Jan en Marten meuk’n heidebössels en heidebessems

De redactie heeft het volgende bericht in het voorjaar van 1996, dat is alweer heel wat jaren geleden, samengesteld op basis van een gesprek met Marten van der Helm en geschreven informatie van en over Jan en Marten van der Helm. Marten van der Helm woonde in 1996 in de woning met adres Dorpsstraat 28 op Zorgvlied.

Het maken van heideboenders en heidebezems
Van 1952 tot in 1966 hebben de broers Jan en Marten van der Helm op Zorgvlied boenders en bezems van heide gemaakt. Ze zetten daar een ambacht voort, dat begon toen hun grootvader Jan van der Helm in Boijl, vlak bij de kolonieschool in Boschoord, omstreeks 1870 zijn eerste boenders en bezems maakte. Jan was schaapherder en zwierf elke dag met zijn kudde over de heidevelden in de buurt van Boijl. Dit werk leverde maar een heel karig bestaan op. Daarin kwam verbetering toen hij op een dag besloot om boenders en bezems te maken van de heide uit de velden, waarover hij dagelijks rondtrok.

Jan van der Helm verkocht zijn heideprodukten aan grossier Jan de Boer uit Leeuwarden. De vertegenwoordigers van deze grossier zetten de boenders en bezems in heel Friesland af. In elke dorpswinkel op het Friese platteland waren ze te koop. De schoonmaakartikelen uit Boijl werden vooral gebruikt op de boerderij. Zo werd het melkgerei schoongemaakt met de heideboender en werd de stallen en het erf met de heidebezem geveegd.

Tinus van der Helm zette het van zijn vader Jan geleerde ambacht eerst in een schuur in het land achter zijn huis met winkeltje aan de Kolonieweg in Boijl voort. Later verhuisde hij naar de Grensweg in Noordwolde. Op een gegeven moment overleed grossier Jan de Boer aan een beroerte. Tinus moest toen op zoek naar een nieuwe afnemer. Dit werd grossier W.T. Zandstra uit Sneek. Dat deze grossier geld verdiende aan de verkoop van heideboenders en heidebezems bleek wel uit een lening van 2000 gulden die hij op een gegeven moment aan Tinus verstrekte voor de bouw van een werkschuur achter zijn huis met winkeltje aan de Grensweg. Daardoor kon het veel te kleine achterhuis, waarin de heide was opgeslagen en ook nog een koe werd gehouden, worden verlaten. Dit betekende een duidelijke verbetering in de leef- en werkomstandigheden voor zijn familie, waardoor ook meer kon worden geproduceerd.

Zijn zonen Jan (geboren in 1920) en Marten (geboren in 1925) leerden het maken van boenders en bezems al jong, want beiden moesten al op zevenjarige leeftijd hun vader Tinus helpen. Tinus van der Helm kocht in 1952 het café ‘De Harmonie’ op Zorgvlied. In dat jaar gingen zijn twee toen al getrouwde zoons op Zorgvlied in en naast het café wonen, waar ze in het schuurtje achter het café het oude ambacht voortzetten. Het café brandde in 1963 af. Marten kocht na de brand het oude tolhuis aan de weg naar Elsloo. Ook in het tolhuis ging hij door met het maken van boenders en bezems. Daar heeft hij met zijn gezin meer dan twee jaar gewoond, totdat ze verhuisden naar de nieuwe woning die ze lieten bouwen op de plaats van het verbrande café. Daarna werkten de broers weer in het schuurtje achter het nieuwe huis.

Op Zorgvlied verkochten Jan en Marten hun produkten ook aan grossier Zandstra uit Sneek. Ze verkochten niet aan huis en hun produkten waren ook niet te koop bij winkeliers op Zorgvlied. Door de jaren heen was grossier Zandstra wel een betrouwbare afnemer gebleken. De broers moesten zo nu en dan wel eens wat langer op hun geld wachten, maar hij betaalde altijd. Met een vrachtwagen van Jan Krediet uit Noordwolde werden de bezems en boenders van Zorgvlied naar Sneek vervoerd. De bezems moesten samengebonden zijn in pakken van twaalf stuks. Een pak boenders moest uit 48 stuks bestaan. Later moest een pak boenders 96 stuks (een schijf) bevatten, want dan kon de vrachtrijder sneller zijn wagen laden. Zandstra leverde aan de broers het speciale henneptouw (driedraads, nr. 2¼, type tv) voor het samenbinden van de boenders en de bezems. Van boenders en bezems die te vochtig waren en te lang waren opgeslagen bij de grossier verrotte het touw. Deze werden dan naar de broers teruggestuurd, die ze moesten vervangen door nieuwe.

