Un paer olde Deeverse woord’n van Anne Mulder

De redactie prijst zich bijzonder gelukkig met de in dit bericht verwerkte bijdrage van de in Deever geboren en getogen Anne Mulder uit Gasselte. Hij stuurde in juni 1987 en januari 1990 een lijst met woorden, zoals die werden en soms nog worden gebruikt in ut Deevers, naar dr. Geert Hendrik Kocks van het Nedersaksisch Instituut van de Rijksuniversiteit van Groningen. Dr. Geert Hendrik Kocks was in die tijd nog bezig met het opstellen van het Woordenboek van de Drentse dialecten. Hij had daarbij in het dorp Deever als correspondenten: Albertus Andreae, Lutina Andreae-Talen, Roelof Fransen, familie Jacob Hessels, Jan Moes Hzn. en Hendrik Mulder Jzn. Het Woordenboek van de Drentse dialecten is in 1996 verschenen.
Als in de navolgende lijst van Anne Mulder een woord staat dat niet in het woordenboek voorkomt, dan is dit vet weergegeven. Als een woord in de navolgende lijst wel in het woordenboek staat, maar de door Anne Mulder aangegeven betekenis helaas niet in het woordenboek is opgenomen, dan is die aanvullende betekenis vet weergegeven.
Dat dr. Geert Hendrik Kocks en zijn medewerkers wel degelijk gebruik hebben gemaakt van de lijst van Anne Mulder mag blijken uit de cursief weergegeven woorden en hun betekenis. Deze zijn letterlijk in het woordenboek terug te vinden !

akstallig – naar, vervelend;
de bangerd aachter ’t gat – bang zijn;
batse – grote hoeveelheid;
beuze – druk doend, zichzelf haast voorbij lopend;
boezig – winderig, rumoerig;
bösselwaeter – zeer slappe niet te drinken thee;
brokkie – boterham;
dag elegd – bestemd voor;
dikke stienen – hunebed;
dogge – sul;
elbaand – bewegelijk, ongedurig persoon;
fleenstertie – dun plakje, dun sneetje;
flut, fluttiehoeveelheid, kleine hoeveelheid;
fobie – hopeloze figuur, onverzorgd iemand;
frabbe – kreng van een mens;
gezem – bleek, slecht uitziend;
gemiggel – gewemel;
gerak – benodigdheid
gewulfte – gevaarte, groot van omvang;
glinder – gluiperd;
goezerd – sul;
goezebroek – dom persoon, sufferd;
uut goderdeudeuit bestwil;
grizzeltie – heel weinig, bijvoorbeeld een grizzeltie zolt;
halsknope – dom persoon, stuntelig persoon;
heun – node, ongaarne;
hoesterig – onverzorgd;
hollewaais – schots en scheef, slordig;
hompe – dik stuk, bijvoorbeeld een dik stuk brood;
hookies en eggieshoekjes;
höppen – beteugelen, in toom houden;
op de hukies zit’n – gehurkt zitten;
huken, mit e kroeme hoed, mit de bienen an mekaer  – drie uitdrukkingen voor bijvoorbeeld koeien, die bij slecht weer ‘ineengekrompen’ met het achterste naar de wind gekeerd staan;
huushenne – een vrouw die het thuis erg naar de zin heeft;
iepie – keukenstroop;
ikkertieheel klein gaatje, bijvoorbeeld in een broek;
kaantfier, bijvoorbeeld een kaante meid;
kilstern – schel, luidruchtig praten;
klibbe – niet gerezen gedeelte in het brood;
klobbe – dik stuk hout;
op e kloetn koomnfinancieel in goede omstandigheden komen;
kooveugeltie – geelgors;
krenge – binnenste buiten, bijvoorbeeld van kousen;
kuisie – kalf;
lasse, lassie – buitenste snee van een brood;
meistern – dokteren (bij een arts in behandeling);
melklappe – een koe, die veel melk geeft;
mennebeune – zandweg met wagensporen;
’t miggelt ervan – het krioelt ervan, het wemelt ervan;
nebbe – mond; na het scheren: glad um de nebbe;
neerswisser – toiletpapier;
noawaernnakijken;
ontsnobbeln – ontkomen;
plowern – het eerste gras eten van jonge lammeren;
porre, prugeltie – ondeugend klein persoon;
deur de repe voord – kreeg te weinig te eten (door de ruif gevoerd);
reestern – in beweging zijn;
rempt – vlug;
rink maank holln – orde op zaken stellen, opruimen;
romoezen – rotzooien, slordig te werk gaan;
sam – mals;
scheuken – overdreven bewegingen maken;
schildertiemooi plaatje, prentje;
schoatnscherven van porcelein of aardewerk;
schoffels – lange nagels;
sloksigheidslordigheid;
smietig – flink, ferm;
sobberig – opgezet in het gezicht;
de stikke optrekken – weggaan;
stoeken – stagneren;
suilen – traag lopen, slenteren;
taamp – zuur;
togen – slepen, bijvoorbeeld togen veur ‘t poasvuur;
tolter, toltern – schommel, schommelen;
triesie – armetierig schepsel;
op vetok hollnaan het lijntje houden;
voelschouwn – van iets verdenken;
zakkebaand – oudewijvenkoek;
een zwenkie regen – een weinig regen.

Aantekeningen van de redactie van ut Deevers Archief
De zeer gewaardeerde bezoekers van ut Deevers Archief worden uitgenodigd om bij hun bekende oude woorden en uitdrukkingen in ut Deevers in te sturen naar de redactie van ut Deevers Archief.

This entry was posted in Deevers. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *