd die ik daar in 1962 heb doorgebracht, verwoord in bijgaand artikel. Misschien dat het Deevers Archief dit een aardige bijdrage vindt.
Zo mogelijk zullen binnenkort enige foto’s van hem aan het artikel worden toegevoegd.

Het kamp
Dicht bij de brug over de Drentse Hoofdvaart bij het gehucht Geeuwenbrug leidde een zandweg naar ‘het kamp’. Daar brachten mijn ouders mij op dinsdag 2 mei 1962 naar toe, enkele weken voor mijn tiende verjaardag. Nu lees ik op internet dat dit het Kamp voor Sociale Jeugdzorg ‘de Eikenhorst’ was. Wij, de jongens, en ook alle volwassenen noemden het kamp altijd ‘het kamp’.
Op de lagere school in Oss was ik bang voor een aantal wilde jongens. Er werd een psycholoog ingeschakeld, en die heeft dit kamp bij mijn ouders aanbevolen. Daar zouden te wilde en te timide jongens samen in een jaar tijd er allemaal op vooruit gaan. Als een deskundige dat adviseerde, dan konden mijn ouders er natuurlijk alleen maar mee instemmen. En ik wilde er ook wel heen, want we hadden op school gehoord over de Hoge Veluwe: daar was de natuur geweldig mooi. Vlak bij het kamp was er ook zulke mooie natuur, en Drenthe was zelfs maar liefst twee provincies verder weg! Ook kregen we een foldertje over het kamp, waarin tekeningetjes stonden van jongens die allemaal heel vriendelijk keken en elkaar hielpen. Bij zulke aardige jongens wilde ik wel zijn.
Ik vond het in het begin wel prima daar. Ik had een bed met nachtkastje in de barak Alaska. Aan beide kanten van de slaapzaal waren acht bedden met nachtkastjes. En er waren vier van zulke barakken, met de namen Alaska, Transvaal, Peru en Klondike. Dat waren gebieden waar vroeger goud gevonden was. Wij zouden ook goudzoekers worden: je begon als ‘pionier’ en kreeg een kaart waarop opdrachten stonden. Ik kan me niet meer herinneren wat voor opdrachten dat waren. Als je ze af had en ze waren afgetekend, werd je ‘delver’ en tot slot ‘goudzoeker’. Dat waren onze drie rangen. Aan het hoofd van het kamp stond de commandant en de tweede man was de adjudant. Er was een appelplaats waar we soms in rijen stonden bij het hijsen of strijken van de vlag.
In elk van onze vier barakken was er ook een huiskamer, waar we ieder een eigen (open) vakje hadden. En er was een w.c., en een slaapkamer voor de groepsleiding.
Toch gaf het me allemaal niet zo’n militaristische indruk. Ik keek al wel met angst uit naar de militaire diensttijd. Ik verwachtte dat ik het erg moeilijk zou krijgen tussen de soldaten. Maar dat zou nog wel bijna tien jaar duren, en intussen was vast en zeker het laatste oordeel wel geweest, dus daar zou ik op die manier wel onder uit komen.
We wisten wel dat ons kamp in de oorlog al een soort kamp was geweest, maar daar wisten we verder niets van. Het waren zeker nog dezelfde barakken. Nu lees ik in het Dievers Archief dat het vanaf januari 1942 een mannenkamp is geweest van de Nederlandse Arbeidsdienst (NAD), voor mannen die moesten werken aan de ontginning van woeste gronden. Mijn moeder zegt dat het dezelfde barakken waren als in kamp Vught, waar ze na de oorlog ook is geweest, gelukkig slechts op bezoek.
De meeste jongens waren 11 of 12 jaar oud. Als je 10 of 13 jaar oud was, dan was je een uitzondering. Van de groepsleiding herinner ik me mijnheer Van Zutphen en juffrouw Veronica. Een jongen wees me erop hoe haar heupen wiegden als ze liep. Ik zag dat nog niet als iets speciaals. Maar ik heb dit blijkbaar wel onthouden.
Er was ook een barak die diende als kantoor voor de administratie en de leiding, een badhuis met douches, een eetzaal, twee barakken die als klaslokaal dienden, een veldje met marmotten, een vijver, een sportveld, het huis van de commandant en verder weet ik het niet meer.
We kregen alleen ’s morgens les. Van de twee leslokalen weet ik nog dat in de ene, waar we onder andere aardrijkskunde kregen, een oliekachel stond en dat in de andere, waar we taal en rekenen kregen, een kachel stond waarin de onderwijzer turf stookte. Dat vond ik bijzonder, van thuis kende ik alleen kolenkachels, ook op school. Ieder werkte in stilte aan de hand van werkschriften op zijn eigen niveau, want er was immers een behoorlijk leeftijdsverschil.
’s Middags deden we eerst corvee, zoals helpen met de afwas of de eetzaal vegen. En we moesten aan onze opdrachten werken, om een hogere rang te behalen. Verder maakten we vaak boswandelingen en deden aan spel in het bos of sport op het sportveld. In het bos was er een knap gebouwde blokhut, grotendeels ondergronds.
Er werd van alles georganiseerd voor ons. Regelmatig maakten we een lange wandeltocht door de bossen naar het zwembad. We gingen er ook wel eens met een bus op uit. Voor moederdag maakten we iets moois. We zijn eens een paar dagen naar een jeugdherberg in Giethoorn geweest, waar we ook mochten kanovaren. We gingen ook eens eetbare paddestoelen plukken in het bos. De leidsters bakten ze en we kregen ze op sneetjes brood. Bijzonder lekker was dat! En we hebben eens geholpen om het openluchttheater van Diever schoon te maken.
Wie wilde, mocht een konijn houden, als de ouders er een betaalden, daar waren hokjes voor. Ik kreeg er ook een.
Voor zover ik me herinner hebben we één keer t.v. gekeken, naar ‘Open het dorp’, dus op 16 juni 1962. Verder hoorden we wel eens iets van buiten, zoals op 28 november 1962, toen prinses Wilhelmina overleden was.
De jongens waren afkomstig uit het hele land. Er waren protestanten, katholieken en buitenkerkelijken. Elke zondag gingen de protestanten naar een kerk die dicht bij was, waarschijnlijk in Diever, en wij, katholieken moesten een flinke bustocht maken om naar een katholieke kerk te gaan.
In de eetzaal werden goede manieren gehandhaafd. We aten ons brood met mes en vork. Thuis namen we de boterhammen altijd in onze handen. Toen mijn ouders eens aan de broodmaaltijd deelnamen, wees ik mijn moeder daar op. Ze heeft nooit vergeten dat ik haar daar publiekelijk heb terecht gewezen. Sindsdien aten wij ook thuis het brood met mes en vork.
De gelovigen moesten bidden voor het eten. Dat was niet eerlijk, want de buitenkerkelijken, die hun handen niet hoefden te vouwen, hadden na het bidden altijd de kapjes van de broden te pakken.
Eens per week, waarschijnlijk op zondag, schreven we in de huiskamer allemaal een briefje naar huis. We mochten de enveloppen natuurlijk niet zelf dichtplakken, controle hoorde er bij.
Er was een jongen uit Zuid-Limburg, die van plan was om later mijnwerker te worden. Het kan goed zijn dat hij nog een aantal jaren in de mijnschachten heeft gewerkt.
We kregen een kwartje per week zakgeld. Na ontvangst van dat kapitaal kochten bijna alle jongens daar meteen snoep voor, maar daar gaf ik niets om. Ik spaarde het liever.
Ik werd wel eens geplaagd of uitgelachen. In mijn vakje in de huiskamer lag mijn kerkboekje (‘Mijn Pascha’heette het). Dat was een paar keer in een vakje van een andere jongen gelegd. Die deed daar kwaad over en zei: ‘Als het nog eens in mijn vakje ligt, gooi ik het weg.’ Ik had, net als voorheen op school in Oss, het gevoel dat dat allemaal heel erg was. Ik zei daar niets over tegen mijn ouders, want ik wist dat ik er nu eenmaal een heel jaar moest blijven en ik wilde ze niet belasten. Maar nu ik deze herinneringen met mijn moeder bespreek, zegt ze dat zij en mijn vader al bij hun eerste bezoek een slechte indruk kregen. Ze merkten heel goed aan het gedrag en de taal van veel jongens dat het geen zoontjes van doktoren en advocaten waren, zoals aan hen was voorgespiegeld, maar vooral ‘grote deugnieten’. Toen ze naar huis gingen zeiden ze tegen elkaar: ‘Waar zijn we toch aan begonnen.’ Maar ze lieten het doorgaan, omdat ze van mij niets negatiefs hoorden.
Er liep wel eens een jongen weg, misschien is dat maar één of twee keer voorgekomen. toen ik in het kamp was, maar dat was wel indrukwekkend.
Eens per zes weken gingen we een weekend naar huis. Dan reden we met een bus naar het station in Meppel, en dan verder met de trein. Ik weet niet meer of in de trein nog begeleiding was, maar in elk geval niet helemaal tot Oss. En op het midden van die zes weken kwamen mijn ouders een middagje bij mij op bezoek. Zo zagen we elkaar eens per drie weken. En we hadden een zomervakantie thuis van maar liefst tien dagen.
Twee jongens hebben mij seksuele voorlichting gegeven, beknopt maar duidelijk. Ik geloofde het niet zomaar: het vieste van de jongen in het vieste van het meisje, dat kon toch niet waar zijn? Hoe verzinnen ze het! Toen ik weer thuis was vroeg ik het aan mijn moeder, zonder het allemaal uit te spreken, maar door het met mijn vingers uit te beelden. Beschaamd knikte ze ja. En heel snel daarna, op 10 december, haalden ze me op uit het kamp, met mijn konijn. Ik legde het verband niet, maar die voorlichting had hen er toe gebracht om er een punt achter te zetten. Ik was heel opgelucht, toen ze mij kwamen halen, maar ook dat liet ik niet merken, want anders zouden ze alsnog weten hoe erg ik het op het kamp had gevonden. En ik was nog steeds ‘pionier’, de laagste rang, want ik had nog maar weinig aan mijn opdrachten gewerkt. Er was dan wel nooit aan mij gevraagd hoe ik vorderde, maar nu kon ik daar in elk geval geen last meer mee krijgen.
Het konijn ging zo maar in de achterbak van de auto. Bij aankomst in Oss bleek hij enkele kabels te hebben doorgebeten.
En zo was het onverwacht alweer afgelopen voor mij. Met Kerstmis aten we konijn. Natuurlijk niet míjn konijn, dat was ergens heen gebracht, iets vaags voor mij, waar hij het fijn zou hebben. Dat heb ik lang geloofd.
Ik heb vaak aan het kamp teruggedacht. Het laatste oordeel is tot nader order uitgesteld, maar in mijn militaire diensttijd heb ik geen problemen gehad.
Rond 1981 heb ik met mijn zus en zwager het kamp eens opgezocht. Het bleek dat enkele jaren daarvoor de barakken waren afgebroken, er stonden nu stenen gebouwen. Het was nu een instelling voor de opvang van jongens en meisjes vanaf ongeveer 14 jaar. Ieder kind had zijn of haar eigen kamer.
Toen ik er in 2001 eens langs reed was het kamp een asielzoekerscentrum. En nu lees ik op internet dat er een opvangvoorziening komt voor verstandelijk beperkte vreemdelingen, slachtoffers van mensenhandel en mensen met een verstandelijke beperking.

Deze jongen ben ik. Dit is de enige foto die duidelijk te maken heeft met mijn periode in het kamp. Hij is gemaakt toen we een paar dagen in een jeugdherberg in Giethoorn logeerden. Het was half kamperen, hier eten we buiten van metalen borden.

Jan van den Berg, Zevenaar, 23 december 2013

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment

Ik zat in Klondike, dat was de laatste barak in de rij

De redactie van het Deevers Archief ontving op 18 januari 2016 het volgende korte bericht van de heer Harm van der Sloep. Hij beschrijft in het bericht enige van zijn herinneringen aan het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ik was daar in de periode 1959-1960. Ik heb daar -vergeleken met thuis- een hele goede tijd gehad.
Ik zat in Klondike, dat was de laatste barak in de rij.
Onze kok was de heer Westerhof. Onze leraar heette de heer Van der Zee. Dan waren er nog jufrouw Bouman en de heer Spiegelenberg. De heer Mooy gaf handenarbeid.
De heer Van der Duim was de commandant en de heer Pols was de adjunct-commandant.
Dan was er ook nog een leraar de heer Hofman, die was later directeur in de Losserse Zandbergen.
Onze groepsleider was de heer Rookers.
De heer de Vries was de baas van het magazijn.
Bij mij in de groep zat een jongen met wie ik het goed kon vinden. Hij kwam uit Den Haag en heette Klaas Ozinga.
De kinderboerderij is volgens mij gebouwd door de jongens uit kamp Appelscha. Die waren in opleiding om een beroep te leren. Dat was in 1959-1960. Ik heb het nog meegemaakt
Meer weet ik op dit moment niet te zeggen, maar het was een goede tijd.

Posted in de Gowe, Jongenskamp de Eikenhorst | Leave a comment