De boenders en bezems werden gemaakt van dopheide, omdat deze heide taaier was dan struikheide. Voor één kleine boender waren twee armen vol heide nodig. Voor het maken van een goede boender moest men niet alleen het vak verstaan, maar waren ook twee sterke handen nodig. De heide moest eerst met de handen worden gerold en gekneed en vervolgens met het henneptouw worden samengebonden tot een bikkelhard rolletje. Met een speciale beweging werd het touw, dat eerst aan een haak in een paal in de werkruimte werd vastgezet, om het rolletje heide getrokken en in een strop gelegd. Voor het maken van zo’n rammelstrop moest men heel goed geoefend zijn.

Het maken van een bezem gebeurde anders. Om de afgehakte resten van een vorige bezem werd een strop gelegd. Tussen de strop en het afhaksel werd dopheide gestoken met de gladde kant naar buiten en de ruige kant naar binnen. Zo nu en dan werd de heide op het hakblok vastgestampt. Als een strop voldoende gevuld was, dan werd de volgende strop gelegd en werd opnieuw heide ingestoken en vastgestampt. In totaal werden op die manier vier stroppen volgestoken, waarna de bezem met een vijfde strop werd afgebonden. Bij het maken van een bezem gebruikten ze ook hun knieën om de taaie heide in het gewenste model te brengen.

Na het binden werd een boender of een bezem op het houten hakblok met een hakmes aan beide kanten netjes afgewerkt. Ook het mooi rond afhakken van de uiteinden was moeilijker dan het op het eerste gezicht leek. Zo wedde de bakker, die op Zorgvlied een eindje verderop in de Dorpsstraat woonde, eens om een pakje sigaretten dat hij met gemak een boender volgens de regels der kunst kon afwerken. De broers zeiden ‘ga je gang’ en duwden hem vervolgens het hakmes in handen. Die bracht er die ene keer, tot genoegen van de broers natuurlijk, niets van terecht.

De broers hebben met hun ambacht altijd een behoorlijke boterham kunnen verdienen. Ze werkten negen à tien uur per dag en in die tijd konden beiden ongeveer 100 boenders of ongeveer 40 bezems maken. ‘s Zaterdags werkten ze alleen ‘s ochtends. De grossier betaalde in de laatste jaren 20 centen voor een boender en 75 centen voor een bezem. Toen de kosten van het levensonderhoud hoger werden en de grossier voor hun produkten geen hogere prijs wilde betalen, moesten ze harder en langer werken en uiteindelijk waren ze gedwongen de boenders wat minder lang en daardoor wat minder stijf te rollen, wat natuurlijk een achteruitgang in kwaliteit betekende.

In de goede jaren verwerkten ze gemakkelijk tienduizend bossen dopheide per jaar. Het loonde voor de broers niet om zelf heide te plukken of te snijden. Vroeger werd de heide geplukt, maar in latere jaren werd deze gesneden. Het verzamelen van heide werd door diverse mensen in hun vrije tijd gedaan. Op de Smilde waren dit onder meer Jan Gerding, zijn zonen en zijn broers. Deze mensen lieten het materiaal vaak met de vrachtwagen van Koers naar Zorgvlied brengen. Ook in de buurt van Ruinen werd dit door diverse mensen gedaan. De broers betaalden voor een bos heide 80 centen à een gulden.

In de laatste jaren was goede dopheide niet meer in voldoende mate te verkrijgen. Dit kwam door de opkomende economie aan het begin van de zestiger jaren, waardoor steeds minder mensen naast hun gewone werk nog een extraatje wilden verdienen met het snijden van heide. En ook mocht de heide op steeds minder plaatsen worden gesneden. Het tekort aan goede dopheide kwam de kwaliteit van de boender niet ten goede. Het buitenste deel van de boender en de bezem maakten ze nog wel van dopheide, maar de laatste jaren pasten ze binnenin steeds meer de minder taaie struikheide toe, waardoor deze sneller sleten. Bovendien kregen hun heideprodukten steeds meer concurrentie van produkten van kunststof. De broers hebben nog wel geprobeerd boenders van kunststofvezel op de manier van de heideboender te maken, maar dat was niet succesvol. Marten heeft het overgebleven proefmateriaal nog steeds in zijn werkschuurtje bewaard.

Grossier Zandstra stopte in 1965 met de verkoop van heideboenders en heidebezems. Toen was het voor de broers toch nog niet helemaal afgelopen. Een vertegenwoordiger van Zandstra plaatste zo nu en dan voor zichzelf nog een bestelling, omdat een tijd lang bij hem nog werd gevraagd naar de heideprodukten. Maar in 1966 zijn de broers voorgoed gestopt. Ze waren in deze streek de laatste beoefenaars van dit oude ambacht. In het schuurtje achter het huis van Marten hangt als tastbare herinnering nog steeds die ene laatste ‘haandskrobber’.

Het werken met de heide was bepaald niet prettig. Want na elke greep uit de voorraad heide, die onder handbereik lag opgeslagen, vulden het schuurtje en de longen van Jan en Marten zich met het opdwarrelende stof. Het kwam vaak voor dat de heide vochtig en verschimmeld was en dan was het om te stikken zo benauwd in het schuurtje. Als ze aan het werk waren en het weer het toeliet, dan lieten ze de deur en de ramen van het schuurtje natuurlijk wijd open staan. Op Zorgvlied zeiden de mensen tegen de broers ‘dat gaat je tien jaar van je leven kosten’, maar daar lachten ze toen om. Hun vader Tinus is 77 jaar geworden. Marten is nu 71 jaar. Hij voelt zich gezond en heeft geen last van zijn longen. Ook zijn 75-jarige broer Jan heeft nergens last van.

Op mijn vraag of hij nu, ongeveer 30 jaar na de laatste, nog een heideboender zou kunnen maken, antwoordt Marten lachend dat hij het nog wel zou kunnen, terwijl hij zijn handen onbewust weer die ontelbaar vaak uitgevoerde rolbeweging laat maken. En heb je er wel eens aan gedacht om in de zomer in de omgeving mee te doen aan demonstraties van oude ambachten? Hij aarzelt met zijn antwoord. Ik zou nogal wat dopheide nodig hebben en ik heb ook geen auto. Wie weet komt het er nog eens van ….

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie ontdekte na het schrijven van het bericht in het voorjaar van 1996 dat de gepensioneerde heer .. de Jong uit Jubbega zich nog aktief bezig hield met het maken en verkopen van bezems. Hij maakte deze bezems niet van taaie dopheide, maar van het minstens zo taaie berkenrijs. Dit rijshout mocht hij tegen betaling en op aanwijzing van personeel uit de staatsbossen van de boswachterij Smilde snijden.
Jan van der Helm is geboren op 24 maart 1920 en is overleden op 20 juni 2004. Hij is begraven op de kaarkhof in Oosterwolde. Marten van der Helm is geboren op 27 april 1925 en is overleden op 3 juni 2011. Hij is begraven op de neeje kaarkhof bee Obadja an de Woaterseweg op Zorgvlied.

Reactie van mevrouw Marjan van der Helm van 7 april 2021
Jazeker kan de dochter van Marten dat !!
De staande persoon is mijn ome Jan. De gebukte persoon is mijn vader Marten.
Wat een leuk stukje over mijn vader en ome Jan.

Afbeelding 1
De gebroeders Van der Helm zijn bezig met het binden van heidebossen. Duidelijk waarneembaar zijn de haken in de paal en de stijf samengebonden borstelrolletjes en een bezemrol. De redactie kon tot zijn grote schande in zijn aantekeningen niet vinden wie op de afbeelding Jan van der Helm is en wie Marten van der Helm is. Wellicht kan de dochter van Marten van der Helm en Arendje Bergsma daar duidelijkheid in verschaffen.

This entry was posted in Zorgvlied. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *