Mijn dagen als nieuwe pees zal ik niet gauw vergeten

De redactie van het Deevers Archief ontving op 23 maart 2016 van de heer Rob Tijssen het volgende uitgebreide verhaal over zijn jaar in het jongenskamp ‘de Eikenhorst’ an de Gowe.

Ik ben Rob Tijssen en ik ben geboren op 19 april 1950 in Nieuwer-Amstel. Mijn verhaal over het jongensinternaat ‘de Eikenhorst’ bestrijkt de periode 3 september 1962 tot 18 juli 1963.
Ik ben na mijn lagere schooltijd naar het jeugdinternaat ‘de Eikenhorst’ gestuurd. De redenen en de juiste motivatie daarvoor zijn mij nooit verteld en zeker niet uitgelegd.
Ik was niet een van de gemakkelijkste. Ik had een hekel aan leugens en ik had ook een groot rechtvaardigheid gevoel. Iets wat mij vaak in conflictsituaties bracht, die ik dan vaak met losse handjes oploste.
Mijn ouders hebben mij op mijn twaalfde weggebracht naar het verre Geeuwenbrug in Drenthe. Mijn vader mocht daarvoor de bedrijfswagen van zijn werkgever L.J. Kramer gebruiken, een Fiat.
Op maandag 3 september 1962 gingen wij op pad met een koffer met kleding, waar door mijn moeder speciaal besteld, een geborduurd naam- en nummerstrookje was ingenaaid (het wasnummer). Ik had nummer 38, voor zover ik mij kan herinneren. Dit gebeurde aan de hand van een lijst die mijn ouders was toegezonden. Hierop stond ook precies welke kleding ik bij mij moest hebben. Verders wat persoonlijke dingen, zoals een foto en dergelijke.
Na ongeveer 2,5 uur rijden arriveerden wij na enig zoeken en vragen bij het internaat, wat je van de rijksweg af niet zag liggen. We vroegen de weg bij café Jonkers tegenover de Geeuwenbrug. Over een zandpad langs het café kwamen we bij de ingang van het internaat en stopten voor -wat later bleek- de stafbarak.
Wij hadden in het jongenskamp veel meer reuring verwacht, maar het was uitgestorven. We zagen niemand. We hoorden na het uitstappen een typemachine, dus er was wel iemand. Na op het geluid af te zijn gegaan, maakten we kennis met de heer Schievink, de administrateur van het internaat. Hij vertelde ons dat niemand aanwezig was en dat de jongens die middag terug zouden komen van hun verlof. Eens in de zes tot acht weken kreeg je verlof. Dit was onder andere afhankelijk van hoe het uitkwam met de feestdagen, zoals Kerstmis en Pasen. De heer Schieving stuurde ons letterlijk en figuurlijk het bos in met het verzoek later die middag terug te komen.
Nadat we de omgeving hadden verkend en foto’s hadden genomen, gingen wij terug naar het internaat.
Ik was ingedeeld in de groep ‘Klondike’. Ik bracht mijn spullen naar de barak en zette die op het aan mij toegewezen bed. We sliepen met ongeveer zestien jongens op een zaal. Naast een bed stond een kast voor het opbergen van eigen spullen en kleding. Deze plek heb ik gedurende mijn periode daar gehouden.
Later die dag werd mij een oudere jongen toegewezen, die mij uitlegde hoe ik mijn kast moest inrichten en indelen en gaande weg uitlegde wat de regels waren en waar ik me aan moest houden. Ook heeft die jongen mij geholpen mijn bed op te maken, wat heel strak volgens militair voorschrift moest gebeuren. Bij een inspectie of zo, je stond dan voor jouw bed, werden jouw gepoetste kistjes (kleine maat militaire schoenen) en jouw kast geïnspecteerd. De liniaal werd langs jouw stapeltje kleding gelegd, Als jouw bed niet in orde was, dan kreeg je een berisping en werd het bed door de leider afgehaald en kon je opnieuw beginnen. Mijn leider was in die periode Harry Peek uit Breukelen. Soms trok hij ook zo jouw hele kast leeg op de grond als hij vond dat je te vaak een loopje met hem nam, en niet alles erin lag, zoals het volgens de regels moest.
Abracadabra-1280

Mijn eerste dagen als nieuwe pees -dit was de bijnaam voor een nieuwkomer- zal ik niet gauw vergeten. Vooral de jongens die al langere tijd in het kamp waren, voelden zich heel wat. Maar met mijn vechtersmentaliteit (letterlijk en figuurlijk) had ik al snel mijn draai gevonden.
De dag na mijn aankomst moest ik naar de foerier, de heer de Vries, om mijn kistjes, overall, sportkleding en verdere kampuitrusting te halen. Bij hem kwam je ook één keer per week om het zakgeld -ik meen f. 0,50- op te halen. Hij had ook een ruimte, waar we wat snoepgoed konden kopen, dat met het zakgeld werd verrekend. Ik weet niet meer of je de rest van je centen dan mee kreeg of dat het werd opgeschreven.
Na een soort test -meen ik- werd ik voor onderwijs ingedeeld in groep C en kreeg les in O II (zie de tekening van de plattegrond), wat voor mij inhield V.G.L.O. (Voortgezet Lager Onderwijs). We kregen les van van mijnheer Bergsma. Mijnheer Sjoerd Schokker gaf les in O I aan de -wat leren betreft- wat mindere broeders. We kregen sportles van mijnheer Bosman, die trompet speelde. Handenarbeid kregen we van mijnheer Besselink.
In de naschoolse tijd was je op je groepsleider aangewezen voor vermaak en dergelijke of je had corvee. Je had vaak ook wel tijd voor jezelf, maar je mocht alleen niet van het terrein af. Ik ging vaak naar wat wij het ‘Zandje’ noemde. Daar stond een schommel en daar was een klimboom.
In het weekeinde werd een programma gedaan met ’s zaterdagmorgen corvee, waarbij eenmaal in de vier weken jouw groep iemand naar de eetzaal moest sturen om die te reinigen en de vloer daar in de boenwas (bruine drab uit een groot blik) te zetten met een blokker. Dat was een zwaar metalen blok met een steel en met daaronder een borstel. De anderen van jouw groep maakten dan de slaapzaal, de gemeenschappelijke ruimte, het halletje, de wasruimte en de toiletten van de groep schoon. Hierbij kreeg iedereen een taak toegewezen. Als je dacht dat je het corvee goed had uitgevoerd, dan meldde je je bij de groepsleider en als deze vond dat je het goed had gedaan, dan kreeg je tot de lunch vrij. Regelmatig kreeg ook wel iemand strafcorvee. In de middag maakten we vaak een boswandeling of deden we een spel in het bos, meestal wel iets sportiefs. Soms organiseerde de groepsleider ’s avonds iets met een toneelstukje of zingen in jouw eigen groep of een spelletjesavond. In de winter werd dan die grote zwarte oliekachel aangestoken, als die al bij de gratie Gods mocht branden. Ook was meestal op zondag gelegenheid (lees verplicht) om een briefje naar huis te sturen. Die werd gecensureerd. De envelop mocht je niet dicht plakken. Dit gebeurde nadat de kerkgangers terug waren van hun kerkbezoek, iets wat de meesten van hen als een uitje zagen. Wat we dan ook wel deden en georganiseerd door de groepsleiders, was op het voetbalveld tegen een ander groep voetballen. Soms kregen we vrijaf en mochten we wat voor ons zelf doen.
In die tijd was mijnheer Verdonk de leider van de groep Perú. Hij trok volgens mij ook veel op met mijnheer Peek, want soms trokken die groepen wel eens met elkaar op.
Zo ook was jouw groep regelmatig verantwoordelijk om de tafels in de eetzaal te dekken of na het eten af te ruimen en de afwas te doen. Vele handen maken licht werk.
Elke week was een jongen of waren twee jongens -dat weet ik niet meer- koksmaatje. Een koksmaatje moest de kok helpen in de keuken. Als ik me goed herinner heette de kok Westerhof. Ik zie me daar nog zitten met die teil met aardappelen, die gepit moesten worden voor ongeveer zeventig personen, want de leiders aten ook mee. Zo ook de adjudant mijnheer van Tilburg, die ons dan om stilte vroeg, om hen die wilden bidden de gelegenheid te geven dit te doen. Ouders die op bezoek kwamen bij hun kind aten ook wel een enkele keer mee.
Een doordeweekse dag begon om ongeveer 7.30 uur met opstaan en wassen en na het aankleden bed opmaken, waarna de inspectie werd gehouden met aantreden voor het bed of voor de barak waar je een en ander werd medegedeeld en de opdrachten voor die dag werden verdeeld. Dan rechtsom in colonne naar de appelplaats waar we stonden opgesteld. Het appel werd afgenomen door de adjudant, waarna de vlag werd gehesen. Na deze ceremonie gingen we in colonne terug naar onze barak, waar we wachten tot de bel werd geluid, waardoor we wisten dat we konden gaan ontbijten. Het kan ook zijn dat het appel na het ontbijt plaats vond, dat weet ik niet meer.
Na het eten gingen we terug naar de barak en wachtten op de bel om naar ons leslokaal te gaan. Rond het middaguur gingen die jongens met een taak (corvee) die vervullen. De rest ging terug naar zijn barak om te wachten op de bel, waarna we warm gingen eten. Op donderdag -vaste prik- kregen we lever als vlees. Ik kon lever niet door mijn strot krijgen.
Na het warme eten gingen we weer naar de barak, waar je even tijd had v oor jezelf of waar je corvee ging doen, zoals je was opgedragen. Na de bel gingen we weer naar ons klaslokaal tot 15.30 uur, daarna had je wat vrije tijd voor jezelf of om met een vriendje uit jouw groep iets te ondernemen op het kampterrein.
Als de bel luidde gingen we eten of hadden we eerst appel met de vlaggenceremonie (strijken van de vlag), dat weet ik niet meer, waarna we -als iedereen zijn corvee en dergelijke had gedaan- nog even wat buiten gingen doen of gezamenlijk in de groep, dat was ook afhankelijk van het weer. Om 20.00 uur moesten we ons wassen, onze tanden poetsen en dan naar bed. Om 20.30 uur ging het licht uit en dan moest iedereen stil zijn. Als je dat niet was, dan moest je in jouw nachtkleding in het halletje staan bij de kamer van de leider, soms wel een uur en geloof me je kreeg het dan eigenlijk wel koud. Ik weet ook nog dat een keer een jongen buiten voor de barak moest staan, nou dat was helemaal geen lolletje.
Als we terug kwamen van een verlof, dan hield de kok daar zeker de eerste dagen rekening mee, dan was er wat minder te eten, omdat iedereen wel snoep en snaaiwerk mee van huis had gekregen van oma en van moeder, die je dat dan wat toestopten.
Maar toen wij in januari 1963 terugkwamen van verlof, had zowat niemand wat te snaaien, want thuis was ook alles nodig om die strenge winter te overleven. Na een paar dagen ging het fout en lagen we met honger in bed en konden we in de onverwarmde slaapzaal niet in slaap komen. Twee Rotterdammers gingen er toen op uit en zijn door het kolenhok de keuken in gegaan en hebben daar een paar rode kolen gestolen, die we rauw in bed hebben verorberd. Dat gaf de volgende dag bij de warme maaltijd de nodige consternatie, we werden toegesproken door de adjudant, maar het had wel tot gevolg dat we wel weer genoeg te eten kregen. Volgens mij was alles financieel strak geregeld om binnen een budget te blijven en werd de kachel daardoor ook minimaal gestookt.
Mijn oma overleed, toen ik net enige weken in het kamp zat. We noemde het internaat in die tijd ‘het kamp’. De Drent noemde ons kampjongens. In het Drents kaampjong’n. Ik moest tussen de middag naar het kantoortje van de adjudant in de stafbarak en kreeg daar plompverloren te horen dat mijn oma was overleden. Ik kon weer gaan met al mijn verdriet. Ik werd door mijn groepsleider, die het ook gehoord had, enigszins opgevangen, Aan hem vertelde ik dat ik minstens naar de begrafenis wilde en dat de adjudant dat bij voorbaat al had geweigerd. Harry Peek reed motor en zei tegen mij dat we desnoods samen op zijn motor naar Aalsmeer zouden gaan, maar dat ik daar zou zijn. Op stafniveau is daar toen over gesproken, waarna ik bij uitzondering de nodige reisbescheiden kreeg op kosten van het internaat. De dag vóór de begrafenis heeft Harry Peek mij op zijn motor naar het station in Meppel gebracht.
Een ander voorval was, toen op het avondappel een jongen ontbrak. Hij was weggelopen om een of andere reden. De commandant, de heer Sanderman, is met zijn auto (een van de eerste DAFjes van het type 33, de trutteschudder) achter hem aangegaan en heeft de jongen teruggebracht. Deze jongen is daarna flink bestraft en was een paar weken later met groot verlof, maar was waarschijnlijk naar een ander internaat gestuurd. Als je na ongeveer 1 jaar naar huis ging, dan noemden wij dat je met groot verlof ging.
Er waren soms wel leiders, die niet capabel waren om leiding te geven en je dan maar een klap of meerdere klappen gaven. Gelukkig is mij dat nooit overkomen, want ik vermoed dat het kampterrein dan te klein was geweest.
