Wallegies en sloties van de Witteler Wière

In de Nieuwe Drentse Volksalmanak 1907, uitgegeven door de Commissie van Bestuur over het Provinciaal Museum van Oudheden in Drente, is op de bladzijden 34 tot en met 51 het artikel ‘De Wittelter Schans’ van Hendrik Gerard van Os, burgemeester van de gemiente Deever, opgenomen. De redactie van ut Deevers Archief toont hier enkel een afbeelding van de bladzijden 34, 35, 36 en 37 en een schets van de situatie ter plekke van die ene Wittelter schans, waarin Hendrik Gerard van Os, burgemeester van de gemiente Deever, de toestand ter plekke van die ene Wittelter schans vergelijkt met de toestand ter plekke van die ene Wittelter schans, zoals dr. L.J.F. Janssen die in 1847 heeft beschreven in zijn boek ‘Drenthsche Oudheden’. Leonardus Jan Frederik Jansen was Lit. Doctor en Conservator bij het Museum van Oudheden in Leiden. De tekst op de bladzijden 35, 35, 36 en 37 van het artikel van Hendrik Gerard van Os is hierna weergegeven. De zeer gewaardeerde bezoeker van ut Deevers Archief en hopelijk zeer geïnteresseerde in de Deeverse oudheidkunde wordt voor het lezen van het volledige artikel verwezen naar de Nieuwe Drentse Volksalmanak 1907. 

De Wittelter Schans
In het Wittelterveld (gemeente Diever), tusschen het gehucht Wittelte en de buurtschap ’t Moer, bevinden zich verschillende wallen en grachten, blijkbaar door menschenhanden aangelegd, welke onderling verbonden zijn en daardoor den indruk wekken dat ze bij elkander behooren en tot een gemeenschappelijk doel hebben gediend. Tot dusver echter liggen de oorsprong en de bestemming van het werk in het duister.
Reeds vele jaren geleden heeft deze plek de aandacht getrokken van oudheidkundigen, die wel hunne veronderstellingen daaromtrent hebben neergeschreven, doch niet tot een beslist resultaat zijn gekomen. Zij schijnen evenwel eenstemmig de meening te zijn toegedaan, dat men hier heeft een gedenkteeken der oudheid, behoorende tot de met wildgraven of landweeren verbonden schansen.
Intusschen maakt ons deze indeeling niet veel wijzer, want men heeft de benaming schans niet op te vatten in de meest gangbare en in dien zin tamelijk begrensde beteekenis van het woord, maar in de meer algemeene beteekenis welke in de oudheidkunde daaraan gehecht wordt, n.l. van een aardhoogte door menschenhanden opgeworpen en door een of meer droge grachten omringd, zonder dat daarbij bepaald aan een krijgskundige bestemming behoeft gedacht te worden. Wildgraven of noemt men de wallen met droge grachten, die in velerlei vorm uit vroegere eeuwen bewaard zijn gebleven.
In 1847 heeft dr. L. J. F. Janssen deze schans bezocht en vrij uitvoerig beschreven in zijn het volgend jaar uitgekomen werk ‘Drentsche Oudheden’. In deze beschrijving komen echter eenige onjuistheden voor ten opzichte van de windstreken waarschijnlijk een gevolg van de omstandigheid dat het bezoek bij schemeravond plaats vond en slechts van korten duur was. Ik laat hier de beschrijving volgen, zooals ze op pagina’s 128 en 129 van genoemd werk voorkomt en voeg tusschen haakjes daarbij de resultaten eener onlangs door mij verrichte opmeting, waaruit men zou kunnen opmaken, dat – indien althans niet ook in dit opzicht de opneming door dr. Janssen wat al te vluchtig is geweest – de schans c.a. door vergravingen is geschonden:
Deze schans is nagenoeg rond, doch van boven plat (men ziet thans boven in den heuvel een vrij diepe ingraving, het werk van schatgravers), heeft 15 ellen middellijn en 3 tot 4 ellen hoogte. Zij is omgeven van eene drooge gracht van 2 ellen breedte; daarna volgt een wal van 3 ellen breedte en 2 tot 3 ellen hoogte, hierop weder eene drooge gracht van 2 ellen breedte en eindelijk een laag walletje. (ik vond voor de breedte der grachten gemiddeld 3 meter, voor die der beide wallen gemiddeld 5 meter; het verschil zal wel zijn oorzaak vinden in het sehuin beloop der wallen.) De eerste wal en de tweede gracht (volgens mijne meening, waarover later, de tweede gracht en de tweede of buitenste wal) verlengen zich zuidwaarts (lees: noordwest- en verder noordwaarts) tot eene uitgestrektheid van meer dan 350 ellen (thans volgens opmeting circa 300 meter, op enkele plaatsen onderbroken door een veldweg; tot circa 200 meter is de wal op maaiveldshoogte 6 meter, de gracht 3 meter breed, de overige 100 meter wal en gracht elk circa 3 meter, terwijl op dit laatste gedeelte de wal ook veel lager is); dit doen zij ook noordwaarts (lees; zuidoostwaarts), doch daar slechts eenige ellen ver, terwijl 40 ellen ten noorden (lees: ten zuidoosten), doch geheel in dezelfde richting als de daar verlengde wal en gracht, nog een wal gelegen is van 50 ellen (57½ meter) lengte, die aan zijne oostzijde (lees: zuidzijde) ook eene gracht heeft. Vermoedelijk is deze noordelijke (lees: zuidoostelijke) wal eertijds evenzeer met de schans vereenigd geweest als het thans de zuidelijke (lees: noordwestelijke) nog is; hij is misschien door den ouden weg van Diever op Steenwijk geschonden geworden. Opmerkelijk is bij deze schans nog, dat er nergens een in- of opgang te vinden is, en dat de eerste wal, tegenover de oostzijde der schans, veel breeder is dan de wal, die de overige zijden omgeeft; deze heeft n.l. de breedte van 8 ellen. Deze schans, als zeer weinig geschonden zijnde, verdient een nauwkeurig onderzoek, vergezeld van opgravingen en teekeningen. Dewijl zij eenzaam is gelegen, zich rondom enkel heide bevindt en in de nabijheid niets te ontdekken is wat te verdedigen valt, zij bovendien ook zeer gemakkelijk kan beklommen worden, zal er bezwaarlijk eene krygskundige bestemming aan kunnen worden toegeschreven;
ten ware men stelde, dat er de tent van een veldheer opgestaan, die van deze hoogte althans een verspiedend uitzigt zou gehad hebben. Opgravingen zouden omtrent de bestemming misschien opheldering geven.
Voor zoover ik kon nagaan, is de verbinding van heuvel en wildgraaf anders geweest dan dr. Janssen vermeldt. Immers volgens bijgaand schetskaartje, dat den tegenwoordigen toestand weergeeft, zijn de gracht en de wal van den wildgraaf verbonden respectievelijk met de buitenste gracht en wal om den heuvel en hebben ze zich aan de andere zijde van den heuvel op dezelfde wijze voortgezet tot over den Ruiterdijk. Dat de toestand ook vroeger zoo zal zijn geweest, mag men afleiden uit de omstandigheid, dat de buitenste wal om den heuvel bij het verbindingspunt dezelfde breedte en hoogte heeft als de wal van den wildgraaf en eerst geleidelijk smaller en lager wordt. Trouwens, waar de eerste wal om den heuvel door de tweede gracht geheel is omringd, kan die wal bezwaarlijk met een anderen wal verbonden zijn geweest.
Aan de zuidoostzijde van den heuvel is de verbinding, zooals ik mij voorstel dat ze vroeger geweest is, niet meer aanwezig, doch ik meen dat hiervan ook een verklaringkan worden gegeven. Het komt mij n.l. voor, dat in lateren tijd de gracht van den wildgraaf dwars door de schans is gegraven, met het doel, het water uit een in de nabijheid gelegen turfveentje langs de bestaande gracht (waarmee het door een nog aanwezig slootje verbonden is geweest) en verder langs een bermsloot van den Ruiterdijk …………………….

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
Oudheidkundigen tasten wat betreft de oorsprong en het doel van de Witteler Wière volledig in het diepzwarte aardeduister. Zij veronderstellen dat mensen de niet meer aanwezige wallen en sloten bij het Holleveen en de Ruiterdijk in het Wittelerveld hebben aangelegd. De wallen en sloten waren onderling verbonden en leken daardoor bij elkaar te horen. Zij veronderstellen dat de wallen en sloten behoren tot met wildwallen of landweren verbonden schansen.
Wellicht was het de bedoeling van de boeren van de marke van Wittelte de gewassen op de bouwakkers op de Westeresch tegen hordes oprukkend wild uit het Wittelter Veld 
te beschermen met een sloot en een wildwal begroeid met een dicht gesloten struweel. Misschien hebben de Wittelter boeren zich wel laten inspireren door de Friese landweer op de grens van de gemiente Deever en de gemeente Ooststellingwerf op Woater’n ?
De hoogdoorgestudeerde heer Leonardus Jan Frederik Jansen heeft de Witteler Wildwal met dat ene merkwaardige onverklaarbare schansje (was het wel een schansje ?) in 1847 goed zichtbaar gezien in de heidevelden van het Wittelter Veld. Ook de edelachtbare heer burgemeester Hendrik Gerard van Os heeft de Wittelter Wildwal met dat ene merkwaardige onverklaarbare schansje (was het wel een schansje ?) nog goed zichtbaar gezien in de heidevelden van het Wittelter Veld. Zie zijn bijgevoegde schets uit 1906.
De Wittelter Wildwal met dat ene merkwaardige onverklaarbare schansje (was het wel een schansje ?) is door ontginningen van de heide en stevig doorploegende en noest doorwerkende en ruilverkavelende Wittelter boeren weggevaagd. Weggevaagd ? Toch niet helemaal, want vanuit de ruimte zijn de contouren van de sloten en de met grond uit de sloten opgeworpen wildwallen en dat ene merkwaardige onverklaarbare schansje (was het wel een schansje ?) wel degelijk zichbaar. Zie de bijgevoegde satelietfoto uit 2019 van het gebied, met linksboven het Holleveen en rechts de Ruiterdijk.
Hebben de hoogdoorgestudeerde heer Leonardus Jan Frederik Jansen en de edelachtbare heer burgemeester Hendrik Gerard van Os destijds toch wel een behoorlijk beetje lopen te slapen op de Wittelter heide ? Want op de satelietfoto zijn aan de rechterkant van de Ruiterdijk, dus rechtsboven op de satelietfoto ook contouren van sloten en wallen te onderscheiden, die op de grens van de Westeresch liggen.
De redactie vraagt zich tot op de dag van vandaag af waarom het stuk weg tussen het Noordsweggie en de Wapserveenseweg nog steeds geen Ruiterdijk heet, temeer nu aan deze weg een paardenspul staat. De echte oude Steenwijkerweg boog gezien vanuit de kant van Oll’ndeever bij het Noordsweggie rechtsaf richting Wapserveen. Die cultuurhistorisch zeer waardevolle zandweg moest bij de ruilverkaveling om volstrekt onduidelijke redenen sneuvelen. De weg tussen het Noordsweggie en de Wapserveenseweg heette tot in 1986 nog Ruiterweg, in ut Deevers dus Ruterweg. Stuit het teruggeven van de echte naam aan een stukje weg tussen het Noordsweggie en de Wapserveenseweg op onwillige Minder Hoge Dametjes en Heertjes Van De Voorkant Van Het Grote Straatnamen Gelijk Van De Gemeente Westenveld ? Ervaren de Minder Hoge Dametjes en Heertjes Van De Voorkant Van Het Grote Straatnamen Gelijk Van De Gemeente Westenveld Stuit het teruggeven van de echte naam aan een stukje weg tussen het Noordsweggie en de Wapserveenseweg als een nederlaag ? 


This entry was posted in Oudheidkunde, Wittelte. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *