Category Archives: Deevers

De weier in ut laand van Jan Thijs Seinen

Bijgaande afbeelding is te vinden in het tijdschrift ‘Het Noorden in woord en beeld’ van 19 februari 1937, jaargang 12, 1936-1937, nummer 49. Op de afbeelding is te zien op de voorgrond de plas met de naam de Weiert an de Heufdstroate in Deever in het land van boer Jan Thijs Seinen, op de plaats waar nu ongeveer de vijver is te vinden bij het bejaardenhuis met de merkwaardige naam Jan Thijs Seinen Hof.

Weier is de olde Deeverse naam voor een vijver of een sloot of een gracht. In dit geval was het én een vijver én een sloot. Het olde Deeverse woord weier kan ook geschreven worden als weiert, maar wordt volledig ten onrechte vaak geschreven als wijert of nog erger als wyert.

De zeer gewaardeerde bezoeker van ut Deevers Archief, die nog steeds een verstokte liefhebber van afbeeldingen van mooie foto’s op papier is, kan de hier afgebeelde zwart-wit foto ook ten zeerste bewonderen op bladzijde 59 van het in 2008 uitgegeven papieren boekwerkje Diever, zoals het was in de voormalige gemeente. 1930 – 1980, dat is samengesteld door vrijwilligers van de heemkunduge vurening uut Deever. Maar ja, dan moet je wel in het bezit zijn van dat papieren boekwerkje of dat papieren boekwerkje bij iemand in kunnen zien.
De redactie citeert de tekst bij de afbeelding op bladzijde 59 van het vermelde papieren boekwerkje:
De Wijert in de jaren dertig van de vorige eeuw. Op deze plas werd in de wintermaanden geschaatst. Op de achtergrond liggen de boerderij van Frederik Offerein, het huis van Teunis Mulder en de boerderij van Harm Moes aan de Burgemeester van Oslaan, later het Kasteel.

De redactie van ut Deevers Archief weet nog niet wie in de boerderij aan de rechterkant van de afbeelding woonden. De boerderij van Harm (Haarm) Moes is deels te zien rechts achter het huis van Teunis Mulder (die in de Deeverse volksmond altijd Teunis Kuper werd genoemd; in Deever hadden alle mensen met de achternaam Mulder een bijnaam).
Op 19 februari 1937 heette ut Kastiel nog gewoon ut Kastiel. Pas in 1939 bij de pensionering van de niet weg te branden burgemeester Hendrik Gerard van Os werd de verzameling wegen met de oeroude naam ut Kastiel volkomen onterecht gewijzigd in Burgemeester Van Oslaan (who the hell was Van Os, what the hell did Van Os ?).
De bevolking van Deever heeft vele tientallen jaren opgescheept gezeten met de ambtelijke straatnaam Burgemeester Van Oslaan en dat terwijl de Deeverse volksmond de verzameling wegen al die vele tientallen jaren gewoon ut Kastiel bleef noemen. De redactie moet nog uitzoeken wanneer de straatnaam Burgemeester van Oslaan gelukkig is gewijzigd in ut Kastiel.
De redactie vindt het toch wel een zorgelijk dingetje dat vrijwilligers van de heemkunduge vurening uut Deever in het boekwerkje Diever, zoals het was in de voormalige gemeente. 1930 – 1980 zulke geschiedkundig rammelende teksten opnemen bij afbeeldingen zonder bronvermelding.

Posted in de Weier, Deevers | Leave a comment

Anne Mulder over Geert Dekker en Abel Wijkstra

De redactie van ut Deevers Archief kreeg in de jaren 2000-2008 bij zijn bezoeken aan wijlen Anne Mulder – een Deeverse uut de Aachterstroate – die eerst an de Kloosterstroate in Deever woonde, daarna in Gasselte woonde, na zijn pensionering in Assen woonde, en is overleden bij zijn dochter in Voorburg – steeds van hem verhalen, schrijfsels, artikelen, krantenknipsels en documenten over Deever ter hand gesteld met de bedoeling deze voor hem al dan niet in geredigeerde vorm te publiceren.
Het is de redactie bij het leven van Anne Mulder helaas niet gelukt al zijn Deeverse documenten in het papieren blad Opraekelen van de heemkunduge vurening uut Deever te publiceren, dan maar postuum – en met alle respect – en beetje bij beetje opnemen in ut Deevers Archief.
Het navolgende artikel is de Nederlandse vertaling van het in ut Deevers geschreven artikel van Anne Mulder, dat wèl in het papieren blad Opraekelen is gepubliceerd, om precies te zijn in Opraekelen nr. 00/2 (juni 2000).
Dit in ut Deevers geschreven artikel ‘Geert Dekker en Abel Wijkstra’ is in geredigeerde vorm ook als bericht opgenomen in ut Deevers Archief.

Anne Mulder over Geert Dekker en Abel Wijkstra
Aan de Hoofdstraat in Deever woonden jarenlang Geert Dekker met zijn zuster Hilligje en hun oom Abel Wijkstra. Abel Wijkstra werd in de Deeverse volksmond altijd Abel Allen of de Smorre (= ondeugend persoon) genoemd. Hilligje was haast altijd ziek, maar zij is wel behoorlijk oud geworden, 87 jaar.

Het was een huisje waar je altijd terecht kon. Enige dorpsbewoners, waaronder de gemeentelijke veldwachter Johannes Ekkelboom, kwamen daar geregeld om de dorpsnieuwtjes uit te wisselen. Het was daar altijd erg gezellig. Als kind ging ik wel eens met mijn vader mee. Ik kreeg dan van Geert lekkere appels.

Geert was in dienst van de lijkwagenvereniging. Hij is zesentwintig jaren koetsier van de lijkwagen geweest. Hij had daar een prachtig paard voor. Het paard was glimmend zwart en mak en heel geschikt en stijlvol voor de lijkwagen. Geert en Abel pasten goed op het paard. Als er niet veel sterfgevallen waren, dan placht Abel te zeggen: ‘Een slechte tijd. Er gaat geen mens dood.’

Gemeente-ambtenaar Jan Boesjes, die in de kost was bij buurman Jannes Mos, de wagenmaker, was eens een paar dagen ziek. Hij kreeg later bezoek van Abel. En die zei: ‘Wij hadden gedacht dat wij jou wel in de lijkwagen hadden gekregen.’ Hij was altijd uit op klandizie.

De voorzitter van de lijkwagenvereniging was de dominee van de hervormde kerk. Reikhalzend keken de leden van de kerkeraad elk jaar uit naar de jaarvergadering, want dan konden zij zich weer verlustigen aan de smeuïge verhalen van Geert.

Niet te overtreffen
Geert verkocht groente- en bloemzaden voor een firma. De bonensoort met de naam ‘non plus ultra’ (niet te overtreffen) prees hij altijd aan met de naam ‘plus nultra’. ‘Nou ja, die moeilijke woorden ook.’ Maar het zaad werd wel besteld.

Een wonderlijke kronkel
Geert was orgelpomper, klokkeluider en koster in de hervormde kerk. Dat heeft hij meer dan veertig jaren gedaan. Hij had ook een wonderlijke kronkel in zijn  hoofd. Als weer eens een nieuwe dominee kwam, dan vertelde de vertrekkende predikant aan zijn opvolger het volgende: ‘Als je geen blijvende onenigheid met orgelpomper Geert Dekker wilt hebben, dan moet je tegen kerstmis naar hem toe gaan en hem vragen of hij ook op tweede kerstdag tijdens het kerstfeest van de zondagschool wil orgelpompen. Geert zegt dan: ‘Ja’’. De nieuwe dominee  knoopte dat goed in zijn oren en volgde de raad op.

Ere-medaille in brons
Geert Dekker werd in 1955 op koninginnedag voor zijn verdiensten koninklijk onderscheiden met de eremedaille in brons, verbonden aan Orde van Nassau.

Roggepachten
Geert haalde ook de roggepachten op.

Geert en de landlopers
Geert was door de gemeente belast met het verschaffen van onderdak aan landlopers. Dat onderdak was een ruimte aan de noordkant van de kerk. Een laadloper kreeg dan van Geert koffie en een half brood. De gemeente betaalde daar de kosten van.

Geert en Abel en het boerwerken
Geert en Abel gingen ook wel zo genoemd uit boerwerken. Als je een stuk grond voor de verbouw van zeg maar aardappels had, dan kwamen Geert en Abel met hun paard om de grond te bewerken. Maar als je graag wilde, dat zij op een bepaalde dag kwamen, dan moest je tegen hun zeggen dat het op die dag niet schikte. Dan zeiden Geert en Abel prompt dat het hun juist op die dag wel schikte. Zij waren altijd tegen de draad in. ‘Nou ja,’, zei men dan grif, ‘dat moet dan maar. Wij hangen van jullie af.’
Geert verzorgde ook een paar tuintjes van particulieren.

Geert in het ziekenhuis
Toen Geert in het ziekenhuis belandde, kreeg hij zoveel fruit dat hij dat niet allemaal alleen kon opeten. Hij heeft toen geprobeerd het fruit wat over was bij opbod te verkopen aan de andere patiënten. Dat zal wel niet zijn gelukt. Het was een zuinigerd ! Hij is is op 6 maart 1963 overleden op 87-jarige leeftijd.

Abel en het broodmeel
Roelof (Roef) Wesseling ging met meel naar de bakker om daar broden van te laten bakken. Toen kwam hij Abel tegen. Die zei: ‘Ik kan je een reis besparen. Ik moet toch die kant op. Geef mij dat meel maar mee.’ En tegen de bakker zei Abel: ‘Dit is het broodmeel van Roelof Wesseling. Je moet er voor zorgen dat alle broden propvol met krenten zitten, want ze krijgen zondag grote visite.’ Roelof Wesseling schrok zich dood toen hij de broden ophaalde. Thuis gekomen schrok zijn vrouw Annigje ook, maar die zei: ‘Ja jongen, dan moet je zoiets ook niet meegeven aan Abel. Je weet hoe hij is.’

Abel heeft het weer
Bij hun boerderijtje waren stratenmakers bezig met de straat. Er was ook een leerling bij. Abel merkte dat die jongen ban voor hem was. Daar was munt uit te slaan en hij stelde zich in verbinding met postbode Roelof Vos (bode Vossie), die daar vlakbij woonde.  Abel zei tegen bode Vossie: ‘Als je vanmiddag van de bestelling thuis komt, dan moet je komen en mij het touw aan mijn been binden, de baanderdeur open doen en dan moet je mij naar buiten leiden en dan ga ik al rollend en brullend naar de jongen toe. Als de stratenmakers dan vragen: ‘Wat is er aan de hand’, dan schreeuw je: ‘Hij heeft het weer ! Hij heeft het weer !’ Aldus gebeurde. Die jonge is spoorslags vertrokken en zij hebben hem daar nooit weer gezien.

Abel en de meisjes
Abel had het altijd te doen met de vrouwen. Als hij ergens was, dan zegde hij als er meisjes in de buurt waren het volgende versje op:
Wie slaap’rig is, wie gaap’rig is, wat doet die bij de bruid.
Kan er nog geen klein zoentje af, dan is de vriendschap uit.
Dan vroeg hij aan de meisjes: ‘Mag ik er nu ook één ?’ Maar die waren daar niet van gediend. Abel werd daarom ook vaak Abeltje Smok (un smok = een kus) genoemd.

Abel op de sokken
In een kamer van de tegenwoordige boerderij van Hendrik Krol aan de Hoofdstraat gaf een mevrouw Heida naailes aan een paar jongedames. Abel liep daar geregeld langs naar hun land op Kalteren. De jongedames maakten altijd grimassen tegen Abel als hij voorbij kwam. Totdat hij een keer naar het huis liep, het raam open schoof en alle kleren die bij het raam lagen onder de arm nam en deed alsof hij daarmee naar Kalteren ging. Nu was Diever in last ! Hoe kregen zij dat naaigoed terug ? Uit nood deden zij de deur open en toen kwam Abel met het naaigoed naar binnen. Hij ging met dat goed achter de vluchtende meisjes aan tot buiten de boerderij. Op het laatst gaf hij hen hun goed terug en ging naar Kalteren. ‘Ik zat achter hen aan op de sokken, zei Abel later.

Abel als adviseur van Shell
Bij buurman Lambert Rolden moest een Shell benzinepomp worden geplaatst. Een beambte had daar de leiding bij. Abel was er ook bij met zijn ongevraagde aanwijzingen. Die beambte was daar natuurlijk niet van gediend en zei op een gegeven moment: ‘Ouwe man, ik heb eerbied voor je ouderdom, maar niet voor je verrotte praatjes.’ En Abel droop af. Abel is 93 jaar geworden. Abel was een mooi figuur, wellicht een van de mooiste figuren die Deever ooit heeft gekend.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Abel Wijkstra werd Oude Abel, Abel Allen, Allen Abel, de Smorre of Abeltje Smok genoemd.
Abel Wijkstra is geboren op 26 maart 1837 in Deever, als zoon van Alle Abels Wijkstra en Jacobje Jans Kremer. Hij is overleden op 18 september 1930 op 93-jarige leeftijd in Deever. Abel Wijkstra is begraven op de kaarkhof an de Grönnegerweg bee Deever.
In het in het Deevers geschreven artikel Anne Mulder over Geert Dekker en Aèbel Wiekstra is een afbeelding van een fraaie zwart-wit foto van Abel Wijkstra bij het boerderijtje van Geert Dekker an de Heufdstroate opgenomen.
De redactie heeft het vermoeden dat die foto van Abel Wijkstra is gemaakt omstreeks 1925.

Afbeelding 1
Deze fraaie zwart-wit foto is gemaakt bij het niet meer bestaande boerderijtje van Geert Dekker an de Heufdstroate. De foto laat zien dat Abel Wijkstra even niet bezig is met touw draaien, maar een pijpje aan het roken is. Het instrument in de rechterhand van Abel Wijkstra is een soort spintol waarmee het garen wordt getwijnd. Het getwijnde garen wordt op de haspel gewonden. De redactie heeft het vermoeden dat deze foto van Abel Wijkstra is gemaakt omstreeks 1925.

Posted in Alle Deeversen, Deevers, Dorpsfiguur, Geert Dekker, Verdwenen object | Leave a comment

Anne Mulder over Geert Dekker en Aèbel Wiekstra

De redactie van ut Deevers Archief kreeg in de jaren 2000-2008 bij zijn bezoeken aan wijlen Anne Mulder – een Deeverse uut de Aachterstroate – die eerst an de Kloosterstroate in Deever, daarna in Gasselte en later in Assen woonde – steeds van hem verhalen, schrijfsels, artikelen, krantenknipsels en documenten over Deever ter hand gesteld met de bedoeling deze voor hem al dan niet in geredigeerde vorm te publiceren.
Het is de redactie bij het leven van Anne Mulder helaas niet gelukt al zijn Deeverse documenten in het papieren blad Opraekelen van de heemkunduge vurening uut Deever te publiceren, dan maar posthuum – en met alle respect – en beetje bij beetje opnemen in ut Deevers Archief. Bijgaande artikel van Anne Mulder is wèl in het papieren blad Opraekelen gepubliceerd, om precies te zijn in Opraekelen nr. 00/2 (juni 2000).
Anne Mulder haalt in zijn artikel wat eigen herinneringen op aan Geert Dekker en Abel Wijkstra, twee bekende dorpsfiguren in Deever. Anne Mulder was bereid zijn verhaal in ut Deevers te schrijven. De redactie is hem daar postuum zeer erkentelijk voor. Wel heeft de redactie de tekst van het artikel waar nodig wat aangepast. De redactie verneemt van zijn zeer gewaardeerde bezoekers graag aanvullingen op dit verhaal.

An de Heufdstroate in Deever woond’n joar’nlang Geert Dekker mit sien zuster Hillegie en heur ome Abel Wijkstra. Abel Wijkstra wödde in de Deeverse volksmond altied Aèbel Allen of de Smorre (= ondeugend persoon) enuumd. Hillegie was hoast altied seek, mor see is wè oar’g old ewödd’n, 87 jaor.

Ut was doar un hüsie van holan (= een huis waar je altijd terecht kon). Un paèr dörpsbewoners, so ok de gemiente-veldwaachter Johannes Ekkelboom, kwaam’m doar geregeld um de dörpsneegies uut te wissel’n. Altied aarg gezellig. As kiend gung ik wel ies mit mien vaè mit. Ik krege dan van Geert lekkere appels.

Geert was in deenst van de liekwaèg’nvurening. Hee is zess’ntwintig joar koetsier van de liekwaèg’n ewest. Hee haar doar un prachtig peerd veur. Ut was glimm’nd zwat, mak en hiel geschikt en stijlvol veur de liekwaèg’n. Geert en Aèbel past’n d’r good op. As ur neet veule staarfgevall’n waar’n, dan placht Aèbel te segg’n: ‘Un slechte tied. D’r geet gien meinse dood.’

Gemiente-ambtenoar Jan Boesjes, die in de kost was bee buurman Jannes Mos, de waègenmaèker, was ies un paèr daèg’n seek. Hee kreeg laèter besuuk van Aèbel. En die see: ‘Wee haad’n edaacht da’w oe wè in de koetse (= lijkwagen) kreeg’n haad’n.’ Hee was dus altied uut op klandizie.

De veurzitter van de liekwaèg’nvurening was de domeneer van de hervormde kaarke. Riekhals’nd keek’n de leed’n van de kaarkeroad elk joar uut noar de joarvurgaèdering, want dan könn’n see heur wièr vurlustugg’n an de smeuïge verhaèl’n van Geert.

Niet te overtreffen
Geert vurkochte greunte- en bloemsoad’n veur un firma. De bonesoort mit de naème ‘non plus ultra’ (niet te overtreffen) prees hee altied an mit de naème ‘plus nultra’. ‘Noo ja die meulukke woord’n ok.’ Mor ut soad wödde wè besteld.

Un wondelukke kronkel
Geert was orgelpomper, klokkelüder en koster in de hervormde kaarke. Dat hef hee meer dan vièrtig joar edoane. Hee haar ok un wondelukke kronkel in sien heufd.
As ur wièr ies un neeje domeneer kwaamp, dan vurtelde de vertrekkende predikant an sien opvolger ut voll’nde: ‘Als je geen blijvende onenigheid met orgelpomper Geert Dekker wilt hebben, dan moet je tegen kerstmis naar hem toe gaan en hem vragen of hij ook op tweede kerstdag tijdens het kerstfeest van de zondagschool wil orgelpompen. Geert zegt dan: ‘Ja’.’ De neeje domeneer knöpte dat good in sien oren en voldeed doaran.

Ere-medallie in brons
Geert Dekker wödde in 1955 op Keuninginnedag veur sien vurdienst’n keuninkluk underscheid’n mit de eremedallie in brons, verbun’n an de Orde van Nassau.

Roggepacht’n
Geert heul ook de roggepacht’n op.

Geert en de laandlopers
Geert was deur de gemiente belast mit ut verschaff’n van onderdak an laandlopers. Dat onderdak was un ruumte an de noordkaante van de kaarke. Un laandloper kreeg dan van Geert koffie en un halve stoete. De gemiente beteul doar de kost’n van.

Geert en Aebel en ut boerwaark’n
Geert en Aèbel gung’n ok wè sogenaèmd uut boerwaark’n. Ai’j un stuk grond veur de vurbouw van seg mor ièpels haar’n, dan kwaam’n Geert en Aèbel mit heur pièrd um de grond te bewaark’n. Mor ai’j graèg woll’n, dat see op un bepoalde dag kwaa’m, dan mus ie tegen heur segg’n dat ut op die dag neet schikte. Dan seed’n Geert en Aèbel prompt dat ut heur juust op die dag wel schikte. See waar’n altied teeg’n de droad in. ‘Now ja’, see men dan grif, ‘dat möt dan mor. Wee hangt van oe of.’
Geert vurzörgde ok un paèr tuunties van parteculieren.

Geert in ut seek’nhuus
Toen Geert in ut seek’nhuus belaandde kreeg hee soveule fruit dat hee dat neet allemoale allent kun opeet’n. Hee hef toen probeerd ut fruit wat over was bee opbod te vurkoop’m an de aandere pesjent’n. Dat zal wel neet elokt weed’n. Ut was un sünigerd ! Hee is op 6 maert 1963 overlee’n op 87-joarige leeftied.

Aèbel en ut stoetemèèl
Roelof (Roef) Wesseling gung mit mèèl hen de bakker um d’r stoet’n van te loat’n bakk’n. Toen kwaamp hee Aèbel teeg’n. Die see: ‘Ik kan oe un reize beschoon’n (= besparen). Ik moe toch die kaante uut. Geef mee dat mèèl mor mit.’ En teeg’n de bakker see Aèbel: ‘Dit is ut stoetemèèl van Roef Wesseling. Ie meut ur veur sörg’n dat alle stoet’n stiefvol krent’n zit, want see kriegt sundag grote vesite.’ Roef Wesseling skruk hum dood toen hee de stoet’n opheul. Thuus ekoo’m skruk sien vrouw Annegie ok, moar see see: Ja jong, dan moei zöks neet an Aèbel mitgee’m. Ie weet hoe hee is.

Aèbel hef’t weer
Bee heur boerdereegie waar’n stroatemaèkers an de gaank mit de stroate. D’r was ok un lièrling bee. Aèbel maarkte dat die jonge bange veur hum was. Doar was munt uut te sloan en hee stelde hum in verbiending mit postbode Roef Vos (bode Vossie), die doar vlakbee woonde.  Aèbel see bode Vossie: ‘Ai’j ’t noamedag van de bestelling thuus koompt, dan moei koo’m en mee un touw an ’t bien bien’n, de baanderdeure lös doon en dan moei mee hen buut’n leid’n en dan goa ik al rül’nd en brull’nd op die jonge of. As de stroatemaèkers dan vroagt: ‘Wat is ur an de haand’, dan skrow ie: ‘Hee hef’t weer ! Hee hef’t weer !’
Aldus gebeurde. Die jonge is spoorslags vertrökk’n en see hept hum doar nooit wièr esiene.

Aèbel en de maegies
Aebel haar ut altied te doon mit de vrouw’n. As hee aarg’ns was, dan see hee as ur maègies in de buute waar’n ut voll’nde vassie op:
Wie slaap’rig is, wie gaap’rig is, wat doet die bij de bruid.
Kan er nog geen klein zoentje af, dan is de vriendschap uit.
Dan vreug hee an de maègies: Mag ik ur now ok iene ? Mor die waar’n doar neet van edeend. Aèbel wödde doarumme ok vaèke Aèbeltie Smok (un smok = een kus) enuumd.

Aebel op de hoozevöttels
In un kaèmer van de teeg’nwoordige boerdereeje van Hendrik Krol an de Heufdstroate gaaf iene mevrouw Heida neeiles an un paèr jongedames. Aebel leup doar geregeld langes hen heur laand op Kalter’n. De jongedames meuk’n altied grimass’n teeg”n Aèbel as hee veurbee kwaamp …… Totdat hee un keer hen ut huus leup, ‘t raèm oop’mscheuf en alle klièr’n die bee ‘t raèm laag’n under de naarm naamp en deu asof hee ur mit hen Kalter’n gung. Now was Deever in last ! Hoe kreeg’n see dat neeigood terogge ? Van nood deed’n see de deure lös en doar kwaamp Aèbel mit ut neeigood binn’n. Hee gung mit dat good aachter de vluchtende maègies an tot buut’n de boerdereeje. In ut lèest gaaf hee heur good of en gung hen Kalter’n. ‘Ik sate aachter heur an op de hoozevöttels (= sokken)’, see Aèbel laèter.

Aèbel as adviseur van Shell
Bee buurman Lambert Rolden mus un Shell besienepompe eplaest wödd’n. Un beambte haar doar de leiding bee. Aèbel was d’r ok bee mit sien ongevroagde anwiezings. Die beambte was doar netuurluk neet van edeend en see op un gegee’m moment: ‘Ouwe man, ik heb eerbied voor je ouderdom, maar niet voor je verrotte praatjes.’ En Aèbel dreup of. Aèbel is 93 joar ewödd’n.
Aèbel was un mooi feguur, ammit ien van de mooiste feguren die Deever ooit hef ekend.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Abel Wijkstra werd Olde Aébel, Aèbel Allen, Allen Aèbel, de Smorre of Aèbeltie Smok genoemd.
Abel Wijkstra is geboren op 26 maart 1837 in Deever, als zoon van Alle Abels Wijkstra en Jacobje Jans Kremer. Hij is overleden op 18 september 1930 op 93-jarige leeftijd in Deever. Abel Wijkstra is begraven op de kaarkhof an de Grönnegerweg bee Deever.

In de Olde Möppeler (Meppeler Courant) van 9 augustus 1929 verscheen het volgende korte bericht (zie afbeelding 2) over Abel Wijkstra: De ruim 91-jarige A. Wijkstra alhier, beter bekend onder den naam Olde Aébel, zagen we gisteren nog bezig op het land te ‘rogge wellen’. Abel werkte er nog geducht op los en menige jonge landbouwer zou hem dit karweitje niet kunnen verbeteren.
Rogge wellen is van de gemaaide rogge met de welhaak garven maken en deze in de lengterichting van het korenveld leggen.

De zeer gewaardeerde bezoeker van ut Deevers Archief, die nog steeds een verstokte liefhebber van mooie afbeeldingen van foto’s op papier is, kan de hier afgebeelde foto ook ten zeerste bewonderen op bladzijde 36 van Opraekelen nr. 00/2 (juni 2000). Maar ja, dan moet je wel in het bezit zijn van dat papieren boekwerkje of dat papieren boekwerkje bij iemand in kunnen zien.

De zeer gewaardeerde bezoeker van ut Deevers Archief, die nog steeds een verstokte liefhebber van afbeeldingen van foto’s op papier is, kan de hier afgebeelde foto ook ten zeerste bewonderen als afbeelding 26 van het in 1981 uitgegeven papieren boekwerkje Diever in oude ansichten, dat is samengesteld door de gepensioneerde schoolmeester Albertus Andree (Andrea ?, Andreae ?) (die in de Deeverse volksmond altijd Bart Eulie werd genoemd) uut Deever. Maar ja, dan moet je wel in het bezit zijn van dat papieren boekwerkje of dat papieren boekwerkje bij iemand in kunnen zien.

Bij afbeelding 26 in het boekwerkje ‘Diever in oude ansichten’ staat de volgende tekst (citaat): De ouderen onder u zullen zich zeker deze man herinneren. Het is Abel Wijkstra, die jarenlang heeft gewoond in het huis van de klokkeluider, op de plaats waar nu het nieuwe huis van Geertje Vos staat. Hij woonde daar samen met zijn oomzegger en oomzegster Geert en Hillegie. Onze karakteristieke figuur werd Aèbel Allen genoemd (of omgekeerd Allen Aèbel). Hij stond bekend als een gezellige prater, maar de kinderen (en vooral de meisjes) waren vaak bang voor hem, omdat hij probeerde hen een kusje te geven. Als zijn oomzegger Geert de lijkwagen reed, dan zat Aèbel vaak naast hem op de bok of liep naast de koets.

Afbeelding 1
De foto is gemaakt bij het niet meer bestaande boerderijtje van Geert Dekker an de Heufdstroate. De foto laat zien dat Abel Wijkstra bezig is met touw draaien. Het instrument in de rechterhand van Abel Wijkstra is een soort spintol waarmee het garen wordt getwijnd. Het getwijnde garen wordt op de haspel gewonden. De redactie heeft het vermoeden dat deze foto van Abel Wijkstra is gemaakt omstreeks 1925.

Afbeelding 2
Berichtje in de Olde Möppeler (Meppeler Courant) van 9 augustus 1929

Posted in Alle Deeversen, Deevers, Dorpsfiguur, Geert Dekker, Verdwenen object | Leave a comment

Deeverse laandschopp’m – September 1643

De redactie van ut Deevers Archief toont bijzonder graag getekende en geschilderde objecten uut de gemiente Deever aan zijn zeer gewaardeerde trouwe bezoekers. Hoe meer afbeeldingen van tekeningen en schilderijen getoond kunnen worden, hoe liever het de redactie is.

De hier afgebeelde tekeningen zijn aanwezig in een bewaard gebleven schetsboek van Pieter Serwouters. Het schetsboek ‘Assens Album, folio 69v-70r’ bevindt zich in de collectie van het Drentsch Museum in Assen.

Pieter Serwouters (geboren in 1586 in Antwerpen, overleden in 1657 in Amsterdam) was boekhouder en cartograaf. Vanaf 1629 tot aan zijn dood was hij boekhouder van de Compagnie van de Hollandse Participanten van de Dieverder en Leggeler Smildervenen. Hij was blijkbaar ook een begaafd tekenaar.

De tekeningen zijn gemaakt in september 1643. De drager van de tekening in kleur is papier. De tekenaar gebruikte waterverf en inkt. De liggende rechthoek van de tekeningen heeft een breedte van 145 mm en een hoogte van 96 mm.

Het opschrift van de bovenste tekening luidt als volgt:
Dieveren in Drenthe gelegen, alsoot hem vertoont komende vande Leggeler brug a° 1643 in September / voorden middach.

De toren met het aangebouwde kerkgebouw is herkenbaar. De redactie heeft het vermoeden dat de afgebeelde molen die van Oll’ndeever is en niet de beltmolen aan het Katteneinde. De weg die zichtbaar is aan de linkerkant van de bovenste tekening zal de Stienwiekerweg zijn.

De redactie heeft het opschrift van de onderste tekening helaas nog niet kunnen ontcijferen.

De redactie wil de in Pieter Serwouters geïnteresseerde zeer gewaardeerde bezoekers van ut Deevers Archief graag verwijzen naar het lezenswaardige artikel ‘De kunst van het boekhouden – Pieter Serwouters (1567-1657)’ van de Amerikaanse kunsthistorica Claudia Swan, dat in 2001 is verschenen in nummer 2 van het tijdschrift Waardeel. In dit artikel is bijgaande afbeelding opgenomen.

De topografische deskundige van de heemkunduge vurening uut Deever noemt op de webstee van deze vurening de resultaten van zijn diepgaande en diepgravende bronnenonderzoek naar de door de eeuwen heen veranderende naam van het esdorp Deever: Deuvre (1188), Deveren (1258), de Devere (1262), apud Duvere (1298-1304), van Dyveren (1327), van Deveren (1377), tot Deveren (1402), Dieveren (1475).

De topografische deskundige van de heemkunduge vurening heemkundige uut Deever zou op basis van het hiervoor genoemde jaartal 1643 Dieveren (1475) uit kunnen breiden tot Dieveren (1475-1643).

In ut Deevers is Deever de hedendaagse schrijfwijze van Diever.

Posted in Deever, Deevers, Kaarke an de brink, Kuunst, Meule 'de Vlijt', Tiekening, Toor'n an de brink, Topstuk | Leave a comment

Abe Brouwer heft ’t drok in Deever

In een Fries periodiek verscheen in 1957 het navolgende in het Fries geschreven bericht over de Friese straatmaker-schrijver Abe Brouwer, die van 1957 tot zijn pensionering in 1966 woonde en werkte in Deever.
De redactie van ut Deevers Archief heeft het vermoeden dat het merendeel van de zeer gewaardeerde trouwe bezoekers van ut Deevers Archief de Friese taal niet machtig is, daarom heeft de redactie het bericht voor het leesgemak en het leesplezier benaderd in ut Deevers.

Abe heft ’t drok in Deever
Bee de uutvoering van ‘Veel leven om niets’ van Shakespeare’ in ’t oop’mlochttheater in Deever, hei’w in de schoft eempies de geleeg’nheid ekreeg’n um de Freese roman- en toneelskriever Abe Brouwer de haand te schudd’n en mit hum te proat’n. Dat mögt’n wee oens nee’t loat’n ontkoo’m, now wee in Deever waar’n, woar disse skriever now woont, want allicht bint de meins’n beneeit te weet’n hoe ’t hum doar bevalt en of hee miskien ok neej waark under haan’n hef.
Um de as Antonio vermomde Abe Brouwer te vien’n völ oens neet mit, moar langeleste kreeg’n wee hum toch bee’j de haand en an de proat, woar vansölf neet alle tied veur was.
Wee bint toch wel soveule te weet’n ekoo’m dat Brouwer tot now toe tied tekötte komp. Neet allennig deur sien neeje waark, moar ok deur disse uutvoering, woarveur see vanof 1 maert alle daeg’n an ’t rippeteer’n ewest bint. Ja, so hebt see dat in Deever loat’n see’n, van 1 meart tot de uutvoering op 1 juni, elke dag rippeteer’n op ’t toneel ! Wilt oense Freese toneelspeulers doar eempies acht op sloan ?
Vansölsspreek’nd dat ’t oens good lek dat Brouwer doar so gau al sien plekke in de Deeverse gemienschop meug innee’m en de kaans kreg hum as toneelman uut te lee’m. En dat hee sien plekke in disse toneelploog mit ere innemp en mit gemak, dat hei wee bee’j de uutvoering könn’n see’n.
Dat Brouwer tot now toe narungs aans an toe ekoo’m is, dat kö’j wel roa’n, moar ’t lek oens toe dat hee vrogger of laeter wel weer sal goan skrie’m. Tetman kön ’t indertied ok nee’t loat’n en Abe sal ’t ee’mmin könn’n loat’n. Olde liefde blef en roest neet.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie beging de stomme fout niet te noteren in welk periodiek en op welke datum het bericht is gepubliceerd, dat moet hij toch nog eens opnieuw gaan uitzoeken.
Abe Brouwer, sien vrouw en heur jongste seune woond’n ièrst op ut adres Veentiesweg 3 en laeter an de Kloosterstroate noast Lu Broer en Engeltje van Delden. Ut huus an de Kloosterstroate is esloopt en besteet dus nee’t meer. Ut huus an de Veentiesweg hef now as adres Veentiesweg 5.
De journalist van het artikeltje had wel gelijk, Abe Brouwer kon uiteraard ook in Deever het schrijven niet laten. Hij schreef in zijn Deeverse periode de delen 1, 2 en 3 van zijn roman Springtij; zie de bijgevoegde afbeelding.

Posted in Abe Brouwer, Deevers, Eup’mlogtspel | Leave a comment

Un paer olde Deeverse woord’n van Anne Mulder

De redactie prijst zich bijzonder gelukkig met de in dit bericht verwerkte bijdrage van de in Deever geboren en getogen Anne Mulder uit Gasselte. Hij stuurde in juni 1987 en januari 1990 een lijst met woorden, zoals die werden en soms nog worden gebruikt in ut Deevers, naar dr. Geert Hendrik Kocks van het Nedersaksisch Instituut van de Rijksuniversiteit van Groningen. Dr. Geert Hendrik Kocks was in die tijd nog bezig met het opstellen van het Woordenboek van de Drentse dialecten. Hij had daarbij in het dorp Deever als correspondenten: Albertus Andreae, Lutina Andreae-Talen, Roelof Fransen, familie Jacob Hessels, Jan Moes Hzn. en Hendrik Mulder Jzn. Het Woordenboek van de Drentse dialecten is in 1996 verschenen.
Als in de navolgende lijst van Anne Mulder een woord staat dat niet in het woordenboek voorkomt, dan is dit vet weergegeven. Als een woord in de navolgende lijst wel in het woordenboek staat, maar de door Anne Mulder aangegeven betekenis helaas niet in het woordenboek is opgenomen, dan is die aanvullende betekenis vet weergegeven.
Dat dr. Geert Hendrik Kocks en zijn medewerkers wel degelijk gebruik hebben gemaakt van de lijst van Anne Mulder mag blijken uit de cursief weergegeven woorden en hun betekenis. Deze zijn letterlijk in het woordenboek terug te vinden !

akstallig – naar, vervelend;
de bangerd aachter ’t gat – bang zijn;
batse – grote hoeveelheid;
beuze – druk doend, zichzelf haast voorbij lopend;
boezig – winderig, rumoerig;
bösselwaeter – zeer slappe niet te drinken thee;
brokkie – boterham;
dag elegd – bestemd voor;
dikke stienen – hunebed;
dogge – sul;
elbaand – bewegelijk, ongedurig persoon;
fleenstertie – dun plakje, dun sneetje;
flut, fluttiehoeveelheid, kleine hoeveelheid;
fobie – hopeloze figuur, onverzorgd iemand;
frabbe – kreng van een mens;
gezem – bleek, slecht uitziend;
gemiggel – gewemel;
gerak – benodigdheid
gewulfte – gevaarte, groot van omvang;
glinder – gluiperd;
goezerd – sul;
goezebroek – dom persoon, sufferd;
uut goderdeudeuit bestwil;
grizzeltie – heel weinig, bijvoorbeeld een grizzeltie zolt;
halsknope – dom persoon, stuntelig persoon;
heun – node, ongaarne;
hoesterig – onverzorgd;
hollewaais – schots en scheef, slordig;
hompe – dik stuk, bijvoorbeeld een dik stuk brood;
hookies en eggieshoekjes;
höppen – beteugelen, in toom houden;
op de hukies zit’n – gehurkt zitten;
huken, mit e kroeme hoed, mit de bienen an mekaer  – drie uitdrukkingen voor bijvoorbeeld koeien, die bij slecht weer ‘ineengekrompen’ met het achterste naar de wind gekeerd staan;
huushenne – een vrouw die het thuis erg naar de zin heeft;
iepie – keukenstroop;
ikkertieheel klein gaatje, bijvoorbeeld in een broek;
kaantfier, bijvoorbeeld een kaante meid;
kilstern – schel, luidruchtig praten;
klibbe – niet gerezen gedeelte in het brood;
klobbe – dik stuk hout;
op e kloetn koomnfinancieel in goede omstandigheden komen;
kooveugeltie – geelgors;
krenge – binnenste buiten, bijvoorbeeld van kousen;
kuisie – kalf;
lasse, lassie – buitenste snee van een brood;
meistern – dokteren (bij een arts in behandeling);
melklappe – een koe, die veel melk geeft;
mennebeune – zandweg met wagensporen;
’t miggelt ervan – het krioelt ervan, het wemelt ervan;
nebbe – mond; na het scheren: glad um de nebbe;
neerswisser – toiletpapier;
noawaernnakijken;
ontsnobbeln – ontkomen;
plowern – het eerste gras eten van jonge lammeren;
porre, prugeltie – ondeugend klein persoon;
deur de repe voord – kreeg te weinig te eten (door de ruif gevoerd);
reestern – in beweging zijn;
rempt – vlug;
rink maank holln – orde op zaken stellen, opruimen;
romoezen – rotzooien, slordig te werk gaan;
sam – mals;
scheuken – overdreven bewegingen maken;
schildertiemooi plaatje, prentje;
schoatnscherven van porcelein of aardewerk;
schoffels – lange nagels;
sloksigheidslordigheid;
smietig – flink, ferm;
sobberig – opgezet in het gezicht;
de stikke optrekken – weggaan;
stoeken – stagneren;
suilen – traag lopen, slenteren;
taamp – zuur;
togen – slepen, bijvoorbeeld togen veur ‘t poasvuur;
tolter, toltern – schommel, schommelen;
triesie – armetierig schepsel;
op vetok hollnaan het lijntje houden;
voelschouwn – van iets verdenken;
zakkebaand – oudewijvenkoek;
een zwenkie regen – een weinig regen.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De zeer gewaardeerde bezoekers van ut Deevers Archief worden uitgenodigd om bij hun bekende oude woorden en uitdrukkingen in ut Deevers in te sturen naar de redactie van ut Deevers Archief.

Posted in Deevers | Leave a comment

Hoe un neeje meister uut ekeus’n wödde

Het boek met de titel ‘Folmers en zijne tijdgenooten. Eene Drentsche novelle’ is geschreven door Hendrik Tillema uit De Wijk. Het boek is in 1868 verschenen bij uitgeverij K. van Hulst te Kampen.
Hoofdstuk 1 is gesitueerd in het gehucht W. en beschrijft het onderzoek naar de bekwaamheden van vijf gegadigden voor de vacante betrekking van meister an de skoele van het gehucht W..
Het mag duidelijk zijn dat uit de eerste alinea van hoofdstuk 1 blijkt dat het verhaal in het gehucht Wapse is gesitueerd, echter de schrijver had zijn verhaal ook met gemak in vele andere boerendorpen of boerengehuchten in het Drente van 1868 kunnen situeren.
De redactie van ut Deevers Archief heeft hier alleen het met humor en sarcasme en veel dialect geschreven hoofdstuk 1 van het genoemde boek weergegeven, zeg maar als een soort van gemakzuchige bladvulling.
Dit hoofdstuk 1 is ook letterlijk als bladvulling (bladzijden 2 tot en met 13) opgenomen in nummer 15/4 (december 2015) van het papieren blad Opraekelen van de heemkundige vereniging uut Deever.

Hoofdstuk 1

Stil en vredig, doch niet onaardig, ligt te midden van eene hier en daar onafzienbare heide, het gehucht W (redactie: Wapse). Verdeeld in vijf kluften of boerschappen, behoort het burgerlijk zoowel als kerkelijk, tot de gemeente D (redactie: Deever). Van de kom dier gemeente ligt het ongeveer een uur gaans verwijderd.

Wij bevinden er ons in het najaar van 182*. De aardappelen zijn gerooid. Op den esch moet hier en daar nog ’n akkertien met winterrogge bezaaid worden, doch overigens is er de noodzakelijkste veldarbeid geëindigd. Het rundvee verlaat des daags nog slechts eenige oogenblikken de stallen en wordt dan naar eene dorre weide gedreven, doch as ’t weer umslat en regenachtig wordt, zal ’t veur vaste op ezet moên worden. Geen wonder ! Allerhilligen is kort op handen. ’t Is opmerkelijk, dat de Drenthenaar, ofschoon over ’t algemeen afkeerig van alles wat naar de gebruiken der Roomsche kerk zweemt, in zijn dagelijkschen spreektrant, de Sinten, voor de verdeeling des jaars, behouden heeft. Zoo spreekt hij gedurig van Allerhilligen, Lichtmissen, St. Jan, St. Jaopek, enz. ’t Schöt dan nou, al ’n mooi stukkien, nao Allerhilligen too.

’t Vee is gemolken en verzorgd. De scheper is eenige oogenblikken eerder, dan overigens anders zijne gewoonte is, met de kudde huiswaarts gekeerd. De wollige langstaarten verdeelen zich in onderscheidene koppels, en zonder opzicht, begeeft elke koppel zich naar het voor hem bestemde hok. De scheper begeeft zich met zijnen hond, naar de woning waar hij (met zijn trouwen volgeling) in den kost is, ten einde daar het voor hem bestemde middagmaal, dat reeds eenigen tijd op de gladgeschuurde vuurplaat heeft gestaan, te gebruiken. Zoo Haarm! bin ie daor al’, spreekt de vrouw des huizes hem toe, ‘as ie wat eer ekomen had, haije good gelieke mit oeze volk kunnen eten. Jans is nao de schoele toe, want de boer is daor te hoope.’ Uit het verdere tusschen beiden gevoerde gesprek, waaraan nu en dan ook de andere huisgenooten deelnemen, komen wij te weten, dat de huisvaders van het gehucht W. (redactie: Wapse) dien avond in het schoollokaal zullen vergaderen, om onderzoek te doen naar de bekwaamheden van een vijftal sollicitanten, naar de vacante betrekking van onderwijzer te W. (redactie: Wapse) en na den afloop hiervan, tot de benoeming over te gaan.

Zoo was dan de stok of bongel, die in het voorjaar, ten teeken dat het schoolonderwijs gestaakt was, door den ring der schooldeur was gestoken, weggenomen. Twee kaarsen, eene op eene ledige flesch, de andere op een houten blok, dienen tot verlichting van het tochtige lokaal. Tusschen de planken der zoldering door, ziet men hier en daar een gat in het rieten dak, waardoor men tot de gevolgtrekking komt, dat het hier niet alleen tochten, maar ook lekken kan. De aanwezende personen hebben zich zelven en elkander reeds in een dikken tabaksdamp gehuld. Twee der laatst aangekomenen, geene wettige redenen voor hun te laat komen kunnende aanvoeren, worden met bijna eenparige stemmen, tot de vooraf vastgestelde boete van tien cents voor ieder die te laat komt, veroordeeld. Na vruchteloos protest, wordt de boete eindelijk pruttelend betaald.

De vijf adspiranten, hebben op eene in een hoek staande bank, plaats genomen en zien elkander ter sluiks, met niet zeer vriendelijke blikken aan. De boeren schijnen weinig notitie van hen te nemen, en hunne gesprekken loopen over geheel andere onderwerpen, dan over onderwijs en opvoeding. Deze en gene groep is druk bezig om de marktprijzen van rogge en boter te bespreken. Ginds is een paar ijverig bezig om de zwaarte van ’n onverstaandeg zwaor vaarken te taxeeren, dat tegen achttien cents per pond verkocht, en te Steenwijk op de stadswaag gewogen en afgeleverd zal worden. Elders hoort men klagen over het weinige hooi, dat in den afgeloopen zomer gewonnen is, en over het dunne beschot, dat het dorschen der rogge oplevert. Kortom, men kan uit de gesprekken der vergaderden volstrekt niet afleiden, met welk doel zij in het schoollokaal zijn saamgekomen.

Eindelijk nam Jans het woord. Daar hij een van de voornaamste eigenaren der marktegronden, en tevens jaren lang lid van den gemeenteraad was, was hij gewoon de boerenvergaderingen te leiden, vele zaken van algemeen belang te regelen, en kon door een en ander veel invloed op zijne gehucht- en marktgenooten uitoefenen. Wanneer de man als voorzitter het woord voerde, scheen hij dit nimmer te kunnen doen, zonder lange inleiding en voorloopige opmerkingen. Zoo begon hij thans mede te deelen, dat het schoollokaal sedert den 10 Mei slechts éénen keer was ontsloten, en wel bij gelegenheid van de veiling van het algemeene gras. Velen knikten hier toestemmend; trouwens elk een was overtuigd, dat de man de waarheid sprak. Maar, dat deze inleiding dienen moest om een paar der aanwezige pachters, hunne geldelijke verplichting van een vorig jaar in herinnering te brengen, wisten slechts zij, die in deze zaak betrokken waren. Waarlijk! men dwaalt, zoo men meent, dat de Drentsche landman in sommige zaken van teederen aard, soms niet zeer kiesch kan zijn.

‘Wij bint hier‘ vervolgde de spreker ‘dan ekomen om ’n neije meister an te stellen. Deur de dood van Zwarte Klaos bint we daortoo geneudzaakt’. Hierop volgde weder eene uitweiding waardoor Jans te kennen gaf, dat hij gaarne gezien zou hebben, dat men bij ’t onderzoek naar de bekwaamheden der sollicitanten, de adsistentie van den hoofdonderwijzer te D. (redactie: Deever) had gevraagd. Hier schudden eenigen der aanwezenden het hoofd, waardoor ze te kennen wilden geven ‘wij bint hier baos en hebt mit de meister van D. (redactie: Deever) niks te maken.’

Eindelijk volgde de voorstelling der sollicitanten. No. 1 Jan Hindriks uut de Graafschop, oud 48 jaren. Bijna twintig achtereenvolgende jaren had hij des zomers de provincieën Holland en Friesland bezocht om er gras te maaien. Toen zijne kameraden den vorigen zomer huiswaarts waren gekeerd, was hij door ziekte verhinderd geworden, hen te vergezellen. In Friesland achtergebleven, had hij om de tijdens zijne ziekte gemaakte onkosten te bestrijden, na zijne herstelling aldaar en in Drenthe, werk gezocht en gevonden. Voor eenigen tijd gehoord hebbende, dat er te W. (redactie: Wapse) een onderwijzer noodig was, had hij niet geaarzeld, zich voor deze betrekking aan te bevelen.

Hij kon volgens zijn zeggen good mit de penne umgaon, en was ’n baos in ’t zingen. Hij had lange genog in Holland verkierd, om in goed Hollandsch te kunnen leeren. ’t Kwam hem hiel veurdieleg. Nao schoeltied kon hij klompen en manden maken”. En wanneer hij te W. (redactie: Wapse) aangesteld werd, was hij dicht bij Friesland, en kon dan, wanneer des voorjaars de bongel op de schoeldeure ehangen werd, nao Friesland gaan om daar turfveen te baggeren, en wanneer dien arbeid des zomers ten einde liep, gras te maaien. Nee ! ’t was hum miseraobel veurdieleg. Zoo behoefde hij dan niet langer jaarlijks van de Graofschop nao Holland en omgekeerd te reizen. Zeer verlangend naar de plek waar eens zijn wieg op stond, was Jan Hindriks niet. Hij was in den rechten zin des woords een wereldburger. Waar hij het meeste geld verdienen, en het goedkoopst aan den kost komen kon, zou hij het eerst en het langst zijne tenten opslaan. Voor de schoonheden der natuur, even als voor die der vrouwelijke sekse, was hij ongevoelig. Van zijn uiterlijk is niets bijzonders te zeggen. De roode kleur van zijn vleezig gelaat werd nog aanmerkelijk verhoogd door een rooden doek, dien hij stijf om den hals gebonden had. Zijne kolossale gestalte gaf groote lichaamskracht te kennen. De blauwe kiel, die onze sollicitant gewoon was te dragen, had dien avond plaats gemaakt voor een kort buisje, en de van zware spijkers voorziene schoenen, vervingen de gewone plaats der groote houtsblokken.

Van het uiterlijke en innerlijke van Jan Hindriks niets meer te zeggen hebbende, stellen wij voor No 2. Ouderdom 36 jaar. Naam: Rieks de Snieder, doch om zijne gebogene gestalte algemeen en beter als kroeme Rieks! bekend. Over zijn vaal gelaat, hingen zijne roode haren, sluik neer. Hij was uit de gemeente Z. afkomstig, waar zijne zaken in den laatsten tijd sterk achteruitgegaan waren, doordien onze held te sterken lust gevoelde, om op godsdienstig gebied als kampvechter, tegen den predikant en vele notabele ingezetenen dier gemeente, op te treden. Wijl hij daardoor niet zelden onrust verwekte, en ’s mans eerlijkheid bij velen niet boven alle bedenking verheven was, verloor hij te Z. eindelijk geheel en al de weinige achting, die hij er voorheen genoten had. Een en ander had ten gevolge, dat hij besloot, niet alleen de gemeente Z. voor goed te verlaten, maar tevens zijn handwerk, tegen een volgens zijne zienswijze, gemakkelijker ambt, te verwisselen. Doorkneed, als hij meende te zijn in de leer van den catechismus, dien hij even als de meeste psalmen letterlijk van buiten kende, dacht hij hierdoor, alsmede om zijne bijbelvastheid en welbespraaktheid, de meeste aanspraken op de vacante betrekking te kunnen doen gelden.

No 3. was iemand, wien het duidelijk was aan te zien, dat hij een zeer teringachtig gestel bezat, dat hem voor zwaren handenarbeid ongeschikt deed zijn. Ouderdom 22 jaar, bekwaamheden geene.

No 4. Een boerenzoon 20 jaar oud, ingezeten van het gehucht W. (redactie: Wapse) en aldaar algemeen onder den naam van Jan de Wiesneuze bekend. Tot in zijn negentiende jaar had hij des winters trouw de gehuchtsschool bezocht, en daar met den overleden onderwijzer Zwarte Klaos, het hoogste gezag gedeeld, echter niet altijd in vredelievenden geest. Tusschen de meister en wiesneuze was er gedurig oneenigheid over de uitoefening der tucht en de handhaving van het gezag ontstaan, die soms tot hevige tooneelen aanleiding gegeven had. Zulke wiesneuzen in de school te moeten dulden, was in voorgaande jaren, voor vele bijschoolhouders in Drenthe, een waar kruis. Alle tucht en orde, zooals ze meenden, ontwassen zijnde, verkeerden zij met den meister meestal op eenen te gemeenzamen voet, waarvan door hen niet zelden misbruik gemaakt werd. No 4. had hoegenaamd niets, dat hem aanbeval, als dat hij lange schoele elegen hadde en dat hij den meister in de handhaving der tucht tegenover jongere wiesneuzen, dikwerf geholpen had.

Eindelijk komt de beurt aan No. 5. Wij zien in hem een jongeling, die zich door zijn gunstig uiterlijk en door zijne bescheidenheid aanbeveelt. Wat hem inzonderheid bij de boeren te W. (redactie: Wapse) had moeten aanbevelen, was zijne acte als onderwijzer en de gunstige getuigschriften, die hij van den schoolopziener van zijn distrikt en van den man, bij wien hij zijne opleiding ontvangen had, overlegde. Hendrik Folmers, zoo heette onze sollicitant, was hoewel een Drenthenaar van geboorte, niet van Drenthsche afkomst. Zijn vader was landsambtenaar geweest te S. (redactie: Smilde). Hier werd zijn huwelijk met de geboorte van twee zonen en eene dochter gezegend. Vrede en liefde heerschten in het huisgezin. Doch donkere wolken pakten zich boven de hoofden van ’t gezin te samen. De beide echtelingen werden op het ziekbed geworpen, en toen de moeder uit den bewusteloozen toestand ontwaakte, waarin ze ten gevolge van hare ziekte langen tijd verkeerd had, was zij weduwe geworden. Wij verwijlen niet bij, hare smart. Van een zeer gering jaargeld moetende leven, waren hare zorgen vele. Doch dit was niet het eenige dat haar ter neder drukte. Zij dacht aan de toekomst van haar kroost. In haren oudsten zoon meende zij een goeden aanleg te ontdekken, en in deze meening werd zij versterkt door den onderwijzer, bij wien hij ter school ging. Na onderling beraad werd besloten, dat hij na zijn twaalfde jaar voorloopig nog te S. (redactie: Smilde) zou blijven schoolgaan. Dat de knaap de gunstige verwachting zijns Onderwijzers en die zijner moeder niet te leur stelde, blijkt daaruit, dat hij op zijn 16e jaar den vierden, en op zijn achttiende jaar den derden rang, als onderwijzer verkreeg. Nadat hij van zijn zestiende jaar af als ondermeester bij zijn gewezen onderwijzer was werkzaam geweest, had deze hem, na het verkrijgen van den derden rang, aangeraden van standplaats te verwisselen. Geen wonder dus, dat wij, onder de sollicitanten, die naar de betrekking van onderwijzer te W. (redactie: Wapse) stonden, Hendrik Folmers aantreffen, te minder daar de woonplaats zijner moeder slechts ruim drie uren gaans van daar verwijderd lag.

Wij hebben nu de sollicitanten voorgesteld en zullen thans iets mededeelen van het vergelijkend examen, dat door Jans, hierin bijgestaan door al de huisvaders van W. (redactie: Wapse), werd afgenomen. Koman volk !’ zoo ving hij aan, ‘wij zult deenen te begunnen.’ Hierop werd door den spreker voorgesteld, om met elkander te zingen Ps. 119, v. 3. ‘Deze baos daor’ , ging hij voort op Jan Hindriks wijzende ‘zal wel veurzingen willen.’ Hieraan werd door dezen gereedelijk voldaan. En al kon de stem des voorzangers niet op groote helderheid aanspraak maken, hij leverde toch het bewijs, dat hij een paar krachtige longen bezat, hetgeen te meer uitkwam, daar kroeme Rieks herhaaldelijk pogingen aanwendde, om hem te overschreeuwen. ‘Nou zullen we de meisters liet de president, na den geëindigden zang, zich hooren ‘mit de condities bekend maken.’ De goede man had dezen term dikwerf van den Notaris, bij publieke verkoopingen, gehoord. Uit de door hem medegedeelde voorwaarden bleek, dat de aan te stellen meister te W. (redactie: Wapse) zou genieten een jaarlijksch traktement van twaalf gulden, en van elk bij hem ter school gaand kind, een halven stuiver in de week. Verder zou hem ten gebruike worden afgestaan een akkertje op den hoek der esch gelegen, algemeen bekend onder den naam van ’t meisterlaand, en tevens het recht om eenige schapen in het heideveld van W. (redactie: Wapse) te weiden, onder de hoede van den scheper. De meister zou bovendien kost en inwoning genieten, onder dien verstande, dat hij bij iederen boer, die te W. (redactie: Wapse) woonde en schoolplichtige kinderen had, beurtelings eenige dagen in den kost zou gaan. Ter tegemoetkoming van hem, bij wien hij in de slaopsteê kwam, zou de meister gehouden zijn, des morgens bij het dorschen de behulpzame hand te bieden. Wanneer de meister wat redelek was, had hij veul aventuur om begunstigd te worden met de levering der schoolbehoeften. ‘Maor’, hier liet een der boeren zich hooren, ‘dan mussen ze neet doon as Zwarte Klaos edaone had. Hij wol de man niks te nao komen, maar bij tiên had hij veur ’n harst pampier twie centen, en veur twie pennen ’n halve stuver erekend. En dan wassen de pennen wat gou an ’t ende west.’  ”k Wil ’t leuven!’ viel Jan de Wiesneuze in ‘hij versneed mit ’t vermaken de pennen soms hielemaol. ’t Is mij niet klaor, of hij ’t pennenvermaken niet good kon, dan of hij er zooveule of sneê, om meer pennen te kunnen verkoopen.’ Wel wus hij, dat Zwarte Klaos in de leste tied, veul in de schoele had laoten schrieven, um daordeur ’t makkelek te hebben en veul pampier te kunnen verkoopen.‘Stilte volk !’ begon weer de president, ‘wat de pennen en ’t pampier betreft, dat komt later. Wij kunt die dingen mit de neije meister ’t beste overleggen. En wat meer is’, hier richtte hij zijn oog op Jan de Wiesneuze, ‘Zwarte Klaos is dood en kan zuk neet verantwoorden.’ Uit de verder door hem medegedeelde voorwaarden bleek, dat aan den onderwijzer de verplichting werd opgelegd, des voormiddags van tien tot twaalf, en des namiddags van half twee tot vier uur, school te houden. Hoe de onderwijzer zich in de school had te gedragen, zou hem door eene verordening, door het plaatselijk bestuur ontworpen en door den schoolopziener goedgekeurd, worden medegedeeld. ‘Wij kunt’, besloot de spreker, ‘als elk en iene mit de condities tevreën is, tot ’t vergeliekend exaomen overgaon.’

Wij zullen niet trachten de koddige tooneelen, die er voor en bij ’t examen plaats grepen, breedvoerig mede te deelen. Jan Hindriks verklaarde, dat hij wat het traktement betrof ’t wel ’n tikkeltien minder zou willen doen, en dat hij ’s avonds na volbrachten arbeid in de school, voor de lieden bij wie hij in den kost was, zoo ze hem goed behandelden, klompen zou willen maken, en manden vlechten, mits men hem hout en teenen verschafte, en terstond tot zijne benoeming overging.
Kroeme Rieks nam met de gestelde voorwaarden genoegen, en wilde zich gaarne aan een examen onderwerpen, opdat daardoor zijne bijbelkennis en vastheid in de leer zouden kunnen blijken. Echter deed hij de vraag, indien de keus op hem mocht vallen, of het hem niet vergund zoude zijn, om ’s morgens in plaats van te helpen dorschen veur de luu te meugen sniederen’.
No. 3 bleef bescheidenlijk zwijgen.
De vader van No. 4 bracht in het midden, dat as men zien zeune Jan benuumde, ’t akkertien op de nes, tot zoo lange zien zeune trouwde, verhuurd kon worden, en dat hij zien zeune zölfs in de kost bleef holden. ‘As men’, besloot hij ”n ingezeten, dee ’t waark hier in de schoele en de kiender kent, anstelt, wint de boerschop de kost uut, en komt de huure van ’t akkertien, ten bate van ons allemaol.’
No. 5 nam met de gestelde voorwaarden genoegen.
Eindelijk stelde nog de scheper, die na haastig zijn middagmaal te hebben gebruikt, ook in de vergadering verschenen was, bij wijze van amendement voor, dat de schapen, die de nieuw te benoemen onderwijzer in het gehucht zou willen invoeren, eerst door hem zouden moeten onderzocht worden, opdat er geene schurftige onder de kudde kwamen. ‘Mos ’n olderling’, hier vestigde de man zijn oog op Jans, ‘waken, dat er gien wolven in de giestelieke kudde kwamen; hij mos zörgen, dat er niks verkierds in de kudde kwam, dee hum toovertrouwd was.’

Bij het nu volgende examen gaf Jan Hindriks zoo vele bewijzen van onbekwaamheid, dat er van zijne benoeming geen sprake kon zijn. De man kende ter nauwernood de tafel van vermenigvuldiging. En toen hem in zeker oud schoolboek, dat toen nog hier en daar in zwang was, de namen Qaudragesima, Quintilianus en meerdere anussen en gesima’s ter lezing werden opgegeven, zei de man, dat dit heksentaal was.
Rieks verschafte den president veel moeite en gaf zelfs aanleiding tot oneenigheden onder de boeren. Hem werd opgegeven om zeker Evangelisch gezang te zingen, waarop hij antwoordde, dat de Heere hem bewaren zol, om zukke Baoälsleeder te zingen. Hierop bracht hij in het midden, dat men bij het woord Gods niets toe mocht doen, en dat de gezangen er aan toegevoegd waren geworden, door den wil eens menschen, waarop de president na eenige opmerkingen besloot met te zeggen, dat men de belijdenis des geloofs, den catechismus enz. volgens de redenering van Rieks, dan evenmin gebruiken mocht, dewijl zij ook tot het woord Gods waren toegevoegd geworden. Verder moest de sollicitant niet vergeten, dat hier geene godsdienstoefening, maar een examen gehouden werd, en dat zij, die daaraan wenschten deel te nemen, geene wetten hadden voor te schrijven, maar aan de bepaalde verordeningen zich hadden te onderwerpen. Hierop volgde weer eene levendige discussie, naar aanleiding van Rieks opvatting, van het ‘men moet Gode meer gehoorzamen dan de menschen’, waarbij volgens de meening van vele der aanwezigen, de kleermaker het recht aan zijne zijde had. Elk een wonderd over de smeuje bek van Rieks. Doch toen hem werd opgedragen, eenige Nederl. (redactie Nederlandse) Ellen en Palmen in oude maat, en oude Ellen en Duimen in Nederl. (redactie: Nederlandse) te herleiden, ging dit zijne bevatting te boven. ”n Tummerman’, zoo drukte hij zich uit, ‘had wel doemen en misschien ook wel strepen op de doemstok staon, maor op ’n gewone elle, stunden niks anders as vörrels en halfvörrels. Hij had lange nog mit de elle ummegaone, um dit good te wieten. Maar misschien was dit wel nije leere. ’t Olde geloove deugde volgens sommegen ook neet meer, zoo zol ’t ook wel mit de elle waezen. Hij had mit die neijegheden niks op, en höld zuk an ’t olde.’ Niettegenstaande zijne ombeschaamdheid, was de publieke opinie over het algemeen gunstig voor hem, doch toen ’s mans schrift te voorschijn kwam en ter sprake werd gebracht, werd er algemeen geoordeeld, ‘dat ’n kleine schoeljonge beter mos kunnen schrieven.’
Aan No. 3 werd opgedragen een bekend psalmvers te zingen; doch toen hij reeds bij den tweeden regel, deerlijk van de wijs raakte, werd niet alleen hierover, maar ook over zijn geheelen persoon, een afkeurend oordeel uitgesproken.
Wat Jan de Wiesneuze betreft, het bleek, dat hij, naar ’t zeggen der boeren ‘neet veur nimmedal zo lange schoele had elaegen.’ Indien er geen No. 5 was geweest, men zou hem zekerlijk tot meister benuumd hebben.
‘Nou is hier nog Folmers’, begon de president, ‘dee ons ’n acte hef mitebracht, waaruut bliekt, dat hij al twie examens hef ofelegd. Ik leuve, dat het dwaos van ons zal wezen, om hum in alles to examenieren. Dee hum de acte egeven hebt, bint ander kerels as wij. ’n Bewies van bekwaomheid tot schoelholden en ’n getuugschrift van good gedrag, hef hij ons ook laoten zeen.’ ‘O’, merkte hierop een der boeren aan, ‘as ie hum hier hebben wilt, dan hadden wij ’t hiele examen wel achterwege kunnen laoten.’ Het recht, dat zij bezaten om te examineeren, lieten zij zich door geene heeren uit Assen uit de handen nemen. En ’n geëxamenierde meister verdiende volgens zijne meening in het geheel geen vertrouwen. Zoo had men onder anderen, te S. (redactie: Smilde) ook ’n geexamenierde veearts, maar die niet de minste kennis bezat. ‘Hooge rekeningen schrieven, dat kon hij’. Bij ’t kalven der koeijen, had deze en gene boer getoond, veel beter hulp te kunnen verleenen, dan de veearts. Zoo was ’t ook met geëxamenierde dokters. De mulder te N. en de duvelbanner te Steenwiek, wisten beter en goedkooper raad te verschaffen, dan alle geneesheeren in Drenthe. ‘En komt maor ies’, zoo besloot de spreker zijne rede, ‘as er wat van oe esteulen is bij de scholte of bij ’n advekaot. Ze wieten gewoonlek nargens van, maor kom ook iets bij de duvelbanner ?’ Nee, ’t kon en zol unit ’n geëxamenierde schoelmeister wel krek zoo wezen, as mit alle geëxamenierde luu.’ ‘Men mos’, zooals hij zich uitdrukte, ‘gien katte in de zak koopen, en zuk niks deur de Asser heeren in de handen laoten stoppen.’ Daar zijne woorden in de vergadering weerklank vonden, werd er besloten, dat Hendrik Folmers en Jan de Wiesneuze, na eenige regels geschreven en eenige rekenkundige voorstellen opgelost te hebben, een mondeling examen zouden ondergaan, loopende over geschiedenis en aardrijkskunde. Door middel, van voor dien tijd goede handboeken, gelukte het den president en eenige boeren, sommige vragen te doen, die beantwoord konden worden. Wij weten echter niet wat komischer was, de wijze waarop de vragen soms ingekleed en voorgesteld werden, of de manier waarop Jan de Wiesneuze meende, ze te moeten beantwoorden. ’t Gevolg van een en ander was, dat menigeen, die misschien met recht van meening was, dat elk geëxamineerde geen heksenmeester was, tot de overtuiging geraakte, dat Hendrik Folmers een geleerde bol was. Wel was er, volgens de zienswijze van sommigen, iets op zijn zingen aan te merken, daar hij de gewone loopjes en de sierlijke, draaingen bij ’t zingen van psalmen niet scheen machtig te zijn. Maar anders had hij eteund wied genog de baos te wezen.

Nadat het onderzoek naar de bekwaamheden der sollicitanten was afgeloopen, stelde Jans voor, dat deze, omdat ze zoo deksels mit de kop ewaarkt hadden, zich zouden verwijderen. Zij zouden zich nao Roege Garriet begeven, waor de olde meister altied in de slaopstee ewest hadde. Daor zouden ze op koffie en stoetebruggen onthaald worden. De uitslag der beraadslaging over de benoeming, zou hun misschien nog denzelfden avond, bekend worden gemaakt. De sollicitanten verwijderen zich; en in het schoollokaal te W. (redactie Wapse) werd, na eenige discussie, door de boerenvergadering bij meerderheid van stemmen benoemd tot onderwijzer der jeugd aldaar, Hendrik Folmers. Toch had het Jans eenige moeite gekost om deze benoeming door te drijven. De vader van Jan de Wiesneuze had zich reeds lang voor het examen van een aantal stemmen voor zijnen zoon meester gemaakt. Deze brachten bij de beraadslaging over de benoeming in het midden, dat Folmers wel eenige vragen had beantwoord, die Jan had laoten zitten, maor wat betiekende dat? As Jan neet wis, waor Chinaò of Jepan of meer van die vrömde laanden laggen, wat zol dat? Allemaol ballast! De kiender hoofden neet nao dee vrömde laanden too te gaon, en hadden er niks mit te maken. ’t Was beter, dat ze de weg good deur Drenthe leerden. En wat hadden ze te maken mit dee olde kerels, die al lange dood wassen, zooals Olde Sander de groote, mit zien oorlogen! Mit Greeken en Parzen en al dat olde volk? Stund je niks van in de biebel ? ’t Was beter, dat ze wisten van Groote Willem, hoeveul schaopen dat dee bij de koppel mog doen enz. Jan was mans genog om dit de kiender te leeren. Men wus wee Jan was. ’t Was ’n jendarege jongen. Maor de Smildegers ? ’t Was al gelieke ligt volk. Enkele boeren zeiden, voor Rieks te zullen stemmen. ’t Was wel waor, hij schreef neet mooi, maar ’t kereltien was biebelvast. Wat hölp al dat mooije geschrief? Wat dat veule rekenen ? As men maor good antiekenen en berekenen kon wanneer de koên mossen kalven, en de motte biggen mos kriegen en de meere ’t vul. Wat hölp al dee geleerdheid en al dee wiesneuzerij”. Gelukkig dat Jans door het verlichtste deel van W’s (redactie Wapse’s) ingezetenen bijgestaan, deze en gene redenen wist te ontzenuwen. Sterk deed hij uitkomen, dat men thans, volgens de wet, verplicht was een geëxamineerd onderwijzer te benoemen. ‘Men mos ook neet denken’, vervolgde hij, ‘dat men juust hier de wiesheid in pacht had. Dee in de regiering zatten wassen ook gien kwaojongens, al luup er ook ’n enkelde onder, dee soms kwaojongersstreken dee. Geleuf ook maor’, ging hij voort, ‘dat de scholte en doomeneer wanneer we de bekwaomste neet neemt, biester kwaod zullen wezen. Misschien hebben we dan umtied te wachten, dat de pestoor er ’s Zundags in zien preke, er nou en dan op smeelt.” Na deze en dergelijke redenen besloot men tot de stemming over te gaan, waarbij bleek, dat het gezond verstand van velen had gezegevierd. Hierop werd besloten, dat Jans aan Folmers van zijne benoeming zou kennis geven, en dat hij den nieuwen onderwijzer, daags nao Elf Duzend aan de kinderen zou voorstellen. Toen daarop de voorzitter nog de opmerking maakte, dat wegens het vergevorderde uur de sollicitanten niet wel de terugreis konden aanvaarden, namen terstond eenige der meest gegoede ingezetenen op zich, om hun nachtverblijf aan te bieden. Hierop scheidden de vergaderden.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De redactie heeft in het verhaal de woorden, die niet in het Nederlands, maar in dialect zijn geschreven, cursief en in vette letters weergegeven. Het mag duidelijk zijn dat de uit De Wijk afkomstige auteur niet schreef in het dialect dat in de gemiente Deever werd gesproken en ook is te merken dat de auteur al langere tijd in het Westen verbleef. De redactie heeft de cursief en in vette letters overgezet naar ut Deevers en waar nodig overgezet in het Nederlands.
’n akkertien
= un akkertie
as ’t weer umslat = as ut wièr umslat = als het weer omslaat
’t veur vaste op ezet moên worden = ’t veur vaaste op eset möt’n wöd’n = vast op stal gezet moet worden.
Allerhilligen = Allerhilligen = Allerheiligen (1 november).
St. Jaopek = Sunt Joapik = Sint Jacobus.
’t Schöt dan nou, al ’n mooi stukkien, nao Allerhilligen too. = ’t Schöt al un mooi stukkie hen Allerhilligen = Het schiet al mooi op naar Allerheiligen.
Zoo Haarm bin ie daor al ! = Zoo Haarm, bin ie ur a = Zo Harm, je bent er al.
As ie wat eer ekomen had, haije good gelieke mit oeze volk kunnen eten. = Ai’j wat èerder ekoo’m waar’n, hai’j glieke mit oense volk könn’n eet’n. = Als je wat vroeger was gekomen, dan had je gelijk met ons volk kunnen eten.
Jans is nao de schoele toe, want de boer is daor te hoope.
= Jans is hen de skoele, want de boer is doar te hoope. = Jans is naar de school, want de boeren komen daar samen.
Bongel = Bongel = Stok.
Wij bint hierdan ekomen om ’n neije meister an te stellen. = Wee bint hier ekoo’m um de neeje meister an te stell’n = Wij zijn hier gekomen voor het aanstellen van de nieuwe onderwijzer.
Deur de dood van Zwarte Klaos bint we daortoo geneudzaakt
= Dit is te veel vernederlandst dialect.
’n onverstaandeg zwaor vaarken = un onvurstaandug zwaor vaark’n = een onverstandig zwaar varken (een te vet gemest varken).
Wij bint hier baos en hebt mit de meister van Deever niks te maken. = Wee bint hier boas en hept mit de meister van Deever niks van doon. = Wij zijn hier de baas en hebben niets te maken met de schoolmeester van Deever.
uut de Graafschop = uut de Graafschop = uit de Graafschap.
Hij kon good mit de penne umgaon, en was ’n baos in ’t zingen. = Hee kön good mit de penne ummegoan en was un boas in ut sing’n = Hij kon goed omgaan met de pen en was een baas in het zingen.

De redactie zal bij beschikbare tijd en zeker niet met geschwinde spoed en in gestrekte draf beetje bij beetje de rest van de in dialect geschreven zinnen in ut Deevers vertalen.
Dit geeft
personen die ut Deevers echt willen gaan beheersen, zoals kiender van Deeversen die ut Deevers neet meer van heur Deevers proat’nde vae en mow hept elièed, of Drentenierders (import) die druk en ernstig bezig zijn met een indeeveringscursus Deevers op Drift, de hiervoor weergegeven leerstof tot zich te nemen,

 

 

Posted in Deevers | Leave a comment

In ut Deevers Archief is ut gewoon Dwingel

In de Olde Möppeler (Meppeler Courant) van 19 mei 2006 verscheen in de rubriek ‘Eertieds in dizze streek’ van Lammert Huizing (inmiddels overleden) het artikel ‘Dwingel(oo), ien o te veul’.
De redactie van ut
 Deevers Archief is het roerend eens met wijlen Reinder Smit dat Dwingelo met één o behoort te worden geschreven. Vandaar dat in berichten in ut Deevers Archief waar nodig het dorp Dwingelo consequent met één o wordt geschreven, maar bij voorkeur gewoon als Dwingel wordt geschreven.
De redactie heeft het artikel van Lammert Huizing hierna overgezet in de Deeverse streektoal. De redactie ontvangt graag reacties op de tekst in het Deevers.

Het is nog altied een roadsel hoe as Dwingel an die tweide o in sien naeme ekoo’m is. Dik veur honderd joar wödde de naeme van de vroggere gemiente mit die tweide o opeknapt.
Veur 1898 wödde de naeme al seins de Middelieuwen eskree’m mit iene o. De spelling van de naeme is ok nooit chapiter van conversoazie ewest,
In 1898 was Frank Ernst Boudewijn van den Biesheuvel Schiffer börgemeister van Dwingel. Hee stön hier tot 1924. Sien amswoning stön an de Deeverbrogge. Net as bee sien veurgangers was dat de vroggere bajes mit cipierswoning ebouwd in 1852, Sien vae liefhebberde in woap’mkunde en die tiekende een woap’m veur de gemiente van sien zeune. De börgemeister stuurde dit woap’m veur goodviend’n hen de menister van justisie. In de breef an de menister vreug hee ‘te willen bevorderen’ dat de naeme van de gemiente in ’t raandschrift as Dwingeloo espelt wödt.
De börgemeister vurwees doarveur noar een besluut van de gemienteroad.
Het oardige is dat er in de notul’n van de road en ok in de vurslaeg’n van B en W niks is te viend’n van een besluut um van iene over te stapp’m noar de dubbele klinker. Ok is er gien enkel spoor van ienig historisch underzuuk noar de olde skriefwiezen van de naeme Dwingel.
De Dwingeler geschiedskriever Reinder Smit miende dat ’t toemoalige gemientebestuur amit de skriefwieze mit twee o’s deftiger vönd. Meer eernsachtig. Ok zul het könn’n dat see ansluting woll’n bee aandere plekk’n op loo in Drenthe, die sowat allemoale uutloopt op een dubbele oo. Het kön zöls weed’n dat Van den Biesheuvel Schiffer hielemoale eigenbannig ehaandeld hef.
Noa dat besluut begun de ellende over de juuste spelling van Dwingel. Van officiële en ok van niet-officiële kaante is algedurig evroagd um kloarheid in de kwestie van de extra o.
In 1950 kreeg börgemeister Wilhelm Arent Stork een breef van de P.T.T. Möt Dwingel now mit iene of mit twei o’s eskree’m wödd’n ? vreug’n see. De P.T.T. wol zökke neeje stempeltoestell’n veur ’t stempel’n van poststukk’n. Stork skreef weerumme dat de naeme mit twee o’s officieel was. Hee vurwees doarbee noar ’t vrömde roadsbesluut van 1898.
Dwingel(oo) buut’n de gemientegreins’n wöd overigens altied mit iene o eskree’m, so as de Dwingeloweg en de Dwingeloskoele in Winschoten en de Dwingelostroate in Den Haag.
Hoe dèènkt de Dwingelers sölf over de skriefwieze van de naeme van heur dörp ? See bint ewend an die o te veule en ’t heuft neet veraanderd te wödd’n, ‘umdat ’t altied so ewest hef”.
Dat de naeme sowat düzend joar lange eskree’m is mit iene o, speult gien enkele rolle.

Abracadabra-466

Posted in Aarfgood, Deevers | Leave a comment

Ut woor’nbook Dreinse streektoal’n stiet op ut internet

Eén van de onderwerpen die aandacht krijgen in ut Deevers Archief is het grootste immateriële erfgoed van de gemeente Deever, te weten de Deeverse streektaal. De redactie van ut Deevers Archief wil en zal waar mogelijk aandacht besteden aan de Deeverse streektaal en zo nu dan berichten in het Deevers publiceren.
Heel veel van de Deeverse streektaal is te vinden in het ‘Woordenboek van de Drentsche Dialecten’ van dr. Geert Hendrik Kocks.
In de Olde Möppeler (Meppeler Courant) van 29 mei 2009 verscheen het navolgende bijzonder belangrijke bericht over het beschikbaar komen van de digitale versie van het onvoltooide ‘Woordenboek van de Drentsche dialecten’.

Drentsche dialecten op internet
Assen. Het ‘Woordenboek van de Drentsche dialecten’ komt woensdag beschikbaar op internet. Dat gebeurt tijdens een feestelijke bijeenkomst in het provinciehuis in Assen. De nieuwbakken commissaris van de koningin in Drenthe, Jacques Tichelaar, verricht de starthandeling.
Het ‘Woordenboek van de Drentsche dialecten’, het levenswerk van dr. Geert Kocks, was tot dusver alleen beschikbaar in de papieren versie. Kocks begon in 1969 al aan het woordenboek. In september van hetzelfde jaar begon Kocks met het opzetten van woordenboekgroepen in Sleen, waarna in 1973 uitbreiding naar heel Drenthe volgde. Uiteindelijk zouden 620 vrijwilligers afkomstig uit 88 plaatsen in Drenthe meewerken aan de totstandkoming van het woordenboek.
Een paar maanden voor zijn overlijden in 2003, gaf Kocks Siemon Reker en Jan Germs de ‘opdracht’ te blijven werken aan elektronische ontsluiting van het woordenboek.
Het ‘Woordenboek van de Drentsche dialecten’ is vanaf woensdag op drie manieren op internet te vinden: via de webstee van het Huus van de Toal, de webstee van de Rijksuniversiteit Groningen en via www.drentswoordenboek.nl.

Suggesties
De digitale versie van het ‘Woordenboek van de Drentsche dialecten’ biedt ongekende zoekmogelijkheden. Niet alleen Drentsche woorden zijn te vinden, maar men kan ook uitgebreid zoeken van het Nederlands naar het Drentsch, alle voorbeeldzinnen met een bepaald woord zijn in een fractie van een seconde te voorschijn te toveren en fout ingetikte woorden worden van suggesties voorzien om toch achter de juiste betekenis te kunnen komen. Ook kan men zoeken op delen van woorden, bijvoorbeeld op eindletters, waardoor het gebruikt kan worden als rijmwoordenboek.
De internetversie van het ‘Woordenboek van de Drentsche dialecten’ is gemaakt door vijf studenten van de afdeling alfainformatica van de Rijksuniversiteit Groningen. Zij voerden de digitalisering als stageopdracht uit.
Het ‘Woordenboek van de Drentsche dialectenkan door de digitalisering eenvoudig up-to-date gehouden en uitgebreid worden.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Aan het in 1996 op papier uitgegeven ‘Woordenboek van de Drentsche dialecten’ hebben ook twee woordenboekgroepen uit de gemeente Deever meegewerkt.
De woordenboekgroep uit Deever bestond uit: Albertus Andreae, Lutina Andreae-Talen, Roelof Fransen, Fam. J. Hessels, J, Moes Hzn, en Hendrik Mulder Jzn.
De woordenboekgroep uit Wapse bestond uit: A. Barelds, A. Bennen, Roelof Remmelt Booy, Klaas Hessels, T. Santing-Veenhuis, H. Timmerman-Haveman, G. Veenhuis-Klaassen en K. Warnders.
Wie kan de redactie informeren over de ontbrekende voornamen ?
Merkwaardigerwijs was in Wittelte en in de streek Zorgvlied, Wateren en Oude Willem geen woordenboekgroep actief, toch wordt ook daar de streektaal gesproken. Voorwaar een grote tekortkoming in het onderzoek naar de Drentsche dialecten, in het bijzonder het onderzoek naar de dialecten van Zuid-West Drenthe.

Even in de webstee van het Huus van de Toal een test doen met het niet meer gebruikte en wellicht al vergeten Deeverse woord ophemmeln. Het woord ophemmeln komt inderdaad in het woordenboek voor. Bij dit woord is echter geen Deeverse voorbeeldzin vermeld. Zie de tweede afbeelding. Dan maar even de in die afbeelding weergegeven negen zinnen vertalen in het Deevers:
Wee’j zult de boel ies good ophemmeln.
De kaemer is nog neet opehemmeld.
Ie möt dat ee’m mooi ophemmeln.

Wee’j möt de törf ophemmeln.
De hof möt opehemmeld wödd’n,
De tuun mö’j in het veurjoar weer ophemmeln.
Now wi’k mee’j eerst wat ophemmeln.

De gröppe ophemmeln.
Ik moe de biest nog ophemmeln veur de keuring.

Suggestie
De tijd is al lang geleden aangebroken in elk van de dorpen en gehuchten van de gemeente Diever weer een woordenboekgroep aan het werk te zetten. Een mooie taak voor Deeverse dorpskrachten die zich betrokken voelen bij het behoud van de streektaal.

Abracadabra-459Abracadabra-460

 

Posted in Aarfgood, Deever, Deevers, Dorpskracht, Wapse | Leave a comment

Geert Dekker, Aèbel Wiekstroa en Hillegie Dekker

Arend Mulder schreef  op bladzijde 92 van zijn boekje ‘De historie en pre-historie van Diever in woord en beeld’ (uitgegeven in januari 1975) het volgende over ‘De woning van Geert Dekker’.

Onbegrijpelijk, dat geen enkele daartoe bevoegde instantie heeft belet, dat dit knusse boederijtje na overlijden van de eigenaar en bewoner Geert Dekker, met de grond gelijk is gemaakt. Nam het niet ook en klein een aparte plaats in, betreffende zijn bewoners als folkloristen van Diever ?
Alleen al door het feit dat het steeds bewoond is geweest door twee opeenvolgende oude dorpsfiguren, te weten Abel Wijkstra (in de volksmond Aebel Allen of ‘de Smorre’ genoemd). en z’n oomzegger Geert Dekker, zonder welke figuren Diever bijna niet denkbaar was, is dit haast niet te geloven. Samen met Hillegien (zuster van Geert) die immer wat ziekelijk was en niet veel verder dan in en om huis kwam, woonde het drietal daar eenvoudig en tevreden.
Geert Dekker had verschillende bijbaantjes. Hij was namelijk 40 jaar lang klokkeluider, koster en orgelpomper der Nederlands Hervormde Kerk. Bij deze feestelijke herdenking werd hij koninklijk onderscheiden. Landlopers, zwervers en dergelijke lieden warden door hem onderdak verschaft in een hok onder de toren en van eten en drinken bediend, in opdracht van de burgemeester.
Vanaf de oprichting van de lijkwagenvereniging in 1912 tot 1938, dus 26 jaar lang, reed hij de lijkwagen. Zelf reed hij naar Assen en Groningen om de overledenen van het betreffende ziekenhuis te halen. Op deze reizen, in alle weer en wind gemaakt, vergezelde hem dikwijls zijn oom Abel (zelf al ruim 80 jaar). Toen deze in 1930 op 93-jarige leeftijd in Diever overleed en enkele jaren later ook zijn zuster Hillegien, bleef Geert alleen achter.
Veel ook zag men hem werken in de tuintjes van diverse burgers en niet minder in zijn eigen tuin ‘op ’t Bultien’.
Hij bezat als koster de sleutel der kerk en heeft menig toerist, zowel voor als na de restauratie der kerk, het gebouw laten zien. Elke zondagmorgen luidde hij om 9 uur de klok en bij de aanvang van de dienst. Nooit verzuimde hij een dienst, wat wel een bewijs was van zijn sterk gestel. Maar de sterkste boom moet eens vallen. Zo ook Geert Dekker. Op 6 maart 1953 overleed hij  naar een kortstondig ziekbed in een verpleegtehuis te Oosterwolde op de leeftijd van 87 jaar.
Hij schonk bij testament zijn huisje en grond aan de afdeling van het Groene Kruis en de Kerkvoogdij der Nederlands Hervormde Gemeente te Diever. Deze verkochten het aan een aannemer uit Beilen, die jammer genoeg vergunning kreeg om het slopen. ……. Geert Dekker …….. Tallozen heeft hij uitgeluid, Weinigen hebben hem uitgeleid.

Lammert Huizing schreef In de Meppeler Courant van 14 november 2011 in zijn wekelijkse artikelenreeks ‘Eertieds in dizze streek’ een artikel met de titel ‘Deever, niet denkbaor zunder Geert Dekker. Het is geschreven in een soort van net niet echt Hoogeveens dialect. Dit artikel is ook te vinden in de webstee van de heemkundige vereniging van Diever. Dit artikel is een bewerking van het hiervoor weergegeven artikel van Arend Mulder.

Oldere inwoners van Diever hebt nog weet van twei dorpsfiguren, zunder wie Diever niet denkbaor was. Dat waren Aobel Wiekstra, die Aebel Allen (zien va was Alle Wiekstrao) weur enuumd of ‘de smorre’ en zien oomzegger Geert Dekker. Zij woonden in een boerderijgien op ’t Bultien. Het is al meer as veertig jaor eleden dat Geert Dekker in een verpleeghuus in Oosterwolde uut de tied kwaamp.
Aobel Wiekstra mit zien onofscheidelijke pette, ‘knooide’ wat in de grond in de hof rond zien huus. De beide kerels weuren verzorgd deur Hillechien, een zuster van Geert. Hillechien was niet stark, vake ziek en kwaamp niet veule wieder as in en rond heur huus.
Geert was klokkenluder, koster en orgelpomper in de staotige Pancratiuskarke op de Brink. Doe hij dit veertig jaor edaone had, kreeg hij een keuninklieke medallie.
Een hok under de toren was het underdak veur laandlopers, zwarvers, dronken volk en kleine krimmenelen. As ’t er iene op esleuten was veur ien of meer nachten, dan mus Geert in opdracht van de borgemeister de arrestant in ’t hokke veurzien van eten en drinken.
Geert was ok de man van de liekwagen. Doe in 1912 de liekwagenverieneging weur op ericht, weur hij mitiene an esteld as vaste voorman. Daorveur weur een boerenwagen gebruukt, waorop de kiste weur eplaotst op een legge uutgedorst roggenstro. Aoverledenen haalde Geert niet allennig uut het starfhuus in dorp en naoste umgeving, maor ok uut Assen en Grunning, as daor iene uut het darp was aoverleden. Dizze reizen, vake dagreizen, weuren bij tienden emaakt in weer en wiend.
Oom Abel, die de 80 al passeerd was, gunk vake mit hum mit. Oom Aobel aoverleed in 1930, 93 jaor old. E paar jaor later kwaamp ok Hillechien uut de tied en bleef Geert allent achter.
Tot 1938 bleef hij de voorman op de liekwagen, wat hij doe 26 jaor lang edaon had. Tot wied in de viefteger jaoren had hij as koster de sleutel van de Hervormde karke. Zowel veur as nao de resteraosie hef hij honderden toeristen rond eleid in de olde karke, die ok wel de kattedraal van Drenthe enuumd wordt. Elke zundagmorgen um negen ure en an het begun van de dienst bengelde hij de klokke. Het is bekend dat hij nooit een dienst verzuumd hef, wat een bewies is veur zien starke gestel.
Nao een kort ziekbedde aoverleed Geert Dekker in 1963 op 87-jaorige leeftied.’Tallozen hef hij uut elod – weinigen hebt hun uut eleid’, schreef in 1975 de plaatselijke kroniekschriever Aorend Mulder.
Het boerderijgie mit grond was deur Geert Dekker bij testament vermaakt an de ofdieling van het Grune Kruus en an de karkvoogdij van de hervormde gemiente. Zij verkochten het huussie an een annemer uut Beilen, die vergunning kreeg um het te slopen. Een ofbraok die achterof deur hiel wat meinsen weur betreurd.

De redactie van ut Deevers Archief heeft de tekst van het artikel van Lammert Huizing voor de echte liefhebbers van het Deevers vertaald in het Deevers.

Oldere inwoners van Deever hept nog weet van twei dörpsfiguur’n, sunder wie Deever neet denkboar was. Dat waar’n Aèbel Wiekstroa, die Aèbel Allen (sien vä was Alle Wiekstroa) of de Smorre wödde enuumd, en sien oomzegger Geert Dekker.
See woon’n in un boerdereegie op ut Bultie. Ut is al mièr as vièrtug joar elee’n dat Geert Dekker in un vurpleeghuus in Oosterwolde uut de tied kwaamp. Aebel Wiekstroa mit zien onofscheidelijke pette, ‘knooide’ wat in de grond in de hof rond zien huus. De beide keerels wödd’n vuzorgd deur Hillegie, un zuster van Geert. Hillegie was neet staark, vaèke seek en kwaamp neet veule wieder as in en rond heur huus.
Geert was klokkelüder, koster en orgelpomper in de stoatige Pancratiuskaarke an de brink. Doe hee dit vièrtig jaor edoane haar, kreeg hee een keuninklukke medallie.
Un hok under de toor’n was ut underdak veur laandlopers, zwaarvers, dronk’n volk en kleine krimmeneel’n. As ur iene op esleut’n was veur iene of meer naacht’n, dan mus Geert in opdracht van de börgemeister de arrestant in ut hokke veurseen van eet’n en drink’n.
Geert was ok de man van de liekwaèg’n. Doe in 1912 de liekwaègenvurening wödde op ericht, wödde hee mitien an esteld as vaaste veurman. Daarveur wödde ’n boer’nwaeg’n ebruukt, woarop de kiste wödde eset op een legge uutedöste roggestro. Overlee’n haèlde Geert neet allennig uut ut staarfhuus in ut dörp en noaste umgeving, mor ok uut Assen en Grönning, as doar iene uut ut dörp was overlee’n. Disse reizen, vaèke dagreiz’n, wödd’n bee tied’n emaek in weer en wiend.
Ome Aèbel, die de 80 al pesseerd was, gunk vaèke mit hum mit. Ome Aèbel overleed in 1930, 93 joar old. Een paèr joar laèter kwaamp ok Hillechien uut de tied en bleef Geert allennig aachter.
Tot 1938 bleef hee de veurman op de liekwaeg’n, wat hee doe 26 joar laank edoane haar. Tot wied in de viefteger joar’n haar hee as koster de sleutel van de hervormde kaarke. Sowel veur as noa de resteroasie hef hee honderd’n toerist’n rond eleid in de olde kaarke, die ok wel de kattedraal van Drente enuumd wöd. Elke sundagmörn um neeg’n ure en an ut begun van de dienst bengelde hee de klokke. Ut  is bekend dat hee nooit un dienst versuumd hef, wat een bewies is veur sien staarke gestel.
Noa een köt seekbedde overleed Geert Dekker in 1963 op 87-joarige leeftied. ‘Tallozen hef hee uut elut – weinigen hept hum uut eleid’, schreef in 1975 de plaeselukke kroniekschriever Aorend Mulder.
Ut boerdereegie mit grond was deur Geert Dekker bee testement vermaèkt an de ofdieling van ut Gruune Kruus en an de kaarkvoogdij van de hervormde gemiente. See veukocht’n ut hüsie an un annemer uut Beilen, die vurgunning kreeg um ut te sloop’m. Un ofbroak die aachterof deur hiel wat meins’n wödde betreurd.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Het mag ook voor de minder oplettende bezoeker van ut Deevers Archief duidelijk zijn dat de genoemde Lammert Huizing zich in zijn artikel in de Meppeler Courant (wekelijkse artikelenreeks Eertieds in dizze streek) volledig heeft bediend van de tekst van Arend Mulder en het hier en daar wat heeft aangedikt en omgevormd en opgeleukt.
Voor meer gegevens over de journalist Lammert Huizing wordt verwezen naar de webstee van Wikipedia.
Abel Wijkstra werd geboren op 26 maart 1837 in Deever. Hij was een zoon van Alles Abels Wijkstra, landbouwer en Jacobje Jans Kremer. Abel Wijkstra werd ook wel Olde Abel, Abel Allen, Allen Abel, de Smorre of Abeltje Smok genoemnd. Abel Wijkstra overleed op 18 september 1930 op 93-jarige leeftijd in Diever.
Geert Dekker werd geboren op 26 februari 1876 in Dwingel. Hij was een zoon van Jan Dekker, arbeider en Marchje Wijkstra. Marchje Wijkstra was een zuster van Abel Wijkstra. Geert Dekker overleed op 6 maart 1963 in het Diaconessenhuis in Möppel. Zie het bijgevoegde overlijdensbericht.
Hilligje Dekker werd geboren in Dwingel op 7 april 1869, Zij was een dochter van Jan Dekker, arbeider en Marchje Wijkstra.
Blijkbaar was Lammert Huizing niet op de hoogte van de woonplaats van Arend Mulder, want de ‘plaatselijke kroniekschrijver’ Arend Mulder woonde in 1975 in Norg.
Geert Dekker stierf in 1963 en liet het huisje na aan de plaatselijke afdeling van het Groene Kruis en de kerkvoogdij van de Nederlands Hervormde Gemeente te Deever. Deze verkochten het aan een aannemer uit Beilen, die jammer genoeg vergunning kreeg om het slopen. Juist in die jaren probeerden burgemeester Jan Cornelis Meiboom (die in de Deeverse volksmond altijd ome Kees werd genoemd) en de zijnen rücksichtslos en meedogenloos al het karakteristieke mooie oude te slopen wat in het oude centrum van Deever te slopen viel, denk aan bebouwing bij de kleine Brink, een groot deel van de Peperstraat en panden aan de Hoofdstraat, het niet herbouwen van verbrande panden. En dat is ze aardig gelukt, daarmee verdween de ziel uit ut olde Deever.
De instantie die hem in eerste instantie tegen had kunnen houden was natuurlijk de gemeenteraad van de gemiente Deever (wie zaten toen in de gemeenteraad ?), maar wellicht kon of wilde die geen weerstand bieden aan de ambitieuze burgervader. Bij burgemeester Jan Cornelis Meiboom (die in de Deeverse volksmond altijd ome Kees werd genoemd) stonden woorden en termen, zoals cultuurhistorisch erfgoed, pand voor een streekmusuem, woonboerderijtjes, waardevol voor de toeristenindustrie, beschermd dorpsgezicht, koesteren en restaureren niet in zijn neo-liberale woordenboek.

Posted in Aarfgood, Alle Deeversen, Deevers, Geert Dekker, Verdwenen object | Leave a comment

Mit de hondekarre onder de tolboom deur

Toen Jan Hessels nog leefde sprak de redactie van ut Deevers Archief regelmatig met hem bij hem thuis in zijn boerderij over ut olde Deever, over het boerenleven, over het boerenwerk. Jan hield van het vertellen van annekkedotes, zoals hij die korte en altijd grappige verhaaltjes noemde. De redactie prijst zich gelukkig enige daarvan te hebben vastgelegd. Zijn annekkedotes zijn -het kan niet anders- opgeschreven in ut Deevers. Jan Hessels sprak ut Deevers, net zoals Jantje Oost dat deed, zoals je ut Deevers hoort te spreken. Het is jammer dat ut Deevers in het volledig verhollandiseerde en vercocacolariseerde Deever bijna dood is.

Mit de hondekarre onder de tolboom deur
Ik were neet of ut vurhoal woar is, mor ut is mee wè veur woar vurteld. Ut is gebeurd in de tied dai’j in Wittelte veur ut onderhold van de neeje stroate tuss’n Deever en de Wittellerbrogge tol möss’n betèèln.
Lète op de oam’d belde un knecht van un boer bee de Wittelerbrogge an bee de dokter in Deever. Sien bosschop was dat ut sowiet was mit de vrou van de boer. De dokter was neet so bliede mit disse bosschop, want heesölf, sien menner en ut pièrd haad’n een drokke dag ehad. Hee kön ur neet onderuut, mor he vönd ut toch wè een beetie bezwoaluk so lète ut pièrd wièr in te spann’n.
‘Dat gef neet’, see de knecht. ‘Ie kunt wè mit mee mitried’n, ai’j moar persies doot wa’k oe onderweg zegge.’ ‘Dat is goed’, see de dokter.
See stapt’n op de hondekarre en göng’n mit un flinke gaank deur Oll’ndeever hen de Wittelerbrogge. Iniens brulde de knecht bee ut tolhuus: ‘Now hiel diepe bukk’n !!’ See bukt’n glad en gauw en so steu’m see mit grote voat onder de tolboom deur.
Dat scheelde mooi wièr un pèèr cent’n tolgeld.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De grote vraag is natuurlijk of voor een hondekarre tolgeld moest worden bewaard.
Op het tolgeldbord aan de voorgevel van het voormalige tolhuisje an de Wittelerweg in Wittelte staat de hond niet vermeld, maar zal wel 1 cent zijn geweest.

Posted in Deevers, Tol, Verdwenen object, Wittelte | Leave a comment

Un paer olde woor’n in ut Deevers

De redactie van ut Deevers Archief vond bij het digitaliseren van zijn papieren archief een dezer dagen toevallig een kattebelletje (chartabello) met aantekeningen uit de zestiger jaren van de vorige eeuw van nu niet meer gebruikte woorden in het onweerstaanbaar mooie Deevers.
De redactie wil deze woorden uiteraard niet onthouden aan de trouwe bezoekers
ut Deevers Archief. De redactie kent de betekenis van al deze Deeverse woorden, maar wie van de trouwe bezoekers kent deze ook ? Wie reageert ?

Bente – Die olde dreuge bente wol wel braan’n.
Boldern – Boldern doei op ’n bolderhoek.
Braanekkel – Hee leup mit de kötte broek an deur de braanekkels.
Buunseling – De buuseling stönk ’n ure in de wiend.
Buust – De Buust is de naeme van ’n akker bee’j de dikke stien’n.
Döskaaste – De boer’n in Oll’ndeever haad’n vrogger ’n döskaaste.
Frabbe –  Ut is een frabbe van ’n kiend.
Koagies – Koagies bint lekker op ’n brokkie.
Ophemmel’n – De kaemer is nog neet opehemmeld.
Sproakeling’n – De Sproakeling’n ligt in Oldendeever.
Veraldereerd – Ik waare veraldereerd van ’t mooie kedogie.
Wiemel De dreuge wost’n en ut spek hung’n in de wiemel.

Posted in Aarfgood, Cultuurhistorie, Deever, Deevers | Leave a comment

Op de plokhoare

Ut Deeverse dialect wordt nu nog maar door weinig veelal oudere echte Deeversen goed gesproken en zal over een generatie of zo een dood dialect zijn, immers ouders en dan met name moeders praten niet meer in ut Deeverse dialect tegen hun kinderen.
In ut Deeverse dialect bestaat de uitdrukking op de plokhoare.
Wie van de bezoekers van ut Deevers Archief kent nog de betekenis van deze bij het knikkeren gebruikte uitdrukking ?

Posted in Deevers | Leave a comment

Hier mö’j Deevers proat’n

De eigenaar van de boerderij met adres Wittelterweg 21, gelegen aan de ‘neo-namaak-brink’ in Wittelte, heeft een plakplaatje bevestigd op de brievenbus bij het enigszins roestende, maar fraai en kunstzinnig versierde, toegangshekje.
De tekst op het plakplaatje luidt: Hier kuj Drents praoten. In het Nederlands: Hier kun je Drents spreken. Vertaald in de Deeverse streektaal staat op de sticker: Hier kö’j Dreins proat’n.
De redactie van het Deevers Archief betreurt het dat voor Deever en omliggende dorpen geen plakplaatje is gemaakt met de tekst: Hier mö’j Deevers proat’n.
De redactie is het met wijlen Anne Mulder (uut de Aachterstroate) eens dat het fonetisch gezien juister is het woord ‘praten’ in het Dreins of Deevers te schrijven als ‘proat’n’ en niet als ‘praot’n’.
De redactie is zich zeer bewust van de steeds grotere wordende armoe van de Deeverse streektoal en de noodzaak van activiteiten van een soort van ‘Huus van de toal’ met bijhorende webstee. Maar bij uitstervende streektalen blijft het dweilen met de kraan open. Maar bij het uitstervende Dreins moet op een plakplaatje niet staan ‘Hier kö’j Dreins proat’n’, maar ‘Hier mö’j Dreins proat’n’. Of wordt het Deevers onder de jeugd ooit weer hip en wordt er een paar uur per week op de lagere scholen Deeverse les gegeven ?
De kleurenfoto’s zijn op donderdag 13 november 2014 gemaakt.

Abracadabra-295Abracadabra-296 Abracadabra-297

Posted in Deevers, Wittelte | Leave a comment

Proat’n in ut Deevers-Hooghaarlemmerdijks

Jans Tabak uut de Aachterstroate in Deever wint de kwis Loos
De kwis Loos werd in het kader van Meertmoand Streektoalmoand dagelijks op de Drentse tillevisie uitgezonden. Loos was een samenwerkingsproject van RTV Drenthe en het Huus van de Taol. Harm Dijkstra presenteerde de tillevisiekwis. Elke dag kwisten twee streektaalliefhebbers tegen elkaar. De winnaar ging door naar de volgende ronde. De kandidaten die het langst in de kwis bleven, die kwisten de laatste week van maart mee in de finalerondes.
Wijlen Jans Tabak uut de Aachterstroate in Deever werd de winnaar. Jans was de looste van ’t hiele stel. Als prijs mocht hij zo’n platte computer, een tablet van het type Ipad van het merk Apple, mit hen de Aachterstroate nemen.
Was wijlen Jans Tabak zo ongeveer nog de enige inwoner van Deever die het Deevers vloeiend sprak ??? !!! Dat zou best eens zo kunnen zijn geweest.
Maar zijn Deevers kon bij lange na niet tippen aan het prachtige gesproken Deevers van wijlen Jantje Andreae-Oost van ’t Kastiel, dat doorspekt was met zelden meer gebruikte Deeverse woorden (bijvoorbeeld agin, seins, mit lieveloa, putie, wiemel, poppie, brummel, buunseling, driet’n, mieg’n).

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Het is een illusie te denken dat via een Huus van de Toal of een kwis op de tillevisie de belangstelling voor de Dreinse streektoal (een verzameling dialecten), laat staan ut Deevers kan worden verzekerd.
Toen in het Deever van na de Tweede Wereldoorlog geboren en getogen Deeversen in de zeventiger jaren van de vorige eeuw, in plaats van in ut Deevers, in een soort van koeterwaals Deevers-Hooghaarlemmerdijks tegen hun eigen kinderen gingen praten, was het helaas gedaan met de toekomst van ut echte Deevers.

Maar wie weet desalniettemin nochthans evenwel de betekenis van het gezegde ‘De iene dag rök noar lodderein en de aandere dag noar siepels ? Wijlen Jantje Oost en wijlen Jans Tabak hadden het zeker wel geweten.

Posted in Aachterstroate, Aarfgood, Deever, Deevers, Jans Roelof Tabak, Overlijdensbericht | Leave a comment

Ut poasbulte sleep’m in Deever in 1938

In het onvolprezen geïllustreerde familie-weekblad voor Groningen en Noord-Drente ‘Het Noorden in Woord en Beeld’, Jaargang 13, 1937-1938, 11 maart 1938, bladzijde 29 is de hier afbeeelde foto van ut poasbulte sleep’m in Deever te bewonderen. Voor de volledigheid en de duidelijkheid is hier tevens de tekst bij de afbeelding weergegeven.

De voerman, die baas kan blijven over al deze vurige jongen ‘peerden’, kan ook gerust met een vierspan gaan rijden ! Ze trekken de wagen door de omgeving van Diever, om hem vol te laden met brandbaar materiaal voor de aanstaande Paaschvuren. Ze zijn er zeker vroeg genoeg mee bezig !

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
Het werkgebied van de redactie van ‘Het Noorden in Woord en Beeld’ beperkte zich blijkbaar niet alleen tot Groningen en het noorden van Drente, maar besteedde zo nu en dan ook aandacht aan Deever, in het zuid-westen van Drente.
In 1938 viel eerste paasdag op zondag 17 april. De poasbulte werd volgens de macht van de oude gewoonte op 18 april, op tweede paasdag, in de avond aangestoken.
In Deever werd heel vroeger de poasbulte gebouwd op de Poasbaarg an de Bosweg. In 1938 werd de poasbulte in de buurt van de vuilnisbelt gebouwd.
De redactie van het weekblad schrijft bewonderend over de schooljongens die al vanaf begin maart bezig waren met het slepen van brandbaar hout naar de poasbulte. En terecht ! Daar was tijd voor nodig. Dat gebeurde na schooltijd. De boerenkar werd getrokken door kinderen die op de lagere school zaten. De oudere jongens waren de bouwers van de poasbulte. Hoeveel vrachten konden de kinderen na schooltijd en voor zonsondergang omstreeks half zeven halen uit de bos ? Eén flinke vracht ? Dat was niet veel. Derhalve moesten ook de vrije schoolmiddagen worden besteed aan het slepen van brandstof, veelal takkebossen, naar de poasbulte.
De foto voor deze afbeelding is zeg maar even voor het gemak in maart 1938 gemaakt. Het is een topstuk. De leeftijd van de jongens op de foto zal liggen tussen de 6 en 12 jaren. De jongste jongens zullen, in het geval zij nog leven, anno 2019 ongeveer 88 jaren oud zijn. Het zullen jongens uit de buurt van ut Kastiel zijn. Dus het is nog steeds mogelijk mannen, die als jongen op deze foto staan, te vinden en te interviewen ! Wie herkent jongens op de foto ?
De redactie denkt dat ook in 1939 en 1940 de poasbulte wel is gebouwd en in brand gestoken. In 1940 viel pasen op 24 en 25 maart, dat is ruim een maand voor het begin van de Tweede Wereldoorlog. In de Tweede Wereldoorlog zijn in Deever geen poasbult’n gebouwd en in brand gestoken. Pas in 1946 is in Deever de oude gewoonte gelukkig weer opgepakt.
De foto is gemaakt aan het begin van de Bosweg op de hoek van ut Kastiel. De Bosweg sloot toen nog niet met een haakse bocht aan op de Ten Darperweg. De jongens zijn op weg naar de bos. Van mr. Albertus Christiaan van Daalen, de eigenaar van het landgoed Berkenheuvel, hadden ze welwillend toestemming uit zijn bossen oud hout, snoeihout, afgevallen takken, enzovoort, te verzamelen voor de poasbulte. Achter de bomen van ut maarktturrein zijn enige huizen op ut Kastiel te zien. Links achter de betonnen palen en de buizen van de vroegere paardenmarkt ligt zo te zien een berg straatklinkers. Tot in de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw had de gemiente Deever de onhebbelijke gewoonte ut maarktturrein an de Bosweg als opslagplaats voor herbruikbare straatklinkers te gebruiken.
De grote vraag is aan alle personen die denken het Deevers te beheersen en aan alle personen die het Deevers nog niet beheersen, maar ijverig en ernstig bezig zijn met het leren van het Deevers: hoe wordt het in de tekst bij de foto gebezigde brabbelwoord ‘peerden’, waar het meervoud van het Nederlandse woord paard mee wordt bedoeld, in het Deevers geschreven ?

Posted in Deevers, Poasvuur sleep'm, Topstuk, Traditie, ut Kastiel | Leave a comment

Deever möt ok op de plaesnaemböd’n

Aan het begin van 2019 plakte de actiegroep Dreins op Stee over een aantal plaatsnaamborden een tweetalig plaatsnaambord. Helaas zat Deever daar niet bij. De actiegroep riep de provincie Drenthe en de Dreinse gemient’n op het Dreins zichtbaar te maken in de openbare ruimte.
De redactie van het Deevers Archief is eveneens uitermate sterk voorstander -liever vandaag nog dan morgen- van het plaatsen van tweetalige naamborden in de gemiente Deever en de andere deelgemeenten van de gemeente Westenveld, te weten de gemiente Oavelte, de gemiente Dwingel en de gemiente Vledder.
De redactie komt vaak in Zuid-Limburg. Daar is het gebruik van tweetalige plaatsnaamborden al jaren geleden ingevoerd, zie bijvoorbeeld een plaatsnaambord van Gulpen/Gullepe. Zo ook in Friesland.
En het besluit tot plaatsing van tweetalige plaatsnaamborden moet voor de Hoge Heren Van Het Grote Hooghaarlemmerdijkse Gelijk Van De Gemeente Westenveld, die voor het overgrote deel niet Dreins kunnen en willen spreken, toch wel een kleine moeite zijn, want in bijvoorbeeld de gemiente Deever zijn vast wel heel wat mensen te vinden (crowd-funding), die mee willen betalen aan het aanschaffen, plaatsen en onderhouden van deze tweetalige plaatsnaamborden. Dat hoeft de gemeente Westenveld geen belastinggeld te kosten. Dan kunnen de Hoge Heren Van Het Grote Hooghaarlemmerdijkse Gelijk Van De Gemeente Westenveld, die voor het overgrote deel niet Dreins kunnen en willen spreken, die paar benodigde belastingcenten in de gemeentekas houden.
Bijvoorbeeld op het nu gebruikte plaatsnaambord van Deever moet in de Deeverse streektoal ook Deever komen te staan. Zie de bijgevoegde kleurenfoto, die de redactie op 3 september 2018 heeft gemaakt.
Wat bij deze foto opvalt is dat de regelzucht van de Hoge Heren Van Het Grote Verkeerskundige Gelijk Van De Gemeente Westenveld verontrustend is, want de Heren achten het nodig hier aan beide kanten van de weg een plaatsnaambord met een verkeersbord RVV-A01-30 te plaatsen. Het belastinggeld dat gebruikt is voor het plaatsnaammeubilair dat links op de foto is te zien, is weggegooid belastinggeld. Dat meubilair moet met geschwinde spoed en in gestrekte draf worden gesloopt. Bovendien staat dat meubilair gevaarlijk dicht langs de kant van de verharding. Het 30-kilometerbord dat aan de linkerkant op de foto is te zien, is bovendien overbodig, want rechtsgeldige verkeersborden staan aan de rechterkant van de weg. Hoe minder borden langs de weg staan, hoe duurzamer de omgeving overkomt.
De redactie heeft van het tweetalige plaatsnaambord Diever/Deever alvast een voorbeeld bijgevoegd. Maar wat vindt de trouwe bezoeker van het Deevers Archief van het gebruik van tweetalige plaatsnaamborden in de gemeente Westenveld ? Laat het de redactie vooral weten !
In oktober 2018 hebben zeven regionale overheden (de provincies Drenthe, Friesland, Gelderland, Groningen en Overijssel en de gemeenten Oost- en  Weststellingwerf (die gemeenten wel !) een uitermate belangrijk convenant getekend om het gebruik van het Nedersaksisch als streektaal te stimuleren, om het Nedersaksisch levend te houden. Het hele Nedersaksische taalgebied loopt van de Achterhoek, de Veluwe, Overijssel, Drenthe, Groningen via Noordoost-Duitsland tot aan Denemarken. Zie het geel gemarkeerde deel op bijgaande afbeelding van het Nedersaksisch taalgebied.
Met het plaatsen van tweetalige plaatsnaamborden in de gemeente Westenveld kunnen de Hoge Heren Van Het Grote Hooghaarlemmerdijkse Gelijk Van De Gemeente Westenveld, die voor het overgrote deel niet Dreins kunnen en willen spreken, een heel eenvoudig politiek schadeloos begin maken met het gebruik van de streektaal in de openbare ruimte. Het is een druppeltje op een gloeiende plaat, maar laat die kans op een politiek succesje niet voorbijgaan ! Want als onder een plaatsnaambord, dat publiek eigendom is, wel gratis reclame wordt gemaakt voor een bulkend rijke private – bovendien fors door de provincie gesubsidieerde – toneelvereniging, die alleen maar in het Hooghaarlemmerdijks en niet in het Dreins vertaalde Engelse toneelstukken van Sjakie uut Spier opvoert in een openluchttheater (zitten de bezoekers nog steeds niet onder een dak ?), dan kan en moet op het plaatsnaambord zelf probleemloos reclame worden gemaakt voor het Nedersaksisch, veur de Deeverse naeme van ut dörp Deever.

Posted in Deever, Deevers | Leave a comment

Huuswaark veur ut husie van de toal

De redactie van het Deevers Archief ontving zo nu en dan van wijlen Anne Mulder, geboren en getogen an de Aachterstroate in Deever, een lijstje met Deeverse woorden. Deze woorden zijn wellicht nu in onbruik geraakt in de streek. In 2001 stuurde hij onder meer de navolgende woorden in:
– blaauwbekk’n;
– gien klap veur ’t gat wièrt;
– glèrig;
– hiele post offelegd;
– keu, keun;
– kunschop;
– ‘k heb mee d’r lillijk mit mishaad;
– motte, mott’n;
– mott’n;
– nuver;
– ote, ootien;
– roepe.
Het rijtje Deeverse woorden is speciaal ter lering opgenomen voor personen die het Deevers echt willen gaan beheersen, zoals kiender van Deeversen die het Deevers neet meer van heur Deevers proat’nde vae en mow hept eleerd, en Drenthenierders (import) die druk en ernstig bezig zijn met een indeeveringscursus Deevers voor Drenthenierders, en de Hoge Veelal Niet Deevers Kunnen Of Willen Sprekende Hoge Heren Van De Hollandse Voorkant Van Het Grote Gelijk In De Gemeente Westenveld, die het gebruik van het Dreins met geschwinde spoed en in gestrekte draf in de openbare ruimte moeten gaan uitdragen.
Maar alle bezoekers van het Deevers Archief, en in het bijzonder ook de dorpskrachten, die bewoners zijn van ut Deeverse filiaaltie van ut Dreinse husie van de toal, worden vriendelijk verzocht bovenstaande Deeverse woorden om te zetten in het Nederlands en die omzetting door te geven aan de redactie.
De goede vertalingen zullen uiteraard in het Deevers Archief worden gepubliceerd.

Posted in Aarfgood, Cultuur, Deevers | Leave a comment

Vurdeevern mit dé historicus van de gemiente Deever

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
In de Olde Möppeler (Meppeler Courant) van 22 april 2015 verscheen het volgende korte bericht over een activiteit die veel vaker zou kunnen worden gehouden in het kader van het behoud van ut Deevers. Deze activiteit wordt nog steeds ‘verdieverderen’ genoemd: ik verdieverdeer, jij verdieverdeert, wij verdieverderen ….
De behandelde onderwerpen zijn belangwekkend te noemen: het graven van het zwembad Dieverzand, de padvinderij in de bossen, het V.C.J.C.-kamp en het voetbalveld op het Mastenveldje. Dit zijn onderwerpen die ook uitgebreid zijn of worden behandeld in ut Deevers Archief.
Ook is het belangwekkend en geruststellend te lezen dat de leiding van de avond in handen was van Jans Tabak uut de Aachterstroate, de enige en echte historicus-oppervurdeeverdeerderaar van de gemiente Deever.
Niks mis mit ’n oamtie Deevers proat’n. Alle lof hiervoor. Nog beter is ’t gewoon elke dag te doon, ok en veural woar de kiender bee bint. Dan könt see in heur moers toal proat’n.

Verdieverderen slaat weer aan
Diever – Ruim veertig belangstellenden kwamen maandag af op ‘Verdieverderen’. Deze avond, georganiseerd door de Historische Vereniging Gemeente Diever, Bibliotheek en Huis van de Taol, werd er gesproken over ‘de bos’ rondom Diever. Er kwamen in het Dingspilhuus weer vele verhalen los, zoals het graven van het zwembad ‘Dieverzand’ in de oorlogsjaren, de padvinderij die in de bossen na de oorlog werd gehouden, het V.C.J.C.-kamp en het voetbalveld op het Mastenveldje.
De leiding was in handen van Jans Tabak, de historicus van Diever. In het najaar krijgt de avond een vervolg. Over de avond ‘Neringdoenden in Diever’ zijn drie dvd’s uitgebracht en te koop voor 10 euro.

Abracadabra-1475
Aantekeningen van de redactie van ut  Deevers Archief
In de Olde Möppeler (Meppeler Courant) van 23 oktober 2013 verscheen het volgende korte bericht over een activiteit die veel vaker zou kunnen worden gehouden in het kader van het behoud van ut Deevers.
Op het nieuw bedachte werkwoord ‘verdieverderen’ valt wel wat aan te merken.
Dit neo-werkwoord lijkt op het in onbruik geraakte Deeverse werkwoord ‘daevern’. Wat ’n gedaever an de stamtoafel. Overigens neemt de redactie aan dat de ‘verdieverdeerderaars’ wel de betekenis van ‘daevern’ weten.
Het ware beter geweest het nieuwe werkwoord ‘vurdeevern’ te gebruiken. Niet te verwarren met ‘vurnuvern’. De redactie zou aan dat nieuwe werkwoord ‘vurdeevern’ graag de betekenis ‘steeds meer ut Deever gevoel krijgen’ willen hechten.
Verder zou de redactie de organisatoren van deze avonden willen meegeven bij het schrijven in het Deevers de Anne-Mulder-regel te volgen, dus niet ‘stamtaofel’ te schrijven, maar ‘stamtoafel’, dus niet ‘aomtie’ te schrijven, maar oamtie. Deze woorden worden in ut Deevers immers meer met de o-klank dan met het a-klank uitgesproken.
Niks mis mit ’n oamtie Deevers proatn. Alle lof hiervoor. Nog beter is ’t gewoon elke dag te doon, ok en veural woar de kiender bee bint. Dan könt see in heur moers toal proat’n.

Verdieverderen um de stamtaofel in de bibliotheek
Diever – In de bibliotheek in Diever vindt dinsdagavond 29 oktober weer een edititie plaats van ‘Verdieverderen um de stamtaofel’. Dit betekent ontspannen door vermaak – um de stamtaofel.
Het thema deze keer is: ‘Neringdoenden’. Ondernemers toen en nu in Diever en Omstreken. Hebt u leuke anekdotes, verhalen om te vertellen bij ons aan de stamtafel, of wilt u alleen maar leuke verhalen aanhoren… U bent voor beide van harte welkom in de bibliotheek in Diever. De toegang is gratis voor leden en niet leden en de koffie en thee staat klaar om 19.45 uur. Deze avond wordt georganiseerd door de Historische Vereniging Gemeente Diever, Huus van de Taol en de Bibliotheek.

Abracadabra-473
Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
In de Meppeler Courant van 23 november 2012 verscheen het volgende korte bericht over een activiteit die veel vaker zou kunnen worden gehouden in het kader van het behoud van het Deevers.
Op het gebruik van het nieuw bedachte werkwoord ‘dieverderen’ valt wel wat aan te merken. Dit  neo-werkwoord lijkt op het in onbruik geraakte werkwoord ‘daevern’. Wat ’n gedaever an de stamtoafel. Overigens neemt de redactie aan dat de ‘dieverdeerderaars’  de betekenis van ‘daevern’ weten.
Het ware beter geweest het nieuwe werkwoord ‘vurdeevern’ te gebruiken. Niet te verwarren met ‘vurnuvern’. De redactie zou aan dat nieuwe werkwoord ‘vurdeevern’ graag de betekenis ‘steeds meer het Deever gevoel krijgen’ willen hechten.
Verder zou de redactie de organisatoren van deze avonden willen adviseren bij het schrijven in het Deevers de Anne-Mulder-regel te volgen, dus niet ‘stamtaofel’ te schrijven, maar ‘stamtoafel’, dus niet ‘aomtie’ te schrijven, maar oamtie. Deze woorden worden in het Deevers immers meer met de o-klank dan met het a-klank uitgesproken.
Niks mis mit ’n oamtie Deevers proatn. Alle lof hiervoor. Nog beter is ’t gewoon elke dag te doon, ok en veural woar de kiender bee bint.

Drukte rond de stamtafel
Diever – ‘Dieverderen om de stamtaofel’ is een succes geworden. Liefst 45 belangstellenden kwamen af op de avond van de Historische Vereniging Gemeente Diever, de bibliotheek en Huus van de Taol. ‘Dieverderen um de stamtaofel’ stond in het teken van de Novembermaand slachtmaand.
Gea Tiemens opende de avond met een gedicht en Jans Tabak las een verhaal voor van Ans Klok. Het is de bedoeling om de komende winter nog een ‘Dieverderen um de stamtaofel’ te organiseren.
Abracadabra-467

Posted in Aarfgood, Cultuur, Deevers, Dorpskracht, Jans Roelof Tabak | Leave a comment

Tuunvursiering op un heede an de Deeverbrogge

De redactie van het Deevers Archief heeft de hier getoonde kleurenfoto op 26 april 2018 gemaakt bij de winkel met de naam Diverse Pluimage die is gevestigd in un boerdereeje an de Deeverbrogge.
Op de heede langs het fietspad is veelkleurige tuindecoratie te zien. Disse tuunvursiering die in un heede of in de grond kan worden gestoken, trekt bij elke voorbijgang toch steeds weer een beetje de aandacht.
De redactie vond het wel een aardige gedachte deze gekleurde dingen (de redactie is niet bekend met de juiste naam van deze gekleurde dingen) een tijdje te tonen als kopafbeelding van het Deevers Archief.
De redactie heeft deze kopafbeelding gepubliceerd op 4 oktober 2019.
Voor personen die het Deevers echt willen gaan beheersen, zoals kiender van Deeversen die het Deevers neet meer van heur Deevers proat’nde vae en mow hept eleerd, of Drenthenierders (import) die druk en ernstig bezig zijn met een indeeveringscursus Deevers voor Drenthenierders, volgt hier de vertaling van de titel van dit bericht: Tuindecoratie op een heg an de Deeverbrogge. Het gaat in deze titel natuurlijk om het schitterende maar helaas in onbruik geraakte Deeverse woord heede. Het woord tuunvursiering is natuurlijk een vurdeeverdisoasie van het woord tuindecoratie.

Posted in An de Deeverbrogge, Deevers, Kopafbeelding | Leave a comment

Betekenis van de woorden lodderein en siepel

De redactie van het Deevers Archief stelde in het bericht ‘De grote aarmoe van de Deeverse streektoal‘ de volgende belangwekkende vraag: Maar wie weet desalniettemin de betekenis van het gezegde ‘De iene dag rök noar lodderein en de aandere dag noar siepels ?

Jacob (Jaap, Japie) Koning (zoon van Bertus Koning (de lochtkeerl) en Deeltje van der Helm van de Veentjeweg in Deever) gaf op 16 november 2015 het volgende antwoord:  De ene dag ruikt naar eau de cologne, de andere dag naar uien !
De redactie van het Deevers Archief rekent dit antwoord helemaal goed. Het ging natuurlijk om de betekenis van de in onbruik geraakte Deeverse woorden lodderein en siepels.
In het genoemde bericht wordt ook gewag gemaakt van de in onbruik geraakte Deeverse woorden: agin, seins, mit lieveloa, putie, wiemel, poppie, brummel, buunseling, driet’n, mieg’n.
De redactie van het Deevers Archief wil ook graag de betekenis van deze woorden vastleggen. Wie reageert ?

Posted in Deevers | Leave a comment

Wanneer begunt de less’n Deevers ?

In de Olde Möppeler (de Meppeler Courant) van 8 april 2019 verscheen een belangwekkend en zorgwekkend bericht over de bittere noodzaak van het stimuleren van het gebruik van de Nedersaksische streektaal op de lagere scholen. 

Nedersaksisch op school
Stimuleren van gebruik streektaal
Regio. Taaldocenten van de landelijke vereniging Levende Talen hebben een aparte afdeling voor de Nedersaksiche taal opgericht. Dat gebeurde zaterdag tijdens de algemene ledenvergadering in Utrecht.
De vereniging Levende Talen Nedersaksisch gaat zich inzetten voor een nieuwe leerlijn Nedersaksisch voor het basisonderwijs. Daar onder valt naast het ontwikkelen van lesmateriaal ook het stimuleren van een positieve houding in het onderwijs ten opzichte van het gebruik van de Nedersaksiche taal.
Overeenkomst
De Vereniging Levende Talen Nedersaksisch wordt gesteund door de provincie Overijssel. Daartoe is een overeenkomst getekend.
Eerder, in oktober 2018, werd een convenant getekend door zeven regionale overheden (de provincies Drenthe, Friesland, Gelderland, Groningen en Overijssel en de gemeenten Oost- en  Weststellingwerf) om het gebruik van het Nedersaksisch als streektaal te stimuleren. Dat krijgt nu dus een vervolg.
Het hele Nedersaksische taalgebied loopt van Oost-Nederland via Noordoost-Duitsland tot aan Denemarken. Anders dan het Fries is er ook niet één standaard Nedersaksisch.
Zeven varianten
Alleen al Nederland kent minstens zeven regionale varianten, zoals Drents, Twents, Veluws, Sallands, Achterhoeks, Gronings en Stellingwerfs.

In de Olde Möppeler (Meppeler Courant) van 17 april 2019 verscheen een niet-nieuws bericht over niet geheel onbemiddelde mensen van vaak ver buiten de gemiente Deever, die hun oude dag komen slijten in de gemiente Deever.

Drentenierders verzamelen zich
In het Landhotel in Diever verzamelen zich donderdag weer zogenaamde ‘Drentenierders’. Dit zijn wat oudere levensgenieters die, vaak na een druk arbeidsleven vol afwisseling, zijn neergestreken in de gemeente Westerveld.
Drentenierders willen de mensen om hen heen leren kennen, samen aan activiteiten deelnemen en wellicht nieuwe dingen uitproberen. De middag is bedoeld als een gezellig samenzijn om oude contacten aan te halen en nieuwe contacten te leggen.
De toegang is gratis en van te voren opgeven is niet nodig. De tijden zijn van 15.00 uur tot 17.00 uur. Na afloop is er een aanschuifdiner waarvoor men zich desgewenst in de loop van de middag kan opgeven.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De  redactie is het roerend, ja zelfs bijna ontroerend eens met het leren spreken, lezen en schrijven van het met uitsterven bedreigde Deeverse dialect op de lagere scholen in de gemiente Deever.
Het stervende Deeverse dialect is een variant van het Stellingwerfs. De redactie is dan ook bijzonder verbijsterd dat de Uitsluitend Nederlands Sprekende Hoge Heren Van Het Ontzettend Grote Gelijk Van De Gemeente Westenveld, comfortabel gevestigd in het Raadhuis aan de Gemeentehuislaan in Deever, het in oktober 2018 getekende convenant voor het stimuleren van het gebruik van het Nedersaksisch (in Deever is dat het Deevers, in Dwingel is dat het Dwingels, enzovoort) niet mede hebben ondertekend en dat terwijl de twee Stellingswerfse zustergemeenten dat convenant wel hebben ondertekend. De gemeenten Oost- en Weststellingwerf beseffen heel goed dat voor het Stellingswerfs het licht al lang op rood staat.
Hoe eerder en sneller een plan voor het redden van het Nedersaksich in de gemeente Westenveld, en dus ook het Deeverse dialect, tot uitvoer wordt gebracht, hoe liever het de redactie is. Een mooie naam voor de Deeverse paragraaf in dit reddingsplan zou kunnen zijn: Deevers op dreef. De redactie is graag bereid aan dit reddingsplan zijn medewerking te verlenen.
In het reddingsplan mogen de vele Drentenierders in de gemiete Deever uiteraard niet worden vergeten. In het berichtje over de Drentenierders staat dat de Drentenierders aan activiteiten willen deelnemen en nieuwe dingen willen uitproberen. Daar past een soort van indeeveringscursus 
Deevers voor Drentenierders uitstekend in. Het zal de kleinkinderen uit Het Verre Westen Van Nederland maar overkomen dat ze van Opa Drentenierder whattsapp-berichtjes in het Deevers ontvangen. Wee kriegt vandaege wièr Deeverse les van Jans Tabak in ut Aar’mhuus an de Grönnegerweg bee’j de Dikke Stien’n. 

Posted in Deevers | Leave a comment

Mann’n uut Deever dood in de slag bee Damiate

In de Olde Möppeler (Meppeler Courant) van 31 december 2007 verscheen het navolgende artikel van Lammert Huizing over mannen uit Deever die de dood vonden in de slag bij Damiate. De redactie verwijst volledigheidshalve voor meer gegevens naar een bladzijde in de online-ecyclopedie Wikipedia. Voor wat deze gegevens waard zijn.
De redactie van het Deevers Archief heeft de tekst van Lammert Huizing overgezet in het Deevers, teneinde actief een bijdrage te leveren aan het behouden en het verspreiden van het Deevers. De redactie houdt zich aanbevolen voor verbeteringen in deze vertaling. Wellicht zijn de organisatoren van de activiteit ‘verdieverderderen um de stamtoafel’ bereid te reageren. Samen weten we meer.

In ’t veurjoar van 1217 was hee te gaast in ’t klooster van Rune: Thomas Olivier, kanunnik van Keulen. Van kaarspel tot kaarspel reisde hee deur ’t olde laand um manluu te waar’m veur ’n tocht hen ’t Hillige Graf. Ok in Deever haar hee espreuk’n. Priester Adolf haar hum leever ’t woord ontzegd. Hee wus, dat de proat van de kanunnik onrust zul breng’n in de huusen en in de noaberschopp’n. Gieniene sul weg will’n, Moar lichtkaans waar’n ‘r knecht’n en keuters bedaacht op meer vreeigheid en longernd naar aomtuur, die de dringende oproep tot kruusvoart neet söll’n weerstoan.
Olivier haar hum opewönn’n, Sien naarms kleuven mit gebalde voest’n deur de roemte, sien vuurrooie kop, sien oversloande stemme: ’t was as of hee doende was, hier in Deever, um sölf ’t Hillige Graf van de Saracenen te bevrijden. Onbeweug’n leut ’t volk in Deever ’t geweld over heur hen goan. See pruufd’n niks van de mystieke geestdrift um mit te trekk’n in ’t grote leger hen Jeruzalem.
Priester Adolf heroasemde. Hee was bliede doe Thomas Olivier ofreisde. Allennig een wonder zul nog sien meins’n op kruusvoart kunn’n kreeg’n.
Priester Adolf twiefelde. Al hiel wat moand’n gleufde hee neet meer in de wezenlieke anwesigheid van Jesus Christus in ’t Hillig Sacrament. Hiele naacht’n laag hee doarover wakker. Hee bidde um ’n visioen um so kloarheid te krieg’n.
De sundag doarop, Adolf stön an ’t altaar. Manluu en vrouwluu vuld’n de kaarke van Sint Pancras. Manluu uut Deever, moar ok uut de noaberschopp’n van ’t kaarspel tot an Dwingel toe. De misse, ’t hillig offer, wödde deur heur allemoale mit beleefd. Spanning was ‘r doe de priester de hostie umhoge heef. Hee söl so ’t Agnus Dei insett’n. Moar de haa’n van de priester blee’m umhoge. See trild’n. Sie oog’n stoard’n verstrakt noar ’t witte ‘lichem’ van de Heer. Een visoen ? Een merèkel ? De Maagd, mit op heur schoot ’t Kiend, saag hee in ’t midd’n van de hostie. Mit trillende vingers dreede hee ’t hillige veurwaarp. An de aandere kaante keek ’n loam, ’t Agnus Dei, hum an. Een wonder van de Allerheugste um hum, de twiefelaar, tot geleuf te breng’n ?  Sien harte bonkte en ’t blood trök weg uut sien gesichte. Hee zwiebelde en wol de altoardeenst op slag stopp’m. De parochioan’n vönn’n dat ’t wat gebeurde, dat see nooit weer sull’n mitmaek’n.
Adolf leut de naarms zakk’n. Een brokke in de keel belette hum um ’t Agnus Dei in te sett’n. Troan’n vuld’n sien oog’n. ‘Deur de genade van God he’k now wissigheid’, verkundigde hee. Hee vertöl under troan’n over ’t merèkel, dat net was passeerd. ’t Volk luusterde annedoan. Wat Thomas Olivier neet edoan kön kreeg’n, gebeurde now. Viefteg man besleut’n um ter ere van ’t Hillig Sacrament ’t kruus op te nee’m en as kruusvaerder hen ’t oost’n te trekk’n. In de meimoand reisden see of. Priester Adolf gaaf heur sien seeg’n doe see veur de laeste keer in de kaarke bee mekaer kwaa’m en doe see de brink aachter heur leut’n. Richting Friesland, woar see an de oevers van de Lauwers mit veule aandern heur söll’n inscheep’m.
Een vloot van tachtug boten veur of. In Engeland saag’n see Thomas Oliver weer. Tegaar veur’n see hen Portugal, woar ’t vecht’n begön teeg’n de Moren. In Rome wödde overwintert. See kwaa’m neet toe an ’t Hillige Graf. De mann’n uut Deever vönn’n de dood in de slag bee Damiate in Egypte.
Eerst was ‘r ongewisheid en laeter rouw in de parochie van Sint Pancras, doe as see niks meer heurd’n van heur manvolluk. Priester Adolf, die deur sien twiefel ’t merèkel haar operoep’m, twiefelde vanneis. Now an de echtheid van ’t visoen, woamit hee, ja hee, sien eig’n meins’n edree’m haar noar ’n verre dood.
Seu’m joar laeter wödde Thomas Olivier vumoord. Hee was op weg hen Grönning um vanneis meins’n bee mekaer te preek’n veur weer ’n kruustocht.
Ieuwenlang kwaa’m see op bedevoart, volk van dichtbee en van verens, um ’t merèkel van Deever te gedènk’n.

Abracadabra-1476

Posted in Deever, Deevers, Lammert Huizing | Leave a comment

Op Zorgvlied, op Woater’n, op Kalter’n, op ’t Noave

De redactie van het Deevers Archief merkt op dat in het Deeverse dialect bij het gebruik in zinnen vóór de naam van een aantal buurten, gehuchten, kluften en plaatsen in de gemiente Deever het voorzetsel ‘op’ of het voorzetsel ‘aan’ moet worden gebruikt en niet het ogenschijnlijk voor de hand liggende voorzetsel ‘in’. De redactie wil dit graag demonstreren aan de hand van de volgende lijst met korte voorbeeldzinnen.

Ik wone in Deever.
Ik wone op Kalter’n, dus neet ik wone in Kalter’n.
Ik wone in de Broek’n.
Ik wone in Oldendeever.
Ik wone in Wapse.
Ik wone op ’t Noave, dus neet ik wone in ’t Noave.
Ik wone in Veenhuus’n.
Ik wone in Veldhuus’n.
Ik wone op Soerte, dus neet ik wone in Soerte
Ik wone op de Nul, dus neet ik wone in de Nul.
Ik wone op ’t Kastiel, dus neet ik wone in ’t Kastiel.
Ik wone in Wittelte.
Ik wone op ’t Noord, dus neet ik wone in ’t Noord.
Ik wone op ’t Moer, dus neet ik wone in ’t Moer.
Ik wone in de Sproakeling’n.
Ik wone in de Bolderhook.
Ik wone an de Wittelterbrogge, dus neet ik wone in Wittelterbrogge.
Ik wone an de Wapserveense weg, dus neet ik wone in de Wapserveense weg.
Ik wone an de Gowe, dus neet ik wone in de Gowe.
Ik wone an de Deeverbrogge, dus neet ik wone in Deeverbrogge.
Ik wone an de Oldendeeversbrogge, dus neet ik wone in Oldendeeversebrogge.
Ik wone an de Wittelterweg, dus neet ik wone in de Wittelterweg.
Ik wone op Zorgvlied, dus neet ik wone in Zorgvlied.
Ik wone op Woater’n, dus neet ik wone in Woater’n.
Ik wone in de Olde Willem.

De redactie verneemt van bezoekers van het Deevers Archief die het Deeverse dialect beheersen, nog beheersen, steeds minder beheersen, of willen gaan beheersen, graag verbeteringen en aanvullingen op deze lijst.

Posted in Deevers | Leave a comment

Ik verwaachte nog hoog bezeuk

De redactie van ut Deevers Archief vindt bij het digitaliseren van zijn papieren archief zo nu en dan een door hem belangwekkend geacht bericht. De redactie wil zo een bericht natuurlijk niet onthouden aan de zeer gewaardeerde bezoeker van ut Deevers Archief. In het maandblad Oeze Volk, jaargang 15, nummer 3, maart 1971 staat op de bladzijden 37, 38 en 39 het in het Deevers geschreven artikel ‘Hoog bezeuk’ van wijlen Arend Mulder. Zie de bijgaande afbeelding.
De in Deever geboren, echter bij leven in Westervelde in de gemeente Norg wonende boer Arend Mulder is ook de schrijver van het boekje met de titel ‘De historie en prehistorie van Diever in woord en beeld’.

Hoog bezeuk
Deur de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (afdeling Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde) in Amsterdam wordt ieder jaor hier en daor deur ’t hele laand meujte ‘edaene um het zuuvere streekdialect van verschillende plaotsen nao te gaon en vaast te leggen. Niet allent deur het verzenden van vraogenliesten an verschillende mitwaarkers, mor ook deur vraoggesprekken mit olde inwoners van partie dörpen op de bandrecorder op te nemen. Mit dat dool bezöchte dit zommer een mevrouw Drost uut Amsterdam olde Haarm Mulder (beter in ’t dörp bekend onder de naeme Haarm Bakker), een kleine boer van 85 jaor, die heel wat over ’t dörp wet te vertellen en dat ook graag döt.
Deurdat mevrouw Drost toevallig in ’t dörp logeerde, kwaamp ze op ’n goeie dag in de Peperstraote mit Haarm an de proot en toe vreug ze hum, of ze ies weer mug komen um een vraoggesprek mit hum op de bandrecorder op te nemen, want jammer genog har ze ’t ding now niet bij heur. Now, daor har Haarm niks op tegen en zo overlegden ze dan dat ze mit ’n veertien daogen, dat worde woensdag 8 augustus um twie uur weer zul komen.
‘Mag ik dan even uw adres, dan krijgt u altijd even een bericht van mij. D’r zou iets tussen kunnen komen, waardoor het tot een andere datum moet worden uitgesteld, zit u ?’ Miteen zöchte ze in heur tassien naor ’t notitieboekien en een potlood.
‘Geliek he’j mevrouw’, zee Haarm. ‘Schrief mor op. H. Mulder, Hoofdstraat, dan kom’t wel over.’
‘Goed, ’t is genoteerd. Dus dan tot 8 augustus meneer Mulder ??
‘Of”espreuken’, zee Haarm, tikte nog ee’m an de pette en strompelde weer op huus an.
Precies op ofgespreuken uur en dag stopte er een mooie auto veur de woning van Haarm Bakker. Een mevrouw stapte d’r uut mit ’n soort koffertien in de haand. Ze klöpte op de veurdeure, mor d’r kwaamp gien volk. Toen leup ze um de hook van ’t huus waor de baanderdeure lös stund, een teken dat er wel volk in huus was. Ze was niet zo driest um miteen de dele op te stappen en reup in de deure: ‘Is hier volk ??’ Ze heurde niks, mor kort daorop kwaamp Jaap (een ee’m jongere breur van Haarm) mit ’n maande vol eerappels veur de kneej’n andraeg’n.
‘Goedenmiddag meneer, ben ik hier bij de heer Mulder ?’
‘Ja, wie bedool ie mevrouw, mi’j of mien breur Haarm ?’
‘Nee, u bent het niet, dat zie ik zo wel, maar wacht eens.’ Ze frommelde wat in heur tassien, heul er een bookien uut, las en zee: ‘Ja, het is H. Mulder.’
‘Ja, dan zu’j Haarm wel bedool’n, mor dan tref ie ’t neet, want die is niet in huus.’
‘Niet thuis ? En we hadden afgesproken voor vandaag en bovendien heb ik hem nog een brief geschreven.’
‘Lig mij niks van bij dat Haarm een breef ‘ekregen hef van de post.’, schudkopte Jaap.
‘Ja, dat begrijp ik dan niet. Ik kom er heel uit Amsterdam voor over en…..’
‘O, now, da’s niet zo aarg,’ völ Jaap heur in de rede, ‘Haarm is hier vlakbij in de scheerwinkel, ik zal hum ee’m ophael’n. Mevrouw mag wel zolange ee’m in de keuken gaon zitten.’
‘Als ’t niet lang duurt, dan blijf ik hier buiten wel op hem wachten.’
‘Zoas mevrouw wil,’ zee Jaap en slofte de straote op naor de scheerwinkel. Ee’m laeter kwaamp hij mit Haarm weer.
Ze herkende hum direct en gaaf Haarm de haand. ‘Had u mij niet verwacht ? U hebt mijn brief toch wel gekregen?’
‘Neem mij niet kwaolijk mevrouw, mor ik was de ofspraok helemaol vergeten. Mor ’n breef zeg ie ? Nee, ik hebbe gien breef ‘ekregen, da’k wee.’
‘Nu daar begrijp ik niks van.’
‘Now ja, dat döt niks mevrouw. Ie treft het da’k nog al vlakbij huus was, dat, de veurstelling kan wat mij betreft wel deurgaon. Loop mor mit hen binnen.’ Zo volgde ze Haarm over de deele, deur’t bijkeukentien naor de kaemer.
‘Ik begrijp er niks van,’ zee mevrouw Drost, mit dat ze op de stool gunk zitten, die Haarm heur toescheuf , ‘het adres was toch wel juist ? H. Mulder, Hoofdstraat ?’
‘Joawel mevrouw,’ lachte Haarm, ‘dat is wel good, mor now begriep ik ’t wel. Kiek ies, d’r woont hier nog ’n H. Mulder in de Heufdstraote, mor die het Hendrik en ik heete Haarm en daor vergist de post hum nog wel ies mit. A’k mien naeme now mor voluut ‘ezegd har en ie haren Haarm Mulder op ’t kevot ‘ezet dan was ’t good ‘ekoom’n. Now denk ik dat Moessien de breef hef.’
‘Moessien,’ vreug mevrouw, ‘wie is dat ?’
‘Now ja, zo neumt ze hum daegelijks en ik heete in de volksmond ook gien Haarm Mulder, mor Haarm Bakker. Ja, die bijnaemen hier mevrouw, daor moe’j mit bekend wezen. D’r woont hier wel ’n stok of wat families Mulder, mor d’r is er mor ene die ze waarkelijk Mulder neumt, de rest hebt allemaole bijnaemen as Kuuper, Poep en gao mor deur.’ Mevrouw vundt ’t aorig interessant. Ondertussen har ze de bandrecorder al startklaor ‘emeuken en volgde er een niet minder interessant gesprek tussen heur beide ondertied dat de bandrecorder zachies snorde.
Mevrouw was nog niet mit de auto ’t dorp uut, of Haarm strompelde al naor Moessien, die in zien beste kleren en mit de witte boord umme in de kaemer zat te kraante lezen. Haarm klöpte an, wat hij aans nooit dee.
‘Binnen !’ reup Moessien. ‘Middag Hendrik,’ groette Haarm.
‘Dag Haarm. Gao zitten,’ neugde Hendrik niet al te staark. ‘Ee’m,’ zee Haarm. ’t Jonge wat zit ie jö in groot ponticaal en dat op worteldag of kree’j nog volk ?’
‘Ja,’ zee Moessien, ‘ik verwaachte nog hoog bezeuk.’
‘Hoog bezeuk zeg ie ? Borgemeister admit, of de Keuninginne ?’ lachte Haarm.
‘Nee, een mevrouw van de Keuninglijke Academie van Wetenschappen uut Amsterdam.’
‘O die,’ zee Haarm, ‘now ik zul zeggen, dan ku’j ’t aander pakkien wel weer antrekken, waant die is net bij mij ‘ewest.’
‘Bij oe ?’ steuf Moessien op, ‘en ik heb een breef ‘ekreeg’n dat ze ……’
‘Ja,’ suste Haarm, ‘dat begriep ik wel, mor dat zit zo.’ En toen dee Haarm hum precies uut de doken, hoe dat misverstaand ‘ekoom’n was.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
In 2016 is na ruim zestig jaren helaas een einde gekomen aan het mooie Drentschtalige tijdschrift Oeze Volk. Het Drentschtalige tijdschrift Zinnig is met ingang van 1 januari 2017 de opvolger van Oeze Volk.
Het Huus van de Toal is de uitgever van het tijdschrift Zinnig. De redactie heeft toestemming van de redactie van het tijdschrift Zinnig het in Oeze Volk verschenen artikel van wijlen Arend Mulder in het Deevers Archief op te nemen. De redactie is de redactie van Zinnig bijzonder erkentelijk voor deze toestemming.
De redactie heeft het artikel van wijlen Arend Mulder in zijn geheel en zonder een woord te veranderen overgenomen. Dat betekent niet dat de redactie het in zijn geheel eens met de wijze waarop Arend Mulder in het Deeverse dialect schreef. Anders gezegd de redactie is het voor een groot deel niet eens met deze wijze van Deevers schrijven.
Zo is de redactie het met de Deeverse dialectoloog wijlen Anne Mulder uut de Aachterstroate eens om woorden, zoals bijvoorbeeld ‘vraag’ en ‘daar’ niet te schrijven als ‘vraoge’ en ‘daor’, maar als ‘vroage’ en ‘doar’.
De redactie nodigt de bezoeker van het Deevers Archief uit zijn of haar kennis van het Deeverse dialect te tonen met het in het Nederlands vertalen van enige oude woorden uit het artikel: partie, kevot, moessie, admit. Wie het weet, die mag het melden aan de redactie.
De redactie verneemt graag van zijn bezoekers of zij het op prijs stellen een Nederlands vertaling van het artikel van Arend Mulder in dit bericht opgenomen te hebben.
Het pand waarin drogisterij ‘de Gaper’ van Hendrik Mulder was gevestigd, stiet nog steeds an de Heufdstroate noast café Brinkzicht. Hendrik Mulder werd in de volksmond Henduk Moessie of Moessie Peep genoemd. Jan Mulder, de vader van Arend Mulder, werd in de volksmond Jan Boatie genoemd, omdat hij een baardje had. De redactie weet niet of Arend Mulder ook een bijnaam had. Harm (Haarm) en Jaap Mulder woonden in un boerderegie an de Heufdstroate in Deever tegenover de smederij van de gebroeders Kloeze. De gebroeders Mulder werden in de volksmond Gaarke Bakker’s Jongen genoemd.

Posted in Deevers, Dorpsfiguur | Leave a comment

’K hep ’t neet edoane, ’t gebeurde aachter mee’j

Lammert Joustra uit Zuidwolde schreef bijgaand bericht en publiceerde dit in het blad Opraekelen, jaargang 11, nummer 3, september 2004. Opraekelen is het papieren blad van de heemkundige vereniging uut Deever. De redactie van het Deevers Archief heeft toestemming gekregen van Lammert Joustra om zijn berichtjes in het Deevers Archief op te nemen. De redactie is hem daarvoor bijzonder erkentelijk.

Bee’j de scheerboas
Een heel bekend figuur in het dorp Deever was Geert Dekker. Deze man bezat een radio en dat was in de ogen van mijn opa Harm Mulder, mijn oom Hendrik Mulder en mijn oom Jaap Mulder wel heel erg vooruitstrevend.
Geert had de vaste gewoonte om één keer per dag in de kapsalon verslag te doen van het weerbericht van die dag. Hij kwam een keer binnen met het volgende advies: “Ie kunt wel goan heu’n vandaege, want ’t blef dreuge”.
En dat advies werd prompt opgevolgd door de gebroeders Mulder (redactie: in de volksmond werden ze Gaarke Bakker’s jongen genoemd, want de vele Mulders in Deever werden allen onderscheiden met een bijnaam).
Mijn opa en mijn ooms zijn echter nooit overgegaan tot het aanschaffen van een radio: “Nooit van oons lee’m. D’r komp neet zo’n neeierwets ding bee’j oons in huus.”
Mijn oom Hendrik Mulder was ook jager. Wij jongens vonden het leuk om mee te gaan met een drijfjacht. De jagers gingen vaak samen naar het jachtterrein, ze kwamen bij elkaar bij het boerderijtje van mijn opa. Tijdens het wachten op de laatste jager werd iedereen al gespannen. Zelfs de honden, want plotseling riep één van de jagers: “Pas op, ’t hontie mut mieg’n.”, maar het kwaad was al geschied. De hond had zijn achterpoot opgelicht en piste tegen de broek en in de laars van één van de drijvers.
Op het landgoed Berkenheuvel werden ook regelmatig drijfjachten gehouden door heren jagers van buiten de streek. Dat was nog spannender, want wij als drijvers werden ook verwend met worst en brood en snert. Eén van de heren jagers had in al die jaren nog nooit een dier geschoten. Aan het einde van één van die drijfjachten kwam hij echter aan met een fazant, maar voordat iemand commentaar kon geven, zei hij: “Deze fazant kreeg een hartaanval, terwijl ik schoot.”
Geert Dekker meldde op een morgen in de kapsalon dat die avond toch wel iets heel bijzonders op de radio zou komen. “Hé, jonges”, zei Geert, “vanoam’nd koompt Louw ban dij en Wil lij der bij (net zo uitspreken als het er staat) op de radio.” Het ging om een optreden van de artiesten Lou Bandy en Willy Derby op de radio. Die waren in die dagen zeer bekend. Geert kende geen Engels. Hij probeerde wat hij gelezen had zo goed mogelijk te verwoorden.
In Deever was Geert Dekker toch wel heel bekend. Het navolgende werd mij verteld door mijn opa Harm Mulder. Geert Dekker ging als jonge knaap naar de catechisatie in de Hervormde Kerk. Tijdens één van de godsdienstlessen liet Geert een nogal behoorlijk luidruchtige wind. De dominee reageerde direct met: “Nou nou Geert, moet dat zo?” Waarop Geert antwoordde: “Domeneer, ’k hep ’t neet edoane, ’t gebeurde aachter mee’j.”

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
De foto van de 84-jarige Geert Dekker stond in het weekblad De Spiegel van 6 juni 1956.

Posted in Alle Deeversen, Deevers, Dorpsfiguur | Leave a comment

D’r zit weer een dikke schoerkerd aachter de schure

Bijgaand artikeltje is door Lammert Joustra uit Zuidwolde geschreven en gepubliceerd in het blad Opraekelen, jaargang 12, nummer 2, juni 2005. Opraekelen is het papieren blad van de heemkundige vereniging uut Deever. De redactie van het Deevers Archief heeft toestemming gekregen van Lammert Joustra om zijn artikeltje in het Deevers Archief op te nemen. De redactie is hem daarvoor bijzonder erkentelijk. De redactie van het Deevers Archief heeft destijds de inleiding bij het artikeltje geschreven.

Wie denkt het Deevers volledig te beheersen, maar willekeurig een paar bladzijden in het ‘Woordenboek der Drentse dialecten’ leest, komt er zeer snel achter dat op elke bladzijde van dit onmisbare standaardwerk wel enkele woorden staan die hij of zij niet meer gebruikt of die bij hem of haar niet bekend zijn. Dat kan ook het geval zijn met het prachtige woord ‘schoere’ of ‘schoerkerd’. Het gebruik van dit woord is al lang uit de tijd geraakt. Wie heeft meer voorbeelden ? Is het Deevers gedoemd te verdwijnen ?

We waren met een paar jongens en meisjes van zo’n jaar of vijftien op visite bij mijn opa Harm Mulder aan de Hoofdstraat in Diever. Op een gegeven moment riep hij: ‘Verdikkemee, d’r zit weer een dikke schoerkerd aachter de schure.’ We waren nogal onder de indruk van dit alarmerende bericht. We vroegen hem wat dat zou kunnen zijn. ‘Jonges, goa moar ies ee’m hen kiek’n.’, zei hij. We gingen eens poolshoogte nemen, maar we konden niets bijzonders ontdekken achter de schuur en ook niet achter de woning. We vroegen weer aan mijn opa wat dat toch wel mocht wezen, zo’n schoerkerd. We vermoedden dat het een dier moest zijn of iets vreemds dat zich daar verborgen hield. Mijn opa Harm zei toen lachend: ‘Ach jonges, da’s gien biest of zo, moar een dikke onweersbeuie.’

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief
Harm Mulder woonde an de Heufdstroate in Deever in het huis aan de rechterkant van bijgaande kleurenfoto. De redactie heeft deze foto op maandag 3 september 2018 gemaakt.
Zie ook het bericht Gebroeders Harm en Jaap Mulder weten er alles van.

Posted in Deevers, Dorpsfiguur | Leave a comment

Woar was ok a weer ’t Bultie, bin ’t ee’m kwiet

In een gesprek dat de redactie van het Deevers Archief op 9 september 2005 had met wijlen boer in ruste Jans Bult uit Oldendeever, heeft de redactie de volgende reactie vastgelegd. Deze reactie biedt meer inzicht in de voor vele Deeversen bekende plek met de naam ‘t Bultie. Jans Bult reageerde echter toen als volgt.

Toen an de Brink ’t olde gemientehuus is offebreuk’n, hef ’t gemientehuus tiedelijk in ‘n noodgebouw ezeet’n. Het noodgemientehuus stön op een plek die ’t Bultie wödde enuumd. Vanof de boerdereje van Jan de Ruuter in Oldendeever leup ’r een zaandpad hen. Het pad zölf wödde ok altied ’t Bultie enuumd. Ai’j over dat pad leup’m, dan leup ie over ’t Bultie.
We haad’n an dat pad nog een klein akkertie van twee-en-daartig are en dat wödde ok altied ’t Bultie enuumd. Dat akkertie laag woar now, vanof de Kloosterstroate bekeek’n, de eerste dree huuz’n an de Veentiesweg stoat.
Noast oens akkertie laag an de Deeverse kaante een akker van Derk Vording (Dörk Vodding). Die akker wödde ok ’t Bultie enuumd. Een stuk van de Kloosterstroate was dus vrogger ’t Bultie.

Aantekeningen van de redactie van het Deevers Archief

In het Deevers Archief is al heel wat aandacht besteed aan ’t Bultie, beter gezegd de discussie over de ligging van ’t Bultie, Voorgaande in het Deevers weergegeven reactie van wijlen boer Jans Bult uit Oldendeever geeft een duidelijke en positieve bijdrage aan deze discussie.
Deze reactie werd ook gepubliceerd in Opraekelen 05/4 (december 2005). Opraekelen is het blad van de heemkundige vereniging uut Deever. 

In het noodgebouw aan de Kloosterstroate, dat op deze uit 1964 daterende kleurenfoto is te zien, werd toen nog les gegeven aan leerlingen van de U.L.O.-school. Het noodgebouw stond dus niet op ’t Bultie, maar een flink eind naast ’t Bultie.
Boven het gammele houten gebouw (met gevaarlijke asbesthoudende dakplaten ?) is nog net een stukje van de spits van de gemeentelijke toren An de brink van Deever te zien.
Aan de linkerkant is niet helemaal scherp het voorhuis van de boerderij van Hendrik Mulder Jzn, en Jantje Wesseling te zien.

De heer Wobke Vermaat reageerde op 13 oktober 2016 als volgt.
In 1963 zat ik in het witte noodgebouw op de U.L.O. We hadden daar ook schaakles.
Ik ben opgegroeid (familie Vermaat) in één van de dubbele woningen in de Kloosterstraat.
(redactie: De vader van Wobke Vermaat was leraar aan deze U.L.O.-school; de familie Vermaat woonde op nummer 18 in de Kloosterstraat, de door hem bedoelde dubbele woning is in 2014 afgebroken.

Abracadabra-417

Posted in Bultie, Deever, Deevers, Kloosterstroate, Opraekelen, U.L.O.-skoele | Leave a comment

Eup’mlochtspul mit de titel Keuning van de Vlakte

In 1954 wödde in ut theater in de eup’m locht in de bos bee’j de Shakespearebrink (vrogger de Bolderbrink) in ut Grünedal ut eup’mlochtspul mit de titel ‘Keuning van de Vlakte’ van Sjakie uut Spier opuvoerd.
De redactie van ut Deevers Archief hef hiel lange eseugt noar de betiekenis van ‘King Lear’.Want wat was ut geval. Lear is gien Engelse veurnème, mor is un Duutse veurnème van un jonge, ut betiekent ‘van de Vlakte’, dus ‘King Lear’ betiekent ‘Keuning van de Vlakte’.
Mor hoe meuk’n se in die tied reclame veur ut nog neet so bekende eup’mlochtspul ? De tonielvurening uut Deever swömde toe nog ee’m neet in ut geld en haar dus nog gien geld veur düre reclame. Ur was in die tied gelokkug nog gien internet.
Woar se wel wat reclame mit meak’n, dat was mit kleine plakplèties. In 1954 was dat un blauw platplètie, kiek mor noar ut plètie in dit bericht. Ie könn’n an de aachterkaante van ut plètie likk’n, net as bee’j un postzegel, en dan ut plètie an un lantièrnpoal of op un deure of op een roete plakk’n. Ut plakplètie was ien van de eerste oprispings van de beruchte Deeverse Shakespearitis.
Let op: An de toeter van de keerl op ut pièrd op ut plètie hangt un vlaggie mit ut woap’m van de gemiente Deever.
Let op: Ut huus mit adres Heufdstroate 4 was de gratis gemientewoning veur de burgemeister. Ie könn’n doar anbell’n en dan gaaf Jan Cornelis Meiboom (die altied ome Kees wödde enuumt) of sien frau Nell Veldmann (die altied tante Nel wödde enuumt) uutleg an de deure.
In 1954 kwaa’m hoast alle speulers en hoast alle mitwaarkers gelokkug nog uut de gemiente Deever. Dat kö’j sien op de lieste in ut tweede plètie in dit bericht. Disse lieste steet in ut standaardwaark ‘Openluchtspel Diever – Medewerkers 1946-1970′ van de Tonielvurening Deever. Dit standaardwaark kö’j vien’n in ut Drentsch Archief in Assen.
De redactie van ut Deevers Archief wet nog neet of Frans Amesz, E. Waldus en W. Schaasma ok uut Deever kwaa’m. Wie kan de redactie wat verder help’m ?
De redactie wet agin neet van alle meins’n op de lieste wie is overleed’n of wie nog leeft. Wie kan de redactie doar wat verder in help’m ?

Albertus Andreae, hoofd openbare lagere school Deever, geboren op 18-03-1908, overleden op 27-03-1988.
Frans Amesz;
R. Siems;
Minne Pieter de Raaf, dameskapper, geboren op 19-03-1924, overleden op 18-04-1992;
Pieter Zijlstra, hoofd van de ULO-skoele in Deever;
Pieter Boelens; geboren op …. , overleden op 06-04-2009 in Meppel;
J.G. Bakker;
Otte Franke van Elselo, commies, geboren op 03-04-1908 in Hindeloopen, overleden op 11-09-1987 in Bergum;
A.H. van den Bosch;
Marry Bijker;
Sietske Hatzmann;
E. Waldus;
Jan Oostenbrink, geboren op 5-2-1913 an de Deeverbrogge, overleden op 11-9-1979 in Deever, timmerman;
Hendrik Broer, hoofd van de Wittelter skoele;
R. Bijker;
Jan Jurjen de Boer, gemeentearbeider, geboren op 30 oktober 1907, overleden op 24 oktober 1992;
Albert Davids;
Wouter A… Meyboom, geboren op …., overleden op 30 oktober 2015 in Dedemsvaart;
A.T. Andreae;
A.G. Pril;
A.D.M. van der Eijk-Gouda, vrouw van de veearts, geboren op ….,  overleden op ….
Engel A. Broer-van Delden;
Jantien (Jantina) Figeland, geboren op 13-09-1928 in Meppel, overleden op 20-12-2016 in Lochem;
Catharina Kannegieter;
Willie Zoer;
Jansje Zoer;
Hennie Nijzingh;
Alie Smit;
Elsebé Meyboom;
Bertha Kamp;
Nicolaas Houwer;
Wolter Folkerts;
Hendrikus Noorman;
Hendrik Jan Warries;
Hilbert Houwer;
Albert Wanningen, geboren op 07-03-1937, overleden op 01-12-1964, boer
Frederik (Freek) Klok;
Johannes van Nijen;
Chr. J. Klok;
L. Houwer;
W. Grit.

Posted in Alle Deeversen, Deevers, Eup’mlogtspel, Shakespearitis | Leave a comment

Oens Dreins gepraot dat nog lang hier zal blieven

Ik was aangenaam verrast toen ik – al weer heel wat jaren geleden – bij een transactie met Roelof Boer, garagehouder aan het Moleneinde (Katteneinde) in Deever, de fraaie bundel ‘Wat was en was is’, geschreven door zijn vader Harm Boer, cadeau kreeg.
Deze bundel met nagelaten werk van schrijver en dichter Harm Boer is samengesteld door Meine Hoekstra in samenwerking met de kinderen van Harm Boer en werd in oktober 1999 uitgegeven door Reclamebureau Drokwark uut Dwingel.
De bundel ‘Wat was en wat is’ is verschenen na het overlijden van schrijver en dichter Harm Boer op 1 april 1995.
Ik publiceer hier – met toestemming van de familie Boer – het gedicht ‘Dialect’, waarin Harm Boer op prachtige zacht humoristische wijze beschrijft hoe hij het dialect van Lhee met name van zijn moeder (mow’s toal) leerde en hoe gehecht hij was aan het Dreins.
De tekst van het gedicht heb ik letterlijk overgenomen uit de bundel, aan de spelling van de woorden heb ik niet getornd en daarom heb ik  geen ‘verbeteringen’ in de spelling aangebracht.
Ik stel de organisatoren van de activiteit ‘Verdieverderen um de stamtoafel’ ten stelligste voor in een volgende bijeenkomst aandacht te besteden aan het Dreinse en zo mogelijk ook Deeverse gedicht.
Wellicht is in Deever of in een omliggend dorp een huiseigenaar te vinden die op een kale en saaie muur het fraaie gedicht Dialect wil laten schilderen. Wat te denken van het benutten van het grijze muurvlak links naast de ingang van de cultuurstimulerende Rabobank an de Peperstroate in Deever ? Zie de bijgevoegde kleurenfoto, die de redactie van het Deevers Archief op 26 april 2018 heeft gemaakt. De voorbijganger kan dan na het lezen van het gedicht van Harm Boer even op het Rabobankbankje gaan zitten en dan rustig zijn gedachten laten gaan over het nut van het behoud van het Deeverse dialect. Hoe het was en hoe het zal zijn.

Dialect
’t Hung in de ruumte
waor ik lag
vanof de eerste dag.
Bij alles wat ik
heb edrunken
hebt lieve woordties
klunken
en elke luier
voel of nat
gung zachies praotend
van mien gat.
Toen ik kreup
kreup ik te wied
en toen ik leup
hetzelfde lied.
Uut angst dat ik verzeup
was het moeder
die mij reup
maor ieder woord
dat spreuken weur
had in zien spraok
dezelde kleur
herkenbaor veur het volk
en veur de streek
gienien die
daorvan week.
En daorum onder het proaten
onder het schrieven
hol ik vaaste:
Oens Dreins gepraot
dat lang nog
hier zal blieven.

Abracadabra-1497

Posted in Aarfgood, Cultuur, Deevers, Dorpskracht | Leave a comment