Sjoerd Schokker woonde volgens mij een paar huizen verwijderd van café Jonkers. Hij reed in een bestelwagen Citroën 2 CV (Lelijke eend).
Verders herinner ik mij nog wel wat namen van jongens uit de groep Klondike. Maar de bezetting van de groep veranderde telkens weer. Jan Schipper uit Den Bosch (hij wilde graag bokser worden), Ben Vermeulen uit Duivendrecht, Hans Hurk uit Eindhoven, Charles Tisserand uit Amsterdam, Frits Riemers, Tjang Jhen Chao uit Arnhem, Sier Koning, Cor Broertjes uit Amsterdam.
Ook was er een tuinman en klusjesman, de heer Winters, waar je ook wel heen werd gestuurd als je strafcorvee had. Dan moest je hem helpen. Ik vond dat eigenlijk niet eens zo erg en vond het wel een aardige man. De heer Winters woonde met zijn gezin buiten het kamp aan het zandweggetje dat langs café Jonkers liep op ongeveer 150 meter achter Café Jonkers. Zijn vrouw deed wat verstel- en reparati werk aan kapotte kleding, zoals sokken stoppen en knopen aanzetten.
Eind januari begin februari was ik erg ziek en lag in de ziekenboeg in de stafbarak tegenover de kamer van Veronika Jong, de leidster van groep Alaska. De andere kamer grenzend aan haar kamer was die van Tineke de Graaf, tegenover de ziekendienst waar je s’ avonds terecht kon voor een pleister, aspirientje of wat levertraanzalf als je schrale lippen had. Maar dat even terzijde. Ze durfden mij in eerste instantie niet te vervoeren, omdat ik spontaan bewusteloos was geraakt en ik ben daar volgens mij door dokter Broekema uit Diever behandeld, die dat deed in overleg met het ziekenhuis in Meppel. Deze huisarts kwam mij dagelijks op zijn motor met zijspan vanuit Diever bezoeken. De kok kookte voor mij toen speciaal licht verteerbaar voedsel bestaande uit droge rijst met jam.
Als je jarig was, dan had je een dag vrij en mocht je met een vriendje op de fiets in de omgeving rondtoeren. Op mijn verjaardag ben ik samen met Charles naar mijnheer Winters geweest om een fiets op te halen. We gingen om 10.00 met een lunchpakketje op stap. Over het zandpad langs camping Ellert en Brammert en langs het hunebed naar Diever, waar eigenlijk niets te beleven viel en we al gauw waren uitgekeken. We waren daar compleet vreemd en ook werden we herkend als kaampjong’n. Toen zijn we maar naar Dwingeloo gegaan en hebben het dorp verkend en over de Brink gelopen. Ergens op een van de binnenwegen hebben we ons lunchpakketje genuttigd en we zijn toen via een omweg terug gefietst naar Geeuwenbrug. We waren om 15.00 uur terug in het kamp, waar we overgingen tot de orde van de dag.
Verder heb ik nog wel prettige herinnering aan een vakantie op de fiets naar Giethoorn van 15 juni tot en met 19 juni 1963, zie ook de kopie van het logboek, We deden een piratenspel met geheimschrift en een schatkaart  Het spel was bedacht door mijnheer Besselink. We begonnen het spel al een week voordat we naar Giethoorn gingen. We konden met corvee en sport nepgeld verdienen, dat bestond uit glad gestreken zilverpapier van bonbon snoepjes, zilverpapier uit een pakje sigaretten en dergelijke. Als je genoeg geld had, dan kon je de schatkaart kopen of een deel van de brief, die uiteraard in geheimschrift was geschreven. In Giethoorn sliepen we in tenten en hadden we een paar punters tot onze beschikking. De eerste nacht stormde het en vielen er stortbuien. Tenten storten in, Nadat we de tenten in de regen met zelfgemaakte haringen weer hadden opgezet, bleken deze zo lek als een mandje te zijn, want het waren enkeldoeks tentjes. Maar dat mocht de pret niet drukken. Het spel op zich was hartstikke leuk en goed bedacht door de leiding, Volgens mij kookten we zelf en was onze groepsleidster juf Tineke de Graaf ook aanwezig.
Ik zou mogelijk nog wel meer weten, maar ik denk dat ik zo wel een redelijke indruk heb gegeven van hoe het er in het kamp aan toeging.

Abracadabra-1279

This entry was posted in Geeuwenbrug, Jongenskamp de Eikenhorst. